De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIEN

11 minuten leestijd

Daar schuilt iets gezelligs in een groot gezin. Wanneer nog geen der kinderen volwassen is en zij nog op de schoolbanken zijn gezeten of op een of andere wijze zich zoeken voor te bereiden voor het leven, heerscht er vaak een levendigheid, dat iemand, deze drukte niet kennend, zich afvraagt : „hoe houden de menschen 't uit ? " Vooral moeder. In huis vormt zij de spil. Vader is al weinig onderscheiden van de kinderen. Hij weet al evenmin als de oudste Jongens, waar hij dit heeft geborgen of dat weggelegd. „Moeder, waar kan ik dit vinden ? " „Moeder, waar hebt ge dat gelegd ? " Zij heeft het natuurlijk gedaan. Wanneer er iets verstommeld is — natuurlijk door zijn eigen schuld — moet zij het weer terecht brengen. Van de kinderen geldt dit hoofd voor hoofd, een enkele uitzondering daargelaten. Er zijn n.l. meisjes, in wie ge de toekomstige huisvrouw al ontdekt, al is zij ook nog zoo klein. Alles moet door haar zorgend oog en haar leidende hand worden geregeld. Vandaar dat zich een verweesde trek onmiddellijk afteekent op aller gelaat, als moeder er niet is. Haar stoel ledig, is dan ook erger dan één ding. Zij ordent en zij regelt alles in huis. Zou hierin niet goddelijke wijsheid blinken ? Zie maar eens wat het Woord des Heeren hiervan zegt. De Spreukendichter roemt hare waardij, zelfs boven die der robijnen.
Vaders taak is heel anders, gelijk de positie die hij inneemt, ook heel andersoortig meet worden genoemd.
Stel u voor, dat vader zich bemoeide met hei, gezinsleven, en moeder zich inliet met de zaken, hoe zoudt ge dit vinden ? Dat is abnormaal. Zoo behoort het niet. Natuurlijk zijn er in deze ook uitzonderingen. Door ziekte, of door sterfgeval kan het als gebiedende eisch op iemand worden gelegd een dubbele taak op zich en een dubbele positie in te nemen, doch gewenscht is dit niet. Vader zorgt voor het gezin in de breedste lijn van het woord. Dat is zijn eere en zijn roem. Van den morgen tot den avond geeft hij zich aan deze goddelijke taak. 's Morgens vraagt hij den Heere om wijsheid en krachten. Hij regelt zijn arbeid naar zijn beste weten, er Gode steeds in kennend. En legt hij zijn dagtaak neer, zoo is het niet zelden met een gevoel van kleinheid en dank aan God. Door Uw dragende goedheid, Heere, mocht ik doen wat ik deed ; onthoud nu daarover Uw zegen niet. Uw hand alleen moet het doen. Als het van mij en het mijne afhangt, is het met onvruchtbaarheid geslagen. Ik bederf, wat Gij in Uwe goedheid mij hebt toegereikt, telkens. Vandaar : „Heere, vergeef".
Vader en moeder hebben het, als de kinderen nog klein zijn, vaak verre van gemakkelijk. Daar glijdt — al zoeken zij het voor elkander te verbergen — wel eens een zucht van de lippen : „ik zou wel eens iets van de schouders willen zien afglijden. De last is nu waarlijk zwaar genoeg geworden". De gedachte welke hierin voorzit is n.l. deze : straks, als wat nu klein is, groot is geworden, zal het alles beter, gemakkelijker gaan. Of het waar is, mag wel eens worden betwijfeld. Heel misschien zat hierbij de meening voor, dat door de hand der oudsten iets van de zorg van vader en moeder kon worden afgenomen. En zou dit kunnen worden gewraakt als iets onbehoorlijks ? We gelooven het niet.
Leg u zelf de heele zaak maar eens voor. Begin maar bij hetgeen zich binnenshuis bevindt. Moeder heeft groote dochters gekregen, tenminste zij hebben den leeftijd bereikt, dat zij niet meer tot de school­ gaande kinderen behooren, zou dan de vraag verwondering wekken, om even een handje te helpen ? Immers neen. Ge zegt : deze vraag niet te stellen, zou de gedachte kunnen wakker roepen of moeder niet op verkeerde wegen zich bevond, door na te laten wat zij behoorde te doen, n.l. de kinderen in te schakelen in het geheele verband van het gezin.
Zoo is het met moeder en dochters, zou het met vader en jongens dan anders zijn ? Ieder neme zijn eigen plaats in. Wanneer straks de tijd is aangebroken dat de huiselijke opvoeding en steun heeft opgehouden, omdat een zelfstandige positie kan worden ingenomen, zoo geeft de natuurlijke verhouding hier o zoo gemakkelijk de juiste richting aan. Vader wordt bijgestaan door zijn eigen jongens. Van wie zou hij het eerder vragen ? Werd de hulp van een vreemde ingeroepen, zoo werd door elke ingewijde de vraag gedaan : hoe komt ge daartoe ? Eigen is eigen, niets gaat er voor.
Wij willen eens een actueel voorbeeld nemen, zooals het in dezen tijd vaker dan eens gebeurt. Vader kan het hoofd met moeite boven water houden. De uitgaven blijven bij die van voorheen weinig of niet ten achter, de inkomsten krompen schrikbarend in. De plooien in vaders zorgelijk gelaat trekken dieper, en moeders vroolijkheid is, zoo niet geheel verdwenen, toch blijkbaar sterk verminderd. Wat doet zich nu in een gewoon christelijk gezin voor : dat de jongens, die kunnen, bijspringen. Zonder een woord te zeggen, zonder de minste aansporing van buiten, stoppen zij de lekken dicht en als zij met vader alleen zijn, zeggen zij : vader, ge kunt op ons rekenen, en de vroolijkheid van moeder keert zonder dat iemand van buitenaf ziet hoe het toegaat, vanzelf terug.
Het gezin is een maaksel van hoogere orde ; het huis, dat God gebouwd heeft, is en blijft een geheel.
Zoo voelen wij nu net eender ons gezinsleven, dat zich als Gereformeerde Bond openbaart, ook aan.
Wij zagen ons gezin groeien, onze uitgaven vermeerderden met elk jaar. 't Ging zelfs vrij snel op sommige tijden. Doch daar stond tegenover, dat onze inkomsten gelijken tred daarmede hielden, 't Hinderde dus niets, dat naar alle kanten de gevende hand werd toegestoken. Er schuilt een heerlijke waarheid in het woord : het is zaliger te geven dan te ontvangen. Door het geven wordt een gewaarwording wakker geroepen, welke van tevoren niet eens werd gekend. Men gaf graag. De tijden werkten dit in de hand. Op grove wijze werd er geld verdiend. En de zaken, die men diende, waren het waard. Het gebrek aan predikers was niet klein. Wat een getob vaak om een Dominee te krijgen. Nauwelijks waren twee jaren om, of men kon weer opnieuw beginnen met dat troosteloos beroepingswerk. Neen, dat is een goeie zaak; voor dat Studiefonds voel ik. Voor den Leerstoel natuurlijk niet minder. Want het onderwijs in de leer naar Gods Woord geldt als het allernoodzakelijkste. Onze arbeid werd zeer gewaardeerd, wat blijkt uit het medeleven in een zeer broeden kring. Tot nu hebben we niet anders dan oorzaak om God te danken. Toch zou het dwaas zijn en onverantwoordelijk om bij wat voorbijging met onze gedachten te blijven stilstaan. Het heden wijst toch voor een goed deel aan wat op komst is. De wateren van den tijdstroom, die ik nauwelijks vanuit de verte speuren kan, zijn binnen afzienbaren tijd mij reeds gepasseerd en voorbij gevloten.
En hoe het heden is, behoef ik u niet voor te zeggen. Dit weet ge zelf. Weet ge waarop ik nu reken — en daarmee leg ik bloot een klein hoeksken van mijn hart als penningmeester — op de hulp van de groote jongens. Deze zullen, voor zoover het van hen afhangt, er weder zorg voor dragen dat hun kleine broertjes en zusters geen gebrek zullen lijden, 't Is zulk een heerlijke gewaarwording voor groot en klein, dat de liefdeband in dezen zin wordt gevoeld, dat de oudere kinderen aan vader en moeder toonen door woord en daad, dat zij niet alleen het lief, doch ook het leed met elkander deelen.
Zie, daarom verblijdde mij ook een van de oudere jongens, die aan den discla eertijds aanschikte, en thans een eigen arbeidsveld van God ontvangen had, door van wat hij genoten had een deel ter aflossing mij toe te zenden.
De zorgen, die wij ook nu weer op ons hebben genomen op de laatstgehouden bestuursvergadering, zijn van zulk een omvang, dat niet door één, maar door meerderen tegelijk de vraag gedaan werd : Durft ge dit aan ? Wordt de rekening der uitgaven niet te hoog ? Wel neen, was het antwoord, ik heb zooveel vertrouwen in het werk dat God op onze hand heeft gezet, zooveel In den Gever Zelf, dat ik niet vrees voor wat komen zal. Alleen : onze nooden niet weggestopt, onze zaak aan den Heere voorgelegd en aan de vrienden op het hart gebonden. Het doel, dat wij voorstaan, is het waard, dat alles wat tot ons Gereformeerd gezinsleven behoort, de handen ineen loggen en wij tezamen den arbeid verrichten, welke onder de zegenende hand Gods tot een steeds grooteren zegen moge strekken.
Thans willen we u een staatje voorleggen van wat in de laatste twee weken inkwam.
1. Van mej. N.N. te Utrecht ƒ 2.50
2. Door ds. Kievit te Baarn de kerkcollecte, aldaar gehouden, welke met een nagift van 3 gld. opbracht ƒ49.09 Zeer hartelijk dank.
3. Vanuit IJsselmuiden werd ons door den adm.-diaken toegezonden de collecte, gehouden bij een preekbeurt aldaar, waarbij voorging ds. Remme, van Amsterdam. Deze bracht op de heerlijke som van ƒ 85.09
4. Door ds. Bruijn te Katwijk aan Zee een gift van N.N. te B. voor het Studiefonds ƒ 5.—
5. Door ds. Heijer te Vlaardingen, gecollecteerd in zijn dienst op 26 Juni voor het Studiefonds ƒ 10.— Voor hetzelfde doel van N.N. ƒ 10.—
6. Door ds. de Bruin te Rotterdam van mevr. L. R. ƒ 2.—
7. Door den heer E. Roest te Kampen van de Zondagsschool op Geref. grondslag ƒ 18.50
Deze gift is zoo verblijdend met het oog ook op de opgroeiende jeugd.
8. Gift, aan mijn huis bezorgd, onder letters G. J. B. ƒ 1.—
9. Door ds. Van Dorp te 's Hage van mej. N.N. voor het Studiefonds ƒ 1.—
10. Door ds. Fokkema te Sprang van een dankbaar ouderpaar bij de aangifte voor den H. Doop van hun kind hem ter hand gesteld ƒ 5.—
11. Door den heer A. Heijblom te 's-Gravenmoer voor 't Studiefonds ƒ 1.—
12. Door den heer C. Bardelmeijer de opbrengst van het bekende busje in de maand Juni ƒ 3.15
Ik denk hierbij aan een spreekwoord, dat ik iets wijzig : een gestage drup vult den emmer.
13. Een dankoffer van den heer J. C. Jongeneel te Oud-Alblas, voor de beide fondsen, bij gelegenheid van 't slagen voor het examen, waaraan hij zich onderworpen had.
Ik koester deze gedachte, dat niet alleen dankbaarheid hém heeft aangedreven in deze, doch tevens de begeerte, dat anderen zijn voorbeeld zouden volgen.
Ik ook verwacht nog heel wat groote en kleine giften ƒ 5.—
14. Door ds. Bakker te Bleiswijk, een deel van een gehouden collecte ƒ 10.— Onzen vriendelijken dank.
15. Door ds. Schroten te Reeuwijk van een vriend uit Sluipwijk voor het Studiefonds ƒ 10.—
Studiefonds ƒ 10.— 16. Door den heer Jb Bot te Feijenoord ƒ 14.—
Elk jaar, ook nu, zendt hij enkele bijdragen van contribuanten. Ditmaal bedroeg het niet minder dan anders.
Wij zijn erkentelijk voor wat hij in dezen doet.
17. Een kleine gift ui| den collectezak van de Oranjekerk van 25 et. ƒ 0.25
18. Van de Fam. de Br. te Utrecht nog een Paaschgave van 1 gld. voor het Studiefonds en ƒ0.75 voor de Evangelisatie-Commissie ƒ 1.75
19. Een gift van mej. D. de Weert te Hattem verblijdde ons ten zeerste ƒ 5.—
20. De heer P. te M. zond ons de contributie van hem en den heer D., vermeerderd met het restant van de kas, zijnde ƒ2.—ƒ 22.90, samen ƒ24.90
Wij hebben goed nota genomen van uw schrijven en zeggen u zeer hartelijk dank.
21. Ten slotte nog een tweetal giften waar we expresselijk dank voor zeggen. De eerste kwam uit het Zuiden van het land. Mevr. de wed. T. V. IJ. te VI. zond ons tce de som van ƒ 50.-~
Wat we persoonlijk reeds gedaan hebben in een apart schrijven, doen we bij dezen nog eens: de Heere zegene u in dezen uwen heerlijken arbeid.
22. Het sluitstuk wordt gevormd door een gift van N.N. Nadere aanwijzing zal ik niet geven. Deze kan komen uit het Noorden, zoowel als 't Zuiden, uit het Oosten en uit het Westen. We hebben onze jongeren overal zitten, die als ouderen trom 't ouderlijk huis willen gedenken.
Steunt onze armen door uwe gaven en deer uw gebed. Doe zooveel als gij kunt. Het heil van onze Kerk hangt nauw met onzen arbeid samen. Toont met daden dat gij waardeert wat voor zorgen aan u zijn besteed. Maakt onzen arbeid licht door uw medeleven.
Wij zeggen onzen vriend, die ons thans 200 gld. toezond ter aflossing van het eenmaal door hem genotene, allerhartelijkst dank. ƒ 200.—
Het tezamengetelde bedraagt de niet onbelangrijke som van
f. 514.23.
Wij zijn verblijd met Gods daden.
Utrecht. Ds. J. GOSLINGA.

P.S. De eerste contributies komen binnen, en wij hopen op meerdere. Met het oog op de naderende vacantie zoudt ge me een genoegen doen niet met de inzameling te wachten. Ook is vermeerdering van het aantal van hen, die op een andere wijze onzen arbeid steunen, zeer gewenscht. Dus : werf nieuwe leden en menden, die op een of andere wijze ons helpen.

POSTZ., CAPSULES EN ZILVERPAPIER.
Ontvangen van :
Ie. A. Verboom, Gouda, postz., caps, en zilverpapier. Door een vergissing eerst heden verantwoord.
2e. P. A. C. Moerman, Delft, zilverp. en postzegels, verzameld door de kinderen der Fröbelschool,
3e. Gez. Noordhoek, Maassluis, postz., caps, en zilverpapier.
4e. Mej. G. de Haan, Vlaardingen, postz. en zilverpapier.
Met zeer hartelijken dank en aanbeveling.
Mejuffr. J. DEN HARTOG.
Krommedijk 60, Dordrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's