De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Hier staat het, zwart op wit : „de jongen worden moede en mat en de jongelingen struikelen, maar die op den Heere vertrouwen vernieuwen de kracht, zoodat zij opstijgen met vleugelen van den arend". Dus volgens dezen geleerde alweer het geloof de kracht, die over de moeilijkheden heen helpt, die de stormen van het leven trotseeren doet, die iets anders geeft dan de wetenschap, „wier broze zeilen", volgens Heegaard, „als dunne draden vaneenscheuren, als de ziel in duisternis gehuld wordt en de stormen opsteken".
Een wonderlijke vrede, zooals hij dien nog nooit gekend heeft, komt dalen in zijn ziel. Hoe is het mogelijk, dat zijn hand niet eerder gegrepen heeft naar den kostbaren schat, die hier zoo langen tijd renteloos bleef, en dat te meer, waar zijn eigen, lieve moeder in deze levens-en wereldbeschouwing zulk een diepen vrede gevonden had. Eerst nu begint hij iets te begrijpen van den strijd, dien zij geheel alleen heeft moeten doorworstelen, en die te zwaarder was, omdat zijn vader evenmin iets verstaan had van hetgeen haar boven alles ging. Wat werden nu vele woorden van haar hem duidelijk; bovenal, hoe verklaarbaar werd hem thans de wonderlijke rust, die hem menigmaal in haar bevreemd had, vooral wanneer zijn vader zoo toornig was, als zij niet met hem uit wilde gaan of bezwaar had deel te nemen aan de een of andere partij.
Hij herinnerde zich, hoe zijn moeder meermalen met roodgekreten oogen uit haar boudoir is gekomen, zonder ooit te hebben willen zeggen wat de oorzaak van haar diepgaand leed was; maar in deze ure wordt het hem duidelijk, dat er verband moet hebben bestaan tusschen haar geloof en haar zeldzame gaven van hoofd en hart, waardoor er zulk een weldadigen invloed van haar uitging op haar omgeving ; dat er óók verband zal zijn geweest tusschen haar geloof en de droefheid die haar soms vervulde, al kreeg de buitenwereld daar nooit iets van te zien. O, had hij dat maar eerder geweten ! Overal vindt hij de sporen van haar hand in tal van aanteekeningen. Hij vergeet alles om zich heen. Het eene uur na het andere verloopt; de duisternis van den nacht valt in, maar rusteloos blijft hij zoeken en bladeren of hij wellicht hier of daar nog iets zou kunnen vinden, waardoor haar innerlijk leven hem nog duidelijker wordt. En telkens bij vernieuwing doet hij ontdekkingen; nu vindt hij dit en dan weer iets anders, waar door hem veel wordt verklaard, wat tot nog toe een raadsel voor hem was. Eindelijk staakt hij zijn onderzoek. Zijn oogen zijn vermoeid van het staren. Morgenavond zal hij vervolgen.
Onwillekeurig dwaalt zyn blik weer naar die beeltenis daar aan den wand. Het valt hem op hoe in-teer, bijna doorzichtig, het gelaat zijner moeder was. Nooit heeft hij dit zoo goed gezien als heden. Maar ook nooit eerder opgemerkt, welk een diepe ernst er straalt uit haar zachte oogen, waar mede zij in zijn ziel schijnt te willen blikken. Is het niet, alsof een zachte glimlach om haar mond speelt ?
Zou zij misschien weten, dat haar Duco vanavond bezig geweest is met het onderzoek der dingen, die voor haar altijd zooveel waarde hadden ? Als zij het weet, dan is het zéker, dat haar blijdschap groot is.
Neen, hij is nog niet een geloovige. Hij denkt er zelfs niet aan dit vooralsnog te worden. Maar hij wil onderzoeken ; hij wil graven daar, waar tot nog toe zijn geest nimmer dwaalde, omdat hij het gebied des geloofs heeft beschouwd als voor hem ontoegankelijk, omdat het beneden zijn waardigheid was.
Hij wil zien of ook daar voor hem misschien diezelfde rust te krijgen is, waar anderen die vonden.
En als dan die vrede, welke thans zijn ziel vervult, hem bij mag blijven, om in toenemende mate hem te geven wat hij zoo vurig verlangt, dan zal ook hij zich gevangen geven en buigen, om zonder voor behoud, zonder beding, zich te wijden aan wat dan het dierbaarste voor hem zal zijn. Zóó overlegt hij, terwijl hij al maar staart op de beeltenis zijner moeder.
Eindelijk komt er beweging in zijn roerlooze gestalte. Langzaam vouwt hij de handen en, op de knieën zinkende, buigt hij 't hoofd, 't Is doodstil in de bibliotheek, in 't gansche huis, in den ganschen omtrek; alleen het getik van de marmeren pendule op den schoorsteenmantel wordt vernomen. En wat in gansch Kleiterp, wat op de geheele wereld door geen sterveling wordt vermoed, wat alleen bekend is bij Hem, Die in het verborgene ziet, èn bij Zijn heilige Engelen, wat ook hij zelf nooit gedacht heeft, dat ooit mogelijk zou zijn, dat gebeurt in dezen stillen nacht: Jonker Van Sterrenburgh bidt.

HOOFDSTUK VIII.
In een eenvoudig landhuisje, ongeveer een kwartier buiten het dorp, aan den zoogenaamden Zandweg, woont de oude Marijke.
Een groen geschilderd hekje, met wit afgezet, vormt de scheiding tusschen den publieken weg en het plekje grond dat Marijke, zoo lang zij leeft, haar eigendom mag noemen. Voor de ramen is een bloemperkje aangebracht, waarin eenige fiolieren en petunia's bloeien. Op den voorgevel slingert een roode roos haar ranken langs kozijn en deur. Door de heldere ramen gluren eenige pas geplukte asters en margrieten, met een takje van den bruinen beuk en een paar varentjes tot een bouquet vereenigd naar buiten. Op alles staat hier het stempel van groote netheid en degelijkheid gedrukt, wat niet te verwonderen is, wanneer men weet, dat dit huisje behoort aan den Jonker, en diens vader indertijd, toen Marijke oud begon te worden, een en ander voor haar liet inrichten als belooning voor den veeljarigen trouwen dienst door haar op het Slot verricht. Na het sterven van den ouden baron bleek uit het testament, hoe hij beschikt had, dat zij hier moest blijven wonen, terwijl een zeker bedrag voor haar levensonderhoud was uitgetrokken. Natuurlijk heeft de Jonker deze begeerten zijns vaders niet alleen geëerbiedigd, doch gelijk te denken was, ze nog verbeterd, door er voor te zorgen dat de oude dienstbode op onbekrompen wijze haar laatste levensdagen hier kon slijten. Daar hij weet, dat zij veel van bloemen houdt, wordt af en toe door den tuinknecht een ruiker gebracht en tevens gezorgd dat het tuintje voor haar woning een vriendelijken aanblik heeft.
Een heel enkele maal komt de Jonker zelf bij Marijke inloopen, en er moet al heel iets bijzonders zijn, als hij op den dag harer verjaring niet even binnenwipt om het oudje, dat evenwel nog zoo hecht en flink is, geluk te wenschen. Dat is voor Marijke het glanspunt van den dag. Geen wonder, dat zij, zooals Theunis' Aaltje pleegt te zeggen, met hem wegloopt. Och, hij lag ook nog in de wieg, toen zij al op „Grovestins" diende.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's