De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

12 minuten leestijd

„Komt, ziet een mensch, die mij gezegd heeft alles wat ik heb gedaan, is deze niet de Christus ? " Johannes 4 vers 29.

Hoeren en tollenaren zullen u voorgaan in het Koninkrijk der hemelen !
Onwillekeurig moeten wij denken, mijne lezers, aan dit merkwaardige woord van den mond der Waarheid, als wij ons tekstwoord. Joh. 4 vers 29, lezen.
Liefelijke woorden zijn het, voorwaar, die wij hooren uit den mond van haar, die tot op dit oogenblik als een losbandige vrouw had geleefd. Het was evenwel Gods tijd, dat deze vrouw tot bekeering werd geleid. De Heere Jezus, Gods eigen Zoon, moest hiertoe door Samaria gaan en den weg nemen langs Sichar, destijds een klein stedeke. En de vrouw van onzen tekst moest juist water gaan halen uit de Jacobsbron, die daar was, en daar moest het dan komen tot een gezegende ontmoeting van den Heere Jezus met haar.
De Heere Jezus was vanwege vermoeidheid bij die bron gaan zitten, en waar Hem dorstte, en de vrouw tot die bron naderde, vroeg Hij van haar een teuge waters uit die bron. Zij evenwel, in den Heere Jezus een Jood ziende, zeide tot den Heere : „Hoe begeert Gij, die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaansche vrouw ben, want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen ? "
Als antwoord hierop kreeg zij toen te hooren de treffende woorden : „Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt : geef Mij te drinken, zoo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben !"
IJdel en lichtzinnig genoeg gaf zij den Heere hierop ten bescheid : „Heere, Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep ; vanwaar hebt Gij dan het levend water ? Zijt Gij meerder dan onze Vader Jacob, die ons den put gegeven heeft ? en hij zelf heeft daaruit gedronken en zijne kinderen en ziin vee"
Hoewel nu ook die Samaritaansche vrouw een Sosiash of Redder verwachtte, kon zij het nog maar niet gelooven (zij dacht er althans in het geheel niet aan) dat Die in den persoon, die voor haar zat, zou kunnen zijn verschenen. En toch was dit zoo. De Heere toch ging voort zichzelven als zoodanig aan hare ziel te openbaren, toen Hij zeide: „Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten ; maar zoo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem zal geven, dien zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven !"
Mocht deze vrouw den Heere Jezus al niet kunnen verstaan, blijkbaar wenschte zij dit in hare lichtzinnigheid volstrekt niet. Anders zou zij den Heere niet zoo spottend geantwoord hebben met de vraag : „Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste en ik hier niet moet komen om te putten !"
De Heere evenwel ging niet verder in op Zijn gesprek over het levende water, als zijnde dit de onmisbare gave des Heiligen Geestes, maar voegde haar toe de woorden : „Ga heen, en roep uwen man, en kom hier !"
De Heere Jezus, van Wien wij zoo treffend lezen, dat Hij door Samaria moest gaan, liet niet van deze vrouw af, alhoewel zij Hem zoo lichtzinnig had durven antwoorden, maar ging er terstond toe over haar van dat levende water te schenken, zoodat zij een blik kreeg te slaan in haar dieptreurigen zondaarstoestand en zij tevens een onlosmakelijken band aan den Heere Jezus, Dien zij nog maar steeds voor een verachtelijken Jood hield, ging gevoelen.
Op 's Heeren gezegde immers : „Ga heen, roep uwen man, en kom hier !" gaf zij den Heere ten antwoord : „Ik heb geen man !"
Het laat zich begrijpen, hoe verwonderd zij zal hebben opgehoord, toen de Heere Jezus haar hierop ten antwoord gaf : „Gij hebt wèl gezegd : ik heb geen man, want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt is uw man niet! Dat hebt gij met waarheid gezegd !"
Bevreemden kan het ons niet, dat zij, deze woorden uit 's Heeren mond hoorende, uitriep : „Heere, ik zie dat Gij een profeet zijt!"
Een alleszins wonderlijk mensch scheen de Heere Jezus haar voorwaar toe. De Heilige Geest, in haar ziel gekomen zijnde, verheerlijkte den Heere Jezus ook reeds in haar, zoodat zij dezen uitroep moest doen hooren. En eenmaal meer dan een gewoon menschenkind in den Heere Jezus ziende, en niet gaarne langer sprekende over haar zondigen levenswandel (welke begenadigde ziel staat ook niet naar ontdekking en verzet er zich nochtans tegen, als de Heere haar ontdekken gaat) begon zij met den Heere te spreken over de plaats der aanbidding, zijnde dat steeds de strijdvraag tusschen de Joden en de Samaritanen. De Heere nam met de wending van dit gesprek genoegen en wist deze toch wel dienstbaar te maken tot openbaring van Zichzelven aan hare ziel.
Ja, mijne lezers, de Heere leidde Zijn gesprek met deze vrouw zoó wonderlijk, dat zij zelf met Hem over den Messias of Sosiash begon te spreken, van wien zij zeide te weten, dat als Die zou gekomen zijn. Hij hun alle dingen zou verkondigen, welk gezegde de Heere Jezus toen dan ook beliefde aan te grijpen om haar mede te doelen dat H i j die Messias was, dien zij bedoelde.
Wonderlijk gewis in al Zijn doen, betoonde de Heere Jezus zich tegenover haar te zijn, als Hij haar alzoo met zelfkennis en Godskennis beliefde te begiftigen.
Hoezeer moet dan ook haar hart niet brandende in haar zijn geweest, als de Heere tot haar sprak !
Alleszins begrijpelijk is het, dat zij de komst van 's Heeren discipelen als een gereede aanleiding beschouwde om van den Heere weg te snellen en Hem te gaan prediken aan hare stadgenooten ! Het hart toch, dat den Heere Jezus gevonden heeft, kan niet van Hem zwijgen.
Treffend alleszins moet haar uitnoodiging worden geacht, die zij weergaf in onze tekstwoorden : „Komt, ziet een mensch, die mij gezegd heeft alles wat ik heb gedaan, is deze niet de Christus ? "
Alle redenen bespeurde zij nu gewis in haar bestaan, waarom de Heere zich verre van haar had moeten houden. En nu juist naar haar omgezien, naar haar, zulk een zondig en goddeloos levend schepsel. Zij kon er niet over uitgedacht raken. Hoe langer ook zij dit wonder bepeinsde, hoe minder zij dit vatten kon.
Wie onzer door genade met deze Samaritaansche vrouw een blik heeft mogen werpen in zijn eigen hart, of ook reeds tot de geloovige omhelzing van den Heere Jezus mocht komt; en, die kan het zich indenken, hoe zeer vervuld het hart van deze vrouw wel moet zijn geweest van dankbare wederliefde jegens den Heere ! Ja, die verstaat het ten volle, dat zij zonder aan haar watervat te denken, zelfs is heengeijld naar hare stadgenooten om hun dien gevonden Immanuël aan te prijzen uit alle macht! Zeker heeft zij al hare stadgenooten wel mede willen trekken, opdat ze toch maar bij den Heere Jezus zouden komen en Hem hooren.
„Heeft de Heere Jezus eens gezegd : „wie veel vergeven is, die heeft veel liefgehad !", hoe lief moet dan deze vrouw den Heere Jezus wel niet gehad hebben !
Niets voorwaar heeft zij onaangewend gelaten teneinde hare stadgenooten toch te mogen overreden om tot den Heere Jezus te gaan.
Sterk zijnde door hare liefde, vermocht zij dan ook veel !
Niet te verwonderen is dit ook, als wij slechts bedenken, wie zij eertijds was. Die menschen van Sichar zullen toch niet geweten hebben wat zij hoorden, toen zij uit haar mond zulk een treffende uitnoodiging vernamen, te treffender, doordat zij daarin haar zondig leven tevens niet verontschuldigde, maar openlijk beleed. Immers zij noodigde hen uit te gaan naar en te zien een mensch, die haar alles gezegd had, wat zij had gedaan.
Haar oprechtheid, dit kon niet uitblijven, moest indruk op hen teweegbrengen. En werkelijk velen — lezen wij verder in ons teksthoofdstuk — gaven aan hare uitnoodiging gehoor en geloofden reeds om haars woords wil, doch nog velen meer om 's Heeren woords wil. En deze allen zeiden later tot deze vrouw : „Wij gelooven niet meer om uws zeggens wil, want wij zelven hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld !"
En hoe staat het nu in dezen met ons, geliefde lezers ?
Mogen ook wij reeds gelooven, dat de Heere God om Christus', Zijns lieven Zoons wille, ons Zijnen Heiligen Geest geschonken heeft ?
Wat de vrouw van onzen tekst heeft leeren kennen, moeten ook wij, al is het ook maar eenigermate, ervaren. Ook wij zullen het elkander moeten kunnen vertellen hoe ons de Heere Jezus is ontmoet.
Als toch een mensch tot bekeering wordt geleid, mag hij er met den apostel Paulus van gewagen, dat hetzelve in geen hoek is geschied. Die bekeering gaat niet buiten ons, menschen, om. Een wonder werk is dat, te groot, dan dat datzelve verborgen kan blijven.
„Komt, luistert toe, gij Godgezinden, Gij, die den Heere van harte vreest ! Hoort, wat mij God deed ondervinden. Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest!"
De Samaritaansche vrouw van weleer strekt ons hiervoor ten bewijs.
Ook roept zij het ons nog toe dat de Heere inzake de waarachtige bekeering eens menschen altoos de Eerste is. Zij zou immers uit zichzelven nooit, neen, nooit naar den Heere Jezus hebben gevraagd, ook al wist zij verstandelijk, dat er eenmaal een Sosiash of Redder komen zou. Zij was gelijk wij allen, ook al heeten wij Christenen zelfs, levende stil en gerust daarheen, niettegenstaande wij het weten mogen dat er een God en een Christus en een Heilige Geest is.
Gelijk zij als een brandhout uit het vuur gegrepen werd, zoo dienen ook wij uit onzen doodsslaap te worden opgeschrikt. Tevens was zij een levend bewijs voor de leer der uitverkiezing.
Een mensch, zoolang hij onbekeerd is, verzet zich wel met hand en tand tegen deze leer, doch wordt hij waarlijk bekeerd, zoo wordt deze leer hem lief, als zijnde deze leer een troostbron voor al Gods volk.
Evenwel roept de Samaritaansche vrouw ons in hare bekeering ook nog toe, dat de grootst mogelijke zondaar onder ons nog tot bekeering komen kan. Hoe diep gezonken zij ook mocht zijn, nochtans beliefde het den Heere Jezus haar van een vat ter oneer te maken tot een vat, Gode ter eere.
Zijn ook wij reeds van een vat ter oneer veranderd in een vat ter eere des Heeren ?
Alleen kan dit geschieden door de wedergeboorte uit Gods Heiligen Geest. Wordt de Heilige Geest ons geschonken, dan ervaren wij hetzelfde als de Samaritaansche vrouw weleer ondervond. Staan wij, menschen, van nature inderdaad onverschillig tegenover den Heere Jezus, als genade aan onze ziel verheerlijkt wordt, wordt dit anders. Alsdan leeren wij den Heere Jezus lief krijgen en wordt alles wat aan Hem is ons lief.
De Heilige Geest, in onze ziel gekomen zijnde, verheerlijkt den Heere Jezus in haar naar 's Heeren eigen Woord.
Zelfkennis gaat dan gepaard met Godskennis.
Gelukkig dan ook, die zijne zonden in oprechtheid voor den Heere leert belijden en beweenen, zoodat wij die woorden van de Samaritaansche vrouw, dat de Heere Jezus haar alles gezegd had wat zij had gedaan, goed mogen verstaan !
En mag dit zoo zijn, dan mogen wij ook niet langer ongeloovig zijn, maar dan hebben wij het te gelooven dat ook ons barmhartigheid is geschied.
En moet men nu belijden, dat men juist vanwege het gezicht van zoo algeheel verdorven te zijn, niet durft gelooven, maar durft men nog te zeggen, met de sbamaritaansche vrouw : „Komt, ziet een mensch die mij gezegd heeft alles wat ik heb gedaan !", doch daaraan nog niet toevoegen: „is deze niet de Christus, ook niet mijn Christus ? ", dat men dan toch den Heere om dat onmisbare welwezen des geloofs veel moge aanroepen !
Hij, Die ons, menschen, het ééne geeft te betuigen, zal ons gewis het andere niet onthouden. De Heere Christus is gelukkig de meerdere dan Boaz, Die niet rust vooraleer al Zijne gekenden in de hemelsche voorraadschuren zijn binnengegaan.
De duurzaamheid van des Christens eenigen troost is gelukkiglijk niet gelegen in het getrouw zijn van den Chris ten zelven, maar van den eenigen Zaligmaker, Jezus Christus.
Hij toch geeft den Zijnen het eeuwige leven, en zij kunnen dies niet verloren gaan in der eeuwigheid.
Of wel, de kracht van hun troost is nu dan ook niet gelegen daarin, dat zij Jezus hebben, maar dat de Heere Jezus hen heeft. Wie de Heere Jezus gered heeft van den eeuwigen dood, toen Hij Zijn zoenbloed op Golgotha's kruis voor hen stortte, die zijn gered voor eeuwig.
Hij toch heeft de Zijnen niet gered op eenige voorwaarde, b.v. op de voorwaarde, dat zij uit eigene beweging in Zijn reddend zoenbloed zouden gaan gelooven, gelijk velen het zich voorstellen, maar geheel onvoorwaardelijk, volkomen.
Dit bewees zo Heere Jezus ook bij de vrouw van onzen tekst. Hij was niet bevredigd vooraleer zij 't uitroepen moest, vreugdevol en vervuld van de hoogste blijdschap : „Komt, ziet een mensch Die mij gezegd heeft alles wat ik heb gedaan ; is Deze niet de Christus, ook niet mijn Christus ? "
En mogen nu ook wij reeds verzekerd zijn van ons aandeel aan den Heere Jezus, dat wij dan den Heere Jezus maar veel mogen aanprijzen aan anderen, in handel en wandel!
Daarin toch wordt de hemelsche Vader verheerlijkt, dat Zijne kinderen veel vrucht dragen.
En gevoelen wij ons onbekwaam om voor den Naam des Heeren uit te komen, de Heere Jezus evenwel volbrengt Zijne kracht in der Zijnen zwakheid. Het daarom met mij alleen van den Heere Jezus verwacht, Die nooit beschaamt. En dit ondervindt ook een ieder kind des Heeren, dat de verheerlijking des Heeren de zaligheid der ziel is !
Vinde derhalve in ons aller zielen veel weerklank de bekende woorden :
„Kruisig Gij mijn ouden zin. Neem geheel mijn boezem in En vernieuw mij telken dage. Dat ik Jezus' beelt'nis drage !"
Schalkwijk
D. van Luttervelt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's