T VLIEDT...
Gods schoonste bloemen welken dikwijls, eer de teêre kelk ten volle is ontplooid. De broze blaadjes zijgen dwarr'lend neer en worden op der winden aêm verstrooid.
Wat immer u op aard bekore, — 't vliedt! Het blank der leeljen en de gloed der rozen, de teere schoonheid van 't vergeet-mij-niet, het morgenrood en 't lieflijk avondblozen, —
Schoonheid van aangezicht en fiere kracht, talent des kunstenaars, voorname gratie, genie en wijsheid, vorstelijke statie, — 't zinkt alles, alles in der graven nacht.
Hoe troosteloos, o God, waar 't menschlijk leven, zoo 't graf de eindpaal was van al ons streven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's