MEDITATIE
Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhooge te zijner tijd. Werpt al uwe bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. 1 Petrus 5 vers 6 en 7.
EEN ZORGEND GOD.
Wat hooren wij telkenmale de klacht : „Wat beleven wij toch donkere dagen". Maar wanneer wij den Zendbrief van den apostel Johannes eens opslaan en de verschillende vermaningen aan de geloovigen lezen, zou dan in die zelfde dagen die zucht niet gedurig opgestegen zijn ?
Het waren zeer ernstige, veelbewogen tijden, die de Kerk van Christus in de dagen van Johannes beleefde. Telkens komt de waarschuwing, om de wereld toch niet lief te hebben. Aan den strijd tegen den booze wordt zij herinnerd. Johannes spreekt zelfs van den antichrist. Tegen hem waarschuwt Johannes en vermaant de geloovigen op dringende wijze : „Kinderkens, het is de laatste ure, en gelijk gij gehoord hebt dat de antichrist komt, zoo zijn ook nu vele antichristen geworden, waaruit wij kennen dat het de laatste ure is".
En zou dit woord ons nu in onze donkere, veelbewogen dagen niet veel te zeggen hebben ? De antichristelijke macht, die hoe langer hoe meer doordringt en grootere afmetingen aanneemt, openbaart zich in dezen tijd.
Er is in den nood onzer dagen maar één weg ter ontkoming. De Heere zegt: „Tot de wet en tot de getuigenis". Ons volk moet weer terugkeeren tot den Heere, die verlaten is, en Die klaagt: „Mijn volk heeft twee boosheden gedaan, Mij, den springader des levenden waters hebben zij verlaten, en zy hebben zichzelf bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water bevatten. „Wat afvalt van den hoogen God, moet vallen, doch wat naar Hem vraagt en naar Zijn Woord luistert, vindt het leven".
Het is een zeer dringende vermaning, waarmee de apostel Petrus tot de gemeente komt : „Vernedert u onder de krachtige hand Gods". Wat wordt hier met die krachtige hand Gods bedoeld ? Zou dit niet de bedoeling zijn : de openbaring van 's Heeren liefde, doch ook van Zijn heiligen toorn.
In de eerste plaats van Zijn liefde, in al de gunstbewijzen, zoowel van tijdelijken als ook van geestelijken aard.
Tijdelijk zijn de gunstbewijzen zoo vele. lederen dag weer bij vernieuwing komt de Heere ons tegen met Zijn weldaden. Hij bewijst, dat in Hem ook de bron van allen natuurlijken zegen ligt. Hij brengt redding uit den stoffelijken nood. Hij laat het ondervinden :
„Waar Gij uw voetstap zet. Daar doet Gij 't al van zegen dijen. Daar druipt het al van vet".
En geestelijk ? Wel, is het niet groot, als de Heere met Zijn krachtige hand de touwen en koorden komt los te maken en de ziel uitrukt uit het modderig slijk der zonde en ongerechtigheid ? En ook na ontvangene genade nog gedurig een tafel komt toe te richten voor hongerige en dorstige zielen, teneinde zich in Hem te verkwikken en met Zijn vleesch en bloed verzadigd te worden. Dan is het gelijk Paulus zegt : „Christus is in u de hoop der heerlijkheid".
Doch met die krachtige hand wordt ook gezien op het lijden, dat de Heere over de Zijnen brengt, terwille van hunne zonden.
De mensch van nature verzet er zich tegen met alle macht.
Wij willen aan het lijden niet aan. Wat deinzen wij niet terug voor het lichamelijke lijden. Job zegt: „Heeft niet de mensch een strijd op aarde, en zijn zijne dagen niet als de dagen eens daglooners ? "
Hoevelen gaan, juist in onze dagen, gebukt onder de zorgen der wereld. Wat is de strijd om het bestaan zwaar. Wat zal de toekomst ons brengen ? Wat kan die krachtige hand Gods zwaar komen drukken.
Die krachtige hand spreekt ons niet alleen van de almacht des Heeren, die ons ontneemt wat wij niet missen willen, doch deze wijst ons ook op de almacht des Heeren, die Zijn volk voor die slaande hand doet nedervallen, zoodat zij moeten uitroepen : Hij straft ons, doch naar onze zonden niet".
En nu zegt Petrus hier : „Vernedert u onder de krachtige hand Gods". Weet ge wat hiermee bedoeld wordt ? „Gods recht in den tegenspoed erkennen". Wat wordt dit weinig gevonden. De mensch meent, als het hem niet gansch en al naar den zin gaat, dat hem het grootste onrecht wordt aangedaan. Hij meent op alles recht en aanspraak te hebben, en vandaar al die klaagtonen, die gedurig opstijgen. Doch wanneer die krachtige hand Gods de ziel komt te bewerken, dat deze zich vernederen mag onder de tuchtroede des Heeren, dan kust hij de roede, dan erkent hij Zijn lankmoedigheid nog in de toediening der straf. Dan is het loutere goedheid, die gansche weg, die met hem gehouden wordt.
Welnu, in die zelfvernedering onder de krachtige hand des Heeren zegt de geslagene ziel : „Heere, het kan niet anders, 't mag niet anders". En als gij uzelf eenigermate moogt leeren kennen bij het licht van Gods ontdekkende genade, zegt gij : Maar, Heere, daar kom ik nooit; ik val mij hoe langer hoe meer tegen. Ik ben en blijf een bedorven vat, dat tot hinken en zinken gereed is.
Neen, daar komt ge nooit uit en van u zelf. Doch als de Heere Zijn volk komt te leeren zich te vernederen, dan breekt Hij alle hoogten af en werpt ze neer, en als de Heere hen door Zijn almachtige hand daar gebracht heeft, dat zij zichzelf vernederen, zoodat zij ontbloot worden tot de fundamenten toe, leert Hij hen hooge waarde stellen in de borggerechtigheid van Christus. En is de Heere Jezus aan de ziel ontdekt, dan is er geen twijfel of de persoon van dien Borg en Middelaar zal hoe langer hoe meer noodzakelijk, ja, onmisbaar worden.
O, welk een nederbuigende liefde : „Jezus ontvangt zondaars en eet met hen".
Och, dat wij toch alles met Hem mochten opheffen, want dat is het groote ongeluk in onze dagen, en dat men zoo weinig met zielsverheffing van Jezus hoort spreken, het is omdat er geen vernedering onder de krachtige hand des Heeren gevonden wordt.
Doch warmeer die vermaning betracht wordt, dan volgt daarop een rijke belofte : „Opdat Hij u verhooge te Zijner tijd". En waarin bestaat die verhooging ? Wel, dat die vrijmachtige God, die niets of niemand van noode heeft, alsof Hem iets zou behoeven, redenen uit Zichzelf neemt en in Zijn nederbuigende goedheid zich komt te wenden tot zulk een, die zich heeft leeren kennen als den grootsten der zondaren, en die van nature een slavenkind is, komt te maken tot een Koningskind.
Is dit geen onuitsprekelijke verhooging, dat armen, naakten, ellendigen, blinden, dus dezulken, die niets bezitten dan zonde en schuld, door Hem worden opgezocht en gemaakt worden tot Zijn kinderen en erfgenamen, zoodat zij kunnen uitroepen :
Ik ben met rijkdom overladen. Wereldling, ik heb een schat; Ik mag mij in een weelde baden. Die geen wereldling bevat.
En wanneer zal die verhooging plaats hebben ? Wel immers : „Te Zijner tijd". En nu kan die tijd wel eens uitblijven. Nu toeft de Heere wel eens, doch geen nood. Want is dat ook uw zorg ? Blijf maar biddende wachten op de komst van Hem, die gezegd heeft : „Indien Hij vertoeft, verbeidt Hem, Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven". Het is te Zijner tijd, als de Heere zich bij den een in de jeugd, bij den ander in den grijzen ouderdom als de allesoverwinnende God van Israël openbaart en doet bukken onder de krachtige hand des Heeren. Het is te Zijner tijd, dat de Heere zegt: „Ik doe het niet om uwentwil, doch om mijns grooten naams wil". Dan, als de Heere de ziel komt te verhoogen, zinkt de ziel er onder weg, en één uur zich in den Heere te verlustigen, daarin ligt meer blijdschap dan in al hetgeen de wereld komt aan te bieden.
En nu zien wij het in het verdere van dit tekstwoord, met welk een zorgend God de Kerk te doen heeft. Hoor maar, hoe Petrus het uitroept: „Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u". Wat of dit beteekent, dit werpen der nooden op den Heere ? Sommigen meenen, dat het beteekent den Heere in het gebed aan te loopen en alle nooden en bekommernissen den Heere voor te dragen.
En o zeker, nu is dit ook niet buitengesloten, doch het gaat nog verder. Het wil zeggen, dat men met alle moeite en jammer zich aan den Heere overgeeft; dat men, op Hem alleen vertrouwend, nederzinkt, dat men zich sterkt in den Heere. En met welk een aandrang wordt dit gezegd : „Werpt al uw bekommernis op Hem". Alle, geen enkele buitengesloten. En ze zijn soms zooveel en zoo groot. Zorgen om door deze wereld te komen ; doch belooft Hij het niet, dat het brood zeker en het water gewis zal zijn ? Zijn het geldelijke bezwaren of een krankheid des lichaams ? Is het uwe verhouding tot uwe huisgenooten ? Is het een tweedracht, die gij zoo gaarne weggenomen zaagt ? Of is het uw zieletoestand, die u zoo benauwen kan ? Als gij daar ziet op uwe afmakingen, dan kan deze vraag wel eens het hart beangstigen : „Hoe zal ik, onwaardige, die den eeuwigen dood verdiend heb, nog eenmaal voor God kunnen bestaan ? Welnu, al die bekommernissen kunnen wij samenvatten in het woord van den dichter: „Duizend zorgen, duizend dooden, kwellen mijn angstvallig hart".
En nu kan het wel eens schijnen, alsof alle dingen tegen zijn en de weg hoe langer hoe moeilijker wordt. Doch vergeet het niet, de Heere weet waarom Hij het doet. Het mes moet bij den een wel eens dieper in de wonde gezet worden als bij den ander. Toch zal het einde wezen, dat uitgeroepen mag worden : „Gij hebt mijn bang geschrei, verandert in een blijde rei".
Want, zegt Petrus : „Hij zorgt voor u". In het tijdelijke maakt Hij het wel, zoodat de ziel zich moet wegschamen dat zij zulke ongoedertierene gedachten van den Heere gekoesterd heeft. Maar ook in den weg des geestelijken levens zorgt Hij voor al Zijn volk. Als de weg gaat door de woestijn des levens, door de barre zandwoestijn, dan komt Hij als een zorgend God nog Elims en Palmboomen te beschikken, waar zij verkwikt worden.
Het manna des hemels laat Hij nederdalen, het water doet Hij uit den rotssteen des heils te voorschijn treden.
Hij zorgt voor hen, als die God, die niet moede en mat wordt om de Zijnen met al wat hen deert te schragen en te dragen. Hij zorgt voor hen ; als straks de ure des doods daar is, dan zal het wezen, dat Hij de Zijnen door den doodsjordaan zal doorleiden, opdat ze altijd met den Heere zullen wezen.
Hebt gij reeds eenige kennis aan dit volkomen vertrouwend overgeven aan den Heere ? Maar dan zal er toch wel iets aan zijn voorafgegaan. Want zóó komt men niet daartoe.
Doch is het, dat uw vertrouwen nog altijd op de dingen der wereld gesteld is, och wat zult gij dan met de wereld bedrogen uitkomen. Gij zijt niet onbekommerd geweest wat uw aardsche belangen betreft. Die vraag : „Wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, waarmede zullen wij ons kleeden ? " heeft uw hart zoovele malen in beslag genomen.
Maar zijt gij wel eens bekommerd geweest over deze zaak : „Hoe zal ik eenmaal rechtvaardig voor God kunnen bestaan ? " Mocht deze vraag u eens uitdrijven tot den Heere, opdat gij het ervaren moogt : „Om uw noodgeschrei, deed Ik groote wonderen".
En kunt gij door Gods genade spreken van die zorg des Heeren, hoe de Heere, uit loutere genade, redenen uit Zichzelf genomen heeft en naar u heeft willen omzien. Veel, o zooveel kan u drukken ; de zorgen nemen toe. Toch, geen nood. Als gij al uw bekommernissen op Hem moogt werpen, dan zult gij 't ervaren : Hij zal het maken.
Zoo verkeerende voor het aangezicht des Heeren, moogt gij gemoedigd de reis voortzetten.
Laat de nacht van bekommernissen wel eens lang duren, Gods volk gaat den morgen der verlossing tegen.
Want : „aldaar zal geen nacht zijn".
Amen.
V.
W. L. M.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's