KERKELIJKE RONDSCHOUW
OVER DE KERK (14).
Het derde ambt was dat van den diaken. Ook die instelling werd in de oude Kerk zuiver gehouden. De diakenen ontvingen de dagelijksche giften der geloovigen en de jaarlijksche inkomsten der Kerk, om die aan te wenden tot het juiste gebruik, dat is : om ze deels aan de dienaren, en deels aan de armen tot hun onderhoud uit te deelen, maar dan naar het goedvinden van den bisschop, aan wien ze jaarlijks van hun beheer rekenschap moesten afleggen. „Want dat de voorschriften overal den bisschop maakten tot uitdeeler van alle goederen", zegt Calvijn IV, IV, 5 „moet niet zóó verstaan worden, alsof hij zelf de zorg daarvoor gedragen heeft; maar dat geschiedde, omdat het aan hem stond den diaken voor te schrijven, wie tot de gewone onderhouding der Kerk moesten worden aangenomen en aan wie en hoeveel aan een ieder gegeven moest worden van datgene, wat over was. Ook omdat de bisschop het toezicht had, of de diaken getrouwelijk uitvoerde wat tot zijn ambt behoorde."
Een eigenaardige kijk op de dingen krijgen we als Calvijn verder zegt : Want in de Canones of kerkelijke voorschriften, die men aan de Apostelen toeschrijft, leest men aldus : „wij gebieden, dat de bisschop de goederen der Kerk in zijn macht zal hebben. Want indien de zielen der menschen, die kostbaarder zijn, hem zijn toevertrouwd, dan past het veelmeer, dat hij de zorg over het geld heeft, zoodat onder zijn gezag alles door de presbyters en de diakenen aan de armen uitgedeeld wordt; opdat alles met vrees en zorgvuldigheid bediend worde."
Op het Concilie van Antiochië werd besloten, dat de bisschoppen, die zonder medeweten van de presbyters en diakenen de bezittingen der Kerk behandelden, „in toom gehouden moesten worden". Regel was dan ook, dat de diakenen onder toezicht van den bisschop de verzorgers der armen waren.
Men had ook sub diakenen, die echter spoedig den diakenen gelijk werden. Voorts opper diakenen : deze kwamen er, toen de uitbreiding der middelen eene meer bijzondere administratie vereischte. Zij hadden het opperbestuur over de middelen. Ze waren er reeds ten tijde van Hieronymus (Ep. ad Nepotianum). Ook moesten zij het Evangelie voor het volk lezen en hen tot gebed vermanen, alsmede den drinkbeker bij het Avondmaal aanreiken. Dit diende om hun ambt luister bij te zetten en als eene geestelijke betrekking aan te duiden. Ze moesten er op deze wijze aan herinnerd worden „dat het niet een of ander ongewijd rentmeesterschap was, dat ze bedienden, maar een geestelijke en Gode gewijde dienst."
Hier kan men ook een kijk krijgen op 't geen eertijds de kerkelijke goederen geweest zijn. Al wat kerkelijk eigendom was, werd beschouwd als het bijzonder goed der armen. Dit wordt door Synoden en Kerkvaders meermalen den bisschoppen, die het oppertoezicht hadden, en den diakenen, die de uitdeelers waren, op het hart gebonden. Uit die kerkelijke goederen, die gegeven werden door de leden der Gemeente, werden ook de Dienaren des Woords behoorlijk onderhouden en het andere werd besteed aan de armen. Doch Hieronymus achtte, dat zij, die zelf geld hebben, niet ontvangen mogen van hetgeen den armen toekomt; dit is kerkroof en heiligschennis.
In 't eerst had men geen bepaalde regelen en voorschriften in dezen. Later werden zekere „regels" ingevoerd, omdat er bij de bisschoppen en bij de diakenen allerlei misbruiken kwamen. Naar deze regels werden de inkomsten der Kerk in vier deelen gesplitst:1. voor de Kerkedienaars; 2. voor de armen ; 3. voor het onderhoud van eeredienst en gebouwen ; 4. voor behoeftige vreemdelingen. Deze laatste gelden kregen de bisschoppen ter vergoeding voor het herbergen van vreemdelingen. Nadrukkelijk werd telkens verklaard, dat zij zelf maar een zeer matig gebruik van deze gelden mochten maken. Bij uitspatting werden zij ernstig berispt door hun ambtgenooten ; ja, ontzet uit hun ambt.
Eerst had men zeer weinig versiering bij den eeredienst; later meer, doch matig ; in elk geval bleef alles het eigendom der aimen en in tijden van nood werd het soms voor de armen gebruikt. Ook diende het soms tot loskooping van gevangenen.
Van Exuperius, bisschop van Toulouse, verhaalt Hieronymus (Ep. ad Nepotianum), v/anneer hij de al te groote schittering der tempels laakt, dat deze kerkedienaar „het lichaam des Heeren" (bij het Avondmaal wordt hier bedoeld) „in een teenen mand droeg en het bloed in een glas", „maar geen enkelen arme liet hij honger lijden". En toen de Arianen aan Ambrosius het verwijt deden, dat hij ter wille van het loskoopen van gevangenen de heilige vaten gebroken had, gebruikte hij deze zeer schoone verontschuldiging: „Hij, die de Apostelen zonder goud heeft uitgezonden, heeft ook de Kerken zonder goud bijeengebracht ; de Kerk heeft goud, niet om te bewaren, maar om uit te geven, en hulp te bieden in tijden van nooddruft: waartoe is het noodig te bewaren datgene, wat niets helpt ? Of weten we niet, hoeveel goud en zilver de Assyriërs uit den tempel des Heeren hebben gestolen ? Is het niet beter, dat de priester de vaten tot geld laat munten tot voeding der armen, wanneer andere hulpmiddelen ontbreken, dan dat een heiligschennende vijand ze wegrooft ? Zal de Heere niet zeggen : waarom hebt gij zooveel armen van honger laten sterven, en gij hadt toch goud, waarvan gij voedsel hadt kunnen schaffen ? Waarom zijn zooveel gevangenen weggevoerd en niet losgekocht ? "
Ambrosius zegt aldus, dat alwat de Kerk toen bezat, diende tot onderhoud der armen. Evenzoo, dat een bisschop niets had, wat niet van de armen was. (IV, IV, 8).
Meer ambten, dan bovengenoemd, bestonden er eigenlijk in de oude Kerk niet. Wel worden er door kerkelijke schrijvers nog genoemd, maar dat waren meer „voorbereidingen" dan bepaalde ambten. Men had op vele plaatsen kweekscholen voor jongelieden, die met toestemming hunner ouders zich aan den „geestelijken krijgsdienst" toewijdden, onder leiding van de bisschoppen. Zulke jongelingen heetten clerici. Maar die naam is verkeerd. „Ik zou wel willen" — zegt Calvijn, (IV, IV, 9) — „dat hun een andere, meer juiste naam gegeven was. Want deze benaming is uit een verkeerde gezindheid ontstaan : daar de gansche Kerk door Petrus „erfdeel des Heeren" genaamd wordt en dus clerici zijn (1 Petrus 5 vers 3). Maar toch was de instelling zelf heilig en vooral heilzaam, dat zij, die zichzelf en hun arbeid aan de Kerk wilden wijden, zoo onder toezicht van den bisschop werden opgevoed, dat geen ander de Kerk diende, dan die van te voren goed gevormd was en die van het begin zijner jongelingsjaren af de heilige leer had ingedronken en door de strenge tucht een zekere ernstige en heilige levenshouding had aangenomen, en ook geen wereldsche zorgen kende en gewend was aan geestelijke zorgen en bezigheden".
Tijdens hun clericaat droeg men hun op om den tempel te openen en te sluiten, en men noemde hen dan deurwachters. Later noemde men hen acoluthen (die den bisschop hielpen in zijne huisdiensten en hem altijd volgden). Ook moesten ze wel voorlezen op den predikstoel, om vrijmoedig te worden ; en heetten dan lectoren. Op deze wijze werden ze trapsgewijze bevorderd, tot dat ze subdiaken werden.
„Ik wil dit alleen zeggen" — zoo lezen we bij Calvijn — „dat dit meer oefeningen van beginnelingen geweest zijn dan ambten, die tot de ware bedieningen der Kerk moesten gerekend worden".
(Wordt voortgezet).
EEN WELGESLAAGDE LANDDAG (2).
Op den Landdag te Schiedam sprak in de derde plaats ds. W. J. v. Lokhorst van Hilversum. Hij handelde over :
„Die meester droomer".
Spreker zei; God heeft Jozef door den droom een gezicht gegeven in de toekomst.
Het ging daarbij niet om Jozef, maar om de heerlijkheid Gods in Zijn eigen werk.
Langs den weg van lijden is Jozef gekomen tot de verwerkelijking van zijn droomen. Door deze verwerkelijking van zijn droomen werd straks het volk van Israël in dagen van hongersnood behouden. De Christus is ook uitgegaan om Zijn broederen bij het leven te behouden. Daar worden heel wat droomen gedroomd in deze wereld, die nooit verwezenlijkt worden. Als we jong zijn droomen we van een schoone toekomst. Ook oudere menschen droomen hun droom en niet weinigen komen straks te staan voor de schrikkelijke werkelijkheid. Zonder God is elke levensdroom een bittere teleurstelling. Christus leert droomen droomen, die droomen Gods zijn. Uwe jongelingen zullen droomen droomen en uwe ouderen zullen gezichten zien. Dat is de droom Gods, die de Kerk des Heeren droomen mag. Hij heeft ingebracht in deze wereld de liefde Gods. Hij is Zelve geweest in de dingen Gods. Dat zijn de dingen waarin de ziel weerkeert tot haar ruste.
De natuurlijke mensch verstaat deze dingen niet. Meester droomer, dat is ook de naam voor het kind Gods. Wie dezen droom kent, leert ook den strijd kennen.
De diepste grond waarom de broeders Jozef hebben gehaat was, omdat hij de droomen Gods droomde.
Dat is nog zoo in de wereld.
Het is het welbehagen Gods, als een mensch deze dingen komt te beleven.
Aan de jonge menschen wil spreker zeggen, dat het noodig, is, om de droomen Gods te droomen. Dat brengt met zich mede den haat der wereld, dat is nu niet anders als het steeds is geweest.
God zegt tot dezulken, vreest niet want ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Als we de eere Gods bedoelen, dan gaan we droomen Gods droomen. Dan worden we ingeleid in de heilgeheimen Gods.
Er zijn twee soorten van droomers.
De slavendroomers, dat zijn degenen, die alleen maar droomen over de dingen van deze wereld. Zij die Gods droomen kennen, die zullen de werkelijkheid zien.
Van tweeën één : wij droomen den droom van de wereld of wij droomen den droom Gods. Het eerste loopt uit op een eeuwige teleurstelling, het laatste wordt eeuwig licht en vrede.
Ds. G. J. Koolhaas, van Charlois, sprak over het onderwerp :
Van strijd en overwinning.
In onzen tijd wordt steeds de leuze van de ontwapening aangeheven.
Men verwacht dat de algemeene ontwapening de rust zal brengen. Stel eens dat het eens werkelijkheid werd, dan zou er toch altijd nog een strijd te strijden zijn.
Dat is de strijd Gods die steeds door de wereld gaat. In dezen strijd kunnen we ook spreken van overwinning.
De strijd tusschen Amalek en Israël gaat ook nu nog door. Het isde strijd tusschen God en den Satan. Wij zullen allen in dezen strijd partij moeten kiezen. Het is noodig dat we den vijand zien. Wij zien dikwijls den geestelijken vijand niet.
Toen het volk van Israël het oog richtte naar Kanaan, toen kwam de strijd.
Als God met Zijn genade ons doopt, dan zullen we de zonde den rug toekeeren.
Als we het oog richten naar het hemelsch Kanaan, dan zal de strijd ook komen, maar dan zal God ook kracht geven in dezen strijd.
Het is daarom de vraag of wij den strijd reeds hebben aangevangen tegen de zonde en de wereld.
Het is dan de vraag hoe wij dezen strijd gaan strijden.
Mozes was op de hoogte en hij had den staf in zijne hand en hij hield de armen des gebeds omhoog. Christus heeft ook den goeden strijd gestreden en Hij heeft dat gedaan met het zwaard des Woords.
Wij hebben noodig mannen en vrouwen die met het Woord bekend zijn. In dit Woord moeten wij geoefend worden. Wij moeten ook als Jeugdorganisatie dat Woord onderzoeken.
Mozes had den staf Gods in de hand, dat was zijn kracht. Maar Mozes was een mensch, straks werden zijne handen slap.
Alleen als deze slappe handen weer worden ondersteund, dan komt weer de overwinning.
Het is noodig dat de jonge menschen zich aaneensluiten om samen te strijden. Ook als onze handen slap worden, dan is het een troost te weten, dat daar die betere Middelaar is, die sterkte geeft in den strijd.
Wij moeten hebben een biddend volk, dan is er hoop ook voor de toekomst.
Laat er toch ook gebed zijn voor onze jonge menschen.
Dan zullen we het ondervinden, dat in den Christus de overwinning is.
Het is een welgeslaagde Landdag geweest. Het gesprokene werd bovendien nog versterkt door een versterkingsinstallatie met luidspreker van den heer H. Plomp te Streefkerk. Door dit apparaat was het mogelijk tot op verren afstand alle sprekers duidelijk te verstaan.
Medewerking is verleend door de Chr. Muziekvereeniging „Harpe Davids", directeur J.K.C. Karsseboom, en de Zangvereeniging der Hervormd Gereformeerde Jeugdcentrale, onder leiding van den heer J. M. Steketee.
DE TYPISCHE SAMENSTELLING DER SYNODE.
De Synode, die den 3den Woensdag van Juli in vergadering samenkomt, bestaat ook dit jaar weer uit 11 orthodoxen en 8 vrijzinnigen. Ging het naar getalsterkte, dan zouden de Modernen aanmerkelijk minder invloed moeten hebben, in vergelijk met de rechtzinnigen ; en ging het naar het aantal kerkbezoekers, dan konden de Vrijzinnigen zoo ongeveer hun matje wel oprollen. Maar omdat het naar de meest ongelukkige methode gaat, dat de leden der Synode worden gekozen, is het merkwaardige feit werkelijkheid, dat b.v. Friesland twee vrijzinnigen afvaardigt, Groningen twee vrijzinnigen, Drenthe niets dan één of twee vrijzinnigen en ook Noord-Holland (met Amsterdam, Hilversum, Huizen, Bussum, de Haarlemmermeer, Broek op Langendijk enz.) niets dan twee vrijzinnigen ! Waarbij dan de Waalsche Kerken, die weinig of niets beteekenen en bovendien practisch niets met 't leven van de Nederlandsche Hervormde Kerk hebben uit te staan, ook trouw zorgen voor één of twee moderne Synodeleden, die althans altijd met de vrijzinnigen meestemt (stemmen).
Wij begrijpen, eerlijk gezegd, niet, dat men al niet lang de handen in elkaar geslagen heeft, zeggende : zóó is het toch wel de allerongelukkigste manier om de Synode samen te stellen, zóó mag het niet blijven — geen dag en geen nacht meer !
Want — wij zijn in 1932 toch zelf de oorzaak, dat het nog is, zooals het nu is. Niemand anders draagt daarvan de schuld, dan wij zelf. En als men even nuchter nadacht en men even moed greep, was het uit met dit miserabele gevalletje
Negentien leden zitten in de Synode Voor onze zoo groote Hervormde Kerk, die juist nu een zoo belangrijke taak en een zoo gewichtige roeping heeft te vervullen — toch wel een buitengewoon, een angstig klein getal.
Waarom pakt men niet eens flink aan ? Waarom gooit men allerlei wijze en onwijze redeneeringen niet over boord, om eens te komen tot een daad, waarop duizenden en tienduizenden wachten ?
Negentien leden in de Synode. En dan 13 predikanten en 6 ouderlingen ! Ook al zoo'n ideale verhouding !
De N. Rott. Crt. heeft een inval gekregen, om den leeftijd van de heeren predikanten, die leden van de Synode zijn dit jaar, eens na te gaan. Voor de eerste jeugd behoeven we ons niet bezorgd te maken. De tweede jeugd is ook reeds voor een groot gedeelte gepasseerd. De derde jeugd heeft de meerderheid. De President, dr. Weyland, heeft den leeftijd van 72 jaar bereikt. Onder zoo'n leiding zal de kerkelijke wagen geen slippertje maken ; de paarden zijn bovendien met den weg vertrouwd ; 't is nu al jaren den eenen keer 10 vóór en 9 tegen, dan weer 9 voor en 10 tegen ; zoo blijft het karretje in 't spoor. En hoe gezellig het tikken van de klok ook is, men kan de Synodale klok evengoed stil zetten.
De oude koetsier behoeft niet met jonge paarden te rijden. Want de dominees, die naast en tegenover en rondom den President zitten, zijn respectievelijk 69, 68, 65, 60, 60, 59, 56, 54, 53, 52, 49 en 47 jaar oud, dertien stuks in totaal.
Jammer, dat we het van de ouderlingen niet kunnen naslaan hoe oud ze zijn. Dat kan nog meevallen. Maar in elk geval is onze Synode nu niet bepaald een „Raad der jongeren". Dat geeft zoo'n rustig gevoel
Toch zouden we wel willen, dat er eindelijk eens verandering ten goede kwam en de Nederlandsche Hervormde Kerk eens een andere en betere vertegenwoordiging kreeg.
Natuurlijk hebben we het niet over de personen die in de Synode zitting hebben, 't Is ons absoluut er niet om te doen om over de personen als zoodanig iets onaangenaams te zeggen. Maar om de wille van de zaak, welke ons toch allen na aan het hart moet gaan, zouden we wel willen dat velen met ons voelden, dat er moeilijk een slechtere vertegenwoordiging van de Kerk te denken is als we nu hebben.
De orthodoxe afgevaardigden zijn : ds. J. Barbas, dr. P. Smit, ds. A. B. te Winkel, dr. J. Weylandt, dr. H. E. G. van de Meene, ds. L. S. van Zwet, ds. J. W. Addink en de ouderlingen M. E. van der Veen van Utrecht, P. Wolffensperger van Zwolle en Baron Prisse (oud-ouderling).
De vrijzinnige afgevaardigden zijn : ds. D. Mulder van Westwoud (N.-H.), de heer A. Ohlen, ouderling te Alkmaar ; dr. C.J. Niemeijer van Bolsward en ouderling H. Elsma, ds. P. Tammens van Zuidbroek (Gr.) en oud-ouderling J. W. Bolt; ds. J. Boonstra van Gieten (Dr.) en ds. E. J. H. Brandligt, Waalsch pred. te Groningen.
TOENADERING.
Wij weten heel goed, dat men er met een briefje-schrijven niet komt. Er zit méér aan vast. Zooveel, dat er waarschijnlijk wel zijn, die zeggen: laat dat briefje ook maar weg
Toch willen we het bericht, dat doelt op „een betuiging van leedwezen" zenden, hier overnemen. Men leze — en ieder begrijpt het dan wel. Ja — toenadering hebben we noodig. Al was 't maar van een bescheiden afmeting van een speldenknop. Wat zou het al heerlijk zijn !
Het bericht, waarop we het oog hebben, luidt als volgt:
Op de onlangs gehouden Ned. Herv. Classicale Vergadering van 's-Gravenhage heeft de heer Vrolijk, ouderling der Ned. Hervormde Gemeente te Scheveningen, een voorstel gedaan, om ter gelegenheid van het eeuwfeest der Afscheiding (1834) aan de Gereformeerde Kerken een betuiging van leedwezen over de harde bejegening der gescheidenen van 1834 en 1886 te zenden. Naar aanleiding van dit voorstel schrijft dr. A. Hoekert (Confess. Hervormd) te Voorburg in de Voorburgsche Kerkbode: „M.i. is er veel vóór te zeggen, dat aan het verzoek van den ouderling uit Scheveningen gevolg wordt gegeven. Principieel staan wij vierkant tegenover Afscheiding en Doleantie — maar de praktijken der besturen van die dagen nemen wij niet gaarne in bescherming. Laat de betuiging van leedwezen gezonden worden. Met bericht er bij, dat wij niet mee jubileeren kunnen, zelfs niet feliciteer en kunnen, maar dat wij onszelf condoleeren, dat deze breuke, geslagen in het lichaam van Christus, nog steeds niet genezen is. En laat er voorts broederlijk gevraagd worden, of de noodzakelijke eenheid in Christus, die ook het instituut der Kerk sieren moet, ja, haar fundament moet zijn, ons niet dwingen moet te vergeten hetgeen dat achter is, en de handen ineen te slaan".
GROOTE TELEURSTELLING BIJ DE VRIJZINNIGEN.
Bij de Vrijzinnige Hervormden is er groote teleurstelling over de behandeling ter Classicale Vergadering van de twee Synodale Voorstellen, no. Ill en IV, die bedoelen het bevorderen van het meer vreedzaam samenwonen der verschillende richtingen in de Hervormde Kerk. Letterlijk niemand buiten den kring van de Modernen heeft er ook maar één woord aan willen geven, om de Voorstellen te verdedigen. Gereformeerde Bonders, Confessioneelen, Kohlbruggianen, Ethischen (links en rechts Ethischen) en Evangelischen of Groninger richting, allen zonder onderscheid hebben tegen gestemd. Men heeft het onomwonden uitgesproken, dat deze Voorstellen onbruikbaar zijn en dat — wanneer ze aangenomen zouden worden — de toestand in de Hervormde Kerk veel erger, veel slechter zou worden!
In het Evangelisch Zondagsblad heeft prof. dr. Wagenaar, van Leeuwarden, een scherpe critiek geoefend. Mannen als ds. Noordmans, Barger, enz. verklaarden er niets van te willen weten ; evenmin als ds. Molenaar, ds. Straatsma enz. enz. Uit de kringen van de orthodoxe Evangelisaties in moderne gemeenten is er niet één stem opgegaan om ze aan te nemen. Iemand als Hilbrand Boschma zelfs heeft zich vierkant tegen verklaard, met sterk advies aan de rechtzinnigen, om er niet op in te gaan.
Heel opgewekt is dan ook niet de toon in het lijfblad van de Vrijzinnige Hervormden. Natuurlijk is er wel een „doekje voor 't bloeden" gevonden, maar in den grond der zaak ziet men den toestand eigenlijk hopeloos nu. We willen uit een artikel door ds. D. Bakker, van Drachten (vroeger te Amsterdam werkzaam), een paar gedeelten overnemen. (Kerk en Wereld, 15 Juli j.l.)
Zelf had ds. Bakker geen hooge verwachtingen gekoesterd, schrijft hij nu na den strijd :
„Voor sommigen is het een teleurstelling geweest, voor mij persoonlijk niet. De ondervinding van den kerkeljken strijd heeft mij geleerd in dit opzicht geen illusies meer te maken. Reeds verleden jaar heb ik in een lezing over den toestand en de toekomst van onze beweging gezegd op de vergadering van de Prov. Ver. van Gelderland : „Laat ik eerlijk bekennen, dat ik geen oogenblik verwacht, dat deze voorstellen definitief worden aangenomen door de Kerk en wet worden. Met prof. Van Rhijn ben ik overtuigd, dat onze Kerk dit voorstel met groote meerderheid zal verwerpen". Al liet ik er op volgen : „wat niet wegneemt, dat wij alles moeten doen om de aanneming van deze voorstellen te bevorderen. Ook al zijn de kansen dan heel gering, het moet ons reeds tot een aansporing zijn, dat — en wij verheugen ons daarover — een gedeelte er van althans de vrucht is van de samenwerking van menschen van verschillende richting. De moreele waarde daarvan mogen wij niet onderschatten".
Welnu, er is van onze zijde gedaan wat wij konden : er is over gesproken,
er is over geschreven, de brochure van ds. Boonstra is in wel 3000 exemplaren naar allen verzonden, die naar de Classicale Vergaderingen gingen. En het resultaat ?
Van de 45 Classicale Vergaderingen verklaarden zich er slechts in 5 de meerderheid voor !
Wie de verslagen doorleest, zal bemerken dat er in de bestrijding geen nieuwe argumenten zijn gebruikt : we gaan er niet meer op in. Alleen wil ik twee dingen constateeren".
En dan komt allereerst een heerlijke opmerking van ds. Bakker ! Let maar eens op. Want hij schrijft :
„In de eerste plaats hoe revolutionair de orthodoxie toch eigenlijk is, als het in haar kraam te pas komt. Dan stoort ze zich niet aan de geldende kerkelijke wet. Werd er niet openlijk gezegd, dat door aanneming dezer voorstellen er juist groote onrust zou komen, omdat orthodoxe kerkeraden zouden weigeren aan deze bepalingen te voldoen ? Wèl hebben ze beloofd, dat ze de verordeningen der Kerk zullen naleven, maar daar trekken ze zich niets van aan, als het niet naar hun zin is. Dan waren de Gereformeerden toch heel wat eerlijker, toen ze er uitliepen, omdat ze zich met den gang van zaken in onze Kerk niet meer vereenigen konden. In elk geval is er met deze menschen toch eigenlijk niet meer te praten".
Na deze „fijne" opmerking, in betrekking lot de orthodoxen (waarbij de Gereformeerde Kerken een pluim op den hoed krijgen) komt dan een tweede aan 't adres van de Evangelischen en van de Vereeniging tot Kerkherstel. Hoort maar :
„M'n tweede opmerking staat hiermee in verband. Want was het niet merkwaardig, dat zelfs Evangelischen voor dit dreigement op zij gingen ? Dat is toch al te mal. Zij zeiden : „zoo min als wij zouden meewerken aan maatregelen, waardoor de vrijzinnigen werden uitgedreven, zoo min willen wij orthodoxen bij meerderheid van stemmen tot iets dwingen, dat in strijd met hun geweten is". Men schijnt niet te willen inzien, dat dit gewetensconflict door die orthodoxen zelf werd opgeroepen, toen zij toetraden tot een Kerk, die tegen hun Kerkprincipe ingaat. Toen zij dat deden, sloten zij een compromis en nu hebben zij ook de consequenties van dat compromis eerlijk te aanvaarden. Dat doen zij niet; maar nu is het toch al te gek, dat niet zij zelf, maar vrijzinnige minderheden, die volkomen in hun recht zijn, daaronder te lijden krijgen. Dat is de zaak toch wel heelemaal op haar kop zetten !
Intusschen is deze z.g. irenische houding van deze menschen oorzaak, dat we, ondanks allerlei fraai en gewichtig getheoretiseer over kerkopbouw en kerkherstel, in de practijk hopeeloos vast zitten. Want deze houding beteekent een status quo, het behoud van een toestand, dien wij allen verfoeien. En het is voor mij een bevestiging van wat ik in het nummer van 25 Maart schreef in 't eerste artikel over den strijd voor ons Kerkideaal: „Er is onder degenen, die op dit oogenblik nog belangstellen in het kerkelijke leven, een soort evenwichtstoestand ingetreden, waarin binnen afzienbaren tijd m.i. geen groote verschuivingen te verwachten zijn. En of wij in onzen strijd iets bereiken, zal niet alleen afhangen van hen, die reeds tot ons behooren, maar ook en niet minder van hen, die nu nog buitenstaanders zijn, maar die wij voor onze beweging moeten trachten te winnen".
Daarin ligt ons geheele program ! Wij moeten in de eerste plaats bouwen aan onze eigen organisatie, omdat het daarvan zal moeten komen. Bouwen, — d.i. naar binnen toe versterken.
Dat is ook ; naar buiten uitbreiden. En voor beiden wordt gevraagd : geloof en enthousiasme, eendracht en trouw.
Moge dat de winst zijn, die de uitslag der Class. Vergaderingen ons brengt : dat wij met vernieuwde krachten gezamenlijk aan den slag gaan. Komt, vrienden, alle hens aan dek !" Het is duidelijk, hoe groot de teleurstelling is. En met bitterheid worden aan de orthodoxen, de Evangelischen en de Ver. voor Kerkherstel verwijten uitgedeeld. Hoe naïef is intusschen de beschouwing inzake de orthodoxen, die „zich bij de Hervormde Kerk gevoegd hebben, tegen hun eigen Kerkprincipe ingaande"(!!) en die nu maar stil zouden moeten aanzien, dat de Vrijzinnigen met hun „dogmatisch geweten"(!!) alles in de war komen sturen. We zullen nu maar hopen, dat de Synode straks, wanneer deze Voorstellen ter behandeling zullen worden voorgelegd, geen gekke dingen doen zal. Dan is ook dit' weer van de baan'!'
WANKELE CLASSES.
De Classis Edam en de Classis Emmen Worden gevaarlijk voor de Vrijzinnigen. En ze zijn er niets over te spreken over de wijze waarop de bestuursverkiezing ditmaal heeft plaats gehad. We nemen over wat "Kerk en Wereld" (15 Juli) er van zegt. daar lezen we :
"De Classis Edam heeft een orthodoxen predikant als primus-lid gekozen in het Provinciaal Kerk bestuur van Noord-Holland. Dat was niet noodig geweest, want al is en blijft deze classis wankel, „om" is ze niet, en wie een klein beetje in die streek bekend is. Weet ook wel, dat ze niet verloren behoeft te gaan. Wat niet wegneemt, dat er toch een onberekenbaar element in dezen hoek schuilt. Wat ook bij deze verkiezing weer uitkwam. Er worden daar n.l. blanco stemmen uitgebracht. Staan degenen, die dit doen, boven de partijen ? Dat zou men denken, maar dat is toch blijkbaar niet zoo. In de eerste plaats kunnen ze den doorslag geven ; wat ook het geval was toen de vrijzinnige ds. Leendertz met 21 van de 43 stemmen tot secundus werd gekozen, en door de 2 blanco stemmen, die niet meetellen, juist de volstrekte meerderheid behaalde.
Maar er zijn ook oogenblikken, waarin ze den doorslag geven door niet langer blanco te stemmen, maar heel bewust hun keus te doen. Dat bleek wel duidelijk bij de verkiezing van den primus. Bij de tweede stemming hadden de vrijzinnige ds. Theesing en de orthodoxe ds. Bremer ieder 21 stemmen, terwijl 1 in blanco was uitgebracht. En zie, bij de derde stemming was de blanco stem op den orthodoxen candidaat overgegaan en gaf naar dien kant den doorslag. Machtige menschen, dezulken, die zoo op de wip zitten.
Te machtig ! Maar je weet nooit wat je aan ze hebt en ik denk aan dat liedje van Speenhof, waarin hij het heeft over menschen : 't is geen vleesch en 't is geen visch, en waar dan iets op volgt van een begrafenis.
Wel jammer, dat een tweetal vrijzinnige predikanten blijkbaar niet aanwezig kon zijn en dat Watergang nog vacant was ; ware dit anders geweest, dan was de macht van den blanco-stemmer terecht tot O gereduceerd geweest".
„De Classis Emmen. Ook in Emmen is iets gebeurd, dat niet in het belang van onze beweging is. Daar moet bij een stemming een vrijzinnige de orthodoxie geholpen hebben, zonder eenig overleg. En met het gevolg, dat als tertius voor het Provinciaal Kerkbestuur een orthodoxe is aangewezen en dat Bestuur „om" zou gaan, als primus en secundus eens wegvielen. Wel een verantwoordelijke daad !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's