De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

10 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden).
XV.

De moderne menschheid beroemt zich op hare verlichting, op hare heerschappij over de machten der natuur, op haar geweldig vermogen om haar dienstbaar te maken aan 's menschen wil. Veel wat voorheen als een onoplosbaar raadsel scheen, klaarde zij op. Met hunne kijkers drongen de sterrekundigen door in voorheen ongekende, nauwlijks vermoede gebieden des hemels, en ontsloten alzoo een wereldbeeld, geheel anders dan de Ouden zich hebben kunnen droomen. En toch, bij alle opklaring, die zij deed opgaan, blijft deze schepping een mysterie, over welks grond en doeleinde zij in het duister verkeeren moet, omdat de sleutel, die tot de verborgenheden toegang zou kunnen geven, der menschheid ontbreekt. Zij kan niet zien achter de verborgenheid van haar eigen wezen. „Niemand", zoo zegt een beroemd psycholoog, „kan uit den wagen springen en zichzelven zien voorbijvaren". Het grootste mysterie voor den man der wetenschap is de mensch zelve. Met zichzelven alleen blijft hij, ondanks al het licht, dat hij ontstak, in een nacht van donkerheid rondwaren. Het licht, dat hij in zich draagt, is omgord door den nacht en blijft daarin besloten, tenzij de Heere zelve een licht over hem doet opgaan, waarin de mensch ook zichzelven kan zien voorbijgaan, zooals hij er de gansche wereld en met die wereld zichzelven er ook in ontdekken kan. Dat licht heeft de Heere ontstoken in het Woord, door Hem gesproken in alle creatuur, ook in de menschenziel zelve, zoowel als in de hemelen, waaronder hij leeft. In dat licht wordt hem de wereld in haren voorbijgang dag bij dag als eene oneindige reeks, die steeds schakel na schakel opkomt uit den nacht van het verleden, blinkt voor een oogwenk in het licht van den dag van heden, om te verdwijnen in den nacht, die den komenden morgen zal baren. Een oude wijsgeer zeide: „geef mij een plaats, waar ik staan kan en ik zal de wereld bewegen." En die plaats is alleen bereid in het licht, dat Hij doet opgaan, die Zelve de wereld alleen beweegt en alleen bewegen kan. Hij laat ons haar zien in Zijn eeuwig licht, zoodat de wereld door den mensch wordt aanschouwd als van oogenblik tot oogenblik zich ontvouwend en zich weder opvouwend, als het oude boek, dat werd afgerold en opgerold, als de rol van het boek der besluiten Gods. Zoo loopt immers ons leven van dag tot dag en van nacht tot nacht. Van oogenblik tot oogenblik gaat het aan ons voorbij. Wij staan er niet steeds bij stil, wij denken er niet altijd bij, wij leven dikwijls zóó onbewust, dat wij vaak meer geleefd worden dan dat wij leven. Maar wanneer wij even tot onszelven komen, dan wordt het ons duidelijk, hoe heel die wereld, te midden Waarvan ons leven zich afspeelt, aan ons voorbijgaat, van oogenblik tot oogenblik zich veranderend voor ons oog, en als wij nog dieper nadenken, wordt het verstaan, dat ook wij zelven in dien alomvattenden opgang en voortgang zijn begrepen.
Het boek der besluiten Gods wordt voor ons oog afgewikkeld. Wij zien alles wat wij rondom ons waarnemen, voor ons opkomen. Voortschrijden en opgenomen worden in hetzelfde mysterieuse, wondere, voor ons onkenbare, waaruit het ook eenmaal op­ kwam. En zoo worden wij allen gesteld voor de geweldige verborgenheid, die de eeuwen door der menschheid de vraag heeft voorgelegd : vanwaar zijn wij en waarheen gaan wij ? Bilderdijk zong het ons op zijne wijze voor : „Opgaan, blinken en verzinken, is het lot van lederen dag". Van lederen dag ja, maar van elk jaar, maar van elke eeuw, en bijzonderlijk ook van ieder menschenleven. En nu leert ons deze natuur, zooals zij door den psalmist werd gelezen als het boek, dat Gods heerlijkheid verkondigt en Zijne eere vertelt, dat door Gods scheppende daden, die wereld van haar eersten opgang, in haar voortdurend worden, in haar voortschrijden van dag tot dag, de verwerkelijking is van de eeuwige gedachte onzes Gods.
Zoo heeft ook Job de schepping, gelijk zij door God in het aanzijn werd geroepen, gewaardeerd als de vrucht van een barend Godsbesluit. Als de Heere hem verschijnt en hem bestraft over zijne dwaasheid, dan legt Hij hem deze groote levensvragen voor, opdat hij zal beseffen, dat hij die niet beantwoorden kan : „Waar waart gij", zoo vraagt de Heere, „toen Ik de aarde grondde ? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt". En dan wijst hem de Heere op al die verborgenheden, welker opklaring de mensch te vergeefs nastreeft en waarop nimmer een antwoord ons geworden zal. „Wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak en uit de baarmoeder voortkwam ? " Zoo vraagt de Heere, en houdt ons daarin voor, hoe de wording aller dingen als eene geboorte verloopt. En die geboorte is de verwerkelijking van den eeuwigen Raad Gods, van eene wereld, zooals Hij, de Heere, Zich die eerst eeuwig denkt. Daarom wordt de wording der zeeën aldus beschreven : „toen Ik voor haar mijn besluit doorbrak". De Heere deed hetgeen Hij dacht alzoo werkelijk worden. En deze verwezenlijking is de doorbreking van het besluit. En die zelfde beschouwingswijze heeft nu ook de profeet Zephanja bij zijn blik op de historie. Hij roept (2 : 1, 2) het volk op tot zelfonderzoek, opdat het zich tot God bekeeren zal. Daarom zegt hij : „Eer het besluit bare : (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des Heeren toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van den toorn des Heeren over ulieden nog niet komt". Ook hier wordt ons dus zelfs de geschiedenis van den dag voorgesteld niet als zoo maar toevallig geschiedend, maar als eene baring des besluits. En daaronder wordt nu uit den aard der zaak ook het genadewerk Gods begrepen. Zoo zeide de psalmist: Ik zal van het besluit verhalen". En dan gunt hij ons een diepen blik in de verborgenheid van den achtergrond der heilsgeschiedenis, in den eeuwigen vrederaad Gods, door het ons te verkondigen, dat dit besluit, waarvan hij verhalen zal, hierin bestaat, dat de Heere tot hem gezegd heeft : „Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd", en hoe daarmede nu samenhangt de opkomst van Gods Kerk in en uit de historie der menschheid, want zoo wordt er aan toegevoegd : „Eisch van Mij en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uwe bezitting". Zoo is dus ook die heilsontwikkeling te beschouwen als eene baring des besluits, van het besluit der genade, dat de Heere zelve afwikkelt in den loop der historie van ons geslacht.
Heel de wereldgeschiedenis is dus van dag tot dag als de afrolling van een boek des besluits. En dat besluit gaat niet slechts over het groote, het in onze oogen gewichtige, maar over alle dingen, ook over die door ons niet worden opgemerkt of geteld. Omdat zij alle hunne functie hebben in het groot geheel en allen ook medewerken om dat groote, alomvattende geheel te brengen tot zijne eindbestemming. Het is hiermede als met het weefsel. Wanneer wij het zien aan den achterkant en al de duizenden draden ontwaren, die kris-kras door elkander loopen, dan kunnen wij, die geen wever zijn, de bedoeling, de beteekenis, de waarde van elk draadje niet begrijpen. Maar de wever kent aller functie in den opbouw van het geheel. En hij zou het ons tot in de kleinste bijzonderheden kunnen verklaren, waartoe elk draadje dient om te bereiken de schoone teekening, die de bovenzijde van het tapijt ons te aanschouwen geeft. En toen dan ook het weefsel gemaakt werd, was vooraf tot in de fijnste bijzonderheden toe bepaald, hoe het al gemaakt en worden moest. Niets was overgelaten aan het toeval, alles geschiedde in overeenstemming met den eisch, door het geheel daaraan gesteld.
Zoo nu is ook de historie der menschheid, die voortschrijdt van dag tot dag, ja, van uur tot uur. Het is de baring van Gods besluit, die zich niet alleen voltrekt voor ons oog, maar waarin ook wij zelven, hoe klein en bescheiden ook onze plaats moge zijn, die wij innemen onder de zon, toch elk ook een moment beteekenen. Daaruit volgt dus de groote waarde, die het menschelijke leven heeft, de ontroerende verantwoordelijkheid, die het op ons legt. Van oogenblik tot oogenblik staan wij nimmer op onszelven, hebben wij toch altijd eenige functie in de wording van het groote geheel. In het licht van Gods Woord, zooals het in de hemelen boven ons geschreven werd, is ook het kleinste beteekenis vol deeltje in het alomvattend worden der dingen en krijgt daarmede ook het leven van den eenvoudigste eene onvergankelijke waarde. Heeft zoo ook niet de. Heeft Jezus het verstaan, toen Hij van de zuigelingen getuigde, dat de Heere Zich uit hun mond lof heeft bereid ?
Zoo wordt dus het wereldgeschieden tot een weg, waarlangs de verwerkelijking gaat van het eeuwig, alomvattend besluit Gods. En zoo straalt over en in dit wereldworden, waarin ook wij zelven begrepen zijn en allen op onze wijze een rol vervullen, het licht van Gods heerlijkheid uit. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat wij menschen deze steeds zien en erkennen en onderkennen. Het is met onze inzichten in de wegen des Heeren maar al te dikwijls, als met onze kennis van de weefseldraden, waarop ik daareven de aandacht vestigde. De achterkant van het weefsel heeft dikwijls niets, dat ons bekoort en onze oogen streelt, want wij begrijpen en doorzien het niet. Wij zien slechts aan hetgeen voor oogen is, meten de dingen af naar den maatstaf van ons lust-of onlustgevoelen, van onze belangen, van onze wenschen en begeerten. Als de wegen ingaan tegen ons vleesch en bloed, dan geven wij dikwijls luide lucht aan onze ontevredenheid en onwil. Ja, dan oordeelen wij dikwijls hard over den weg der tijden, die door de donkerheid gaat. Maar wie dit nu inziet, dat die historie in haar geheel, ook die van onzen dag, ook die van ons eigen kleine leven in diepsten grond de baring is der eeuwige Godsbesluiten, de geboorte van wat Hij Zich van eeuwigheid heeft gedacht als noodig om Zijn komenden nieuwen hemel en de nieuwe aarde, die wordende is, in het aanzijn te roepen, die kan het alles geven in Gods Vaderhand. Die zal de rust kennen, die er voor Gods kinderen is in de hand van Hem, bij Wien alle onze paden zijn en die ook onzen levensadem wekt van oogenblik tot oogenblik.
Zoo staat er dus niets op zichzelf. Dit inzicht ontsluit ons de psalmist in de diepten der hemelen Gods. Hij doet ons daar lezen den Naam Zijner heerlijkheid, ontdekt er ons de wonderheid Zijner aanbiddelijke Majesteit en wijst ons als met den vinger aan den eeuwigen samenhang van al wat was, wat is, wat wezen zal. En onder den indruk dezer scheppingsschoonheid in de hemelen boven hem, schouwde hij in de diepten ook der menschheidshistorie en zeide hij tot ons : Merkt gij wel, hoe de dag aan den dag overvloediglijk sprake uitstort ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's