KERKELIJKE RONDSCHOUW
OVER DE KERK. (XV)
Over de verkiezing tot de ambten is Calvijn niet zoo spoedig uitgepraat. We lezen IV, IV, 10 ongeveer het volgende : Bij de beroeping der dienaren volgde de oude Kerk het voorschrift van Paulus en de voorbeelden der apostelen. Want zij plachten tot het verkiezen der herders met den grootsten eerbied te werk te gaan, onder aanroeping van Gods naam. In de vereischten was men soms strenger dan de Apostelen ; zóó kwam men ook van lieverlede tot het Coelibaat of de verplichte ongehuwde staat van de geestelijken.
Niet altijd had men dezelfde orde van verkiezing. Van ouds mocht niemand in het gezelschap der clerici (geestelijken) opgenomen worden zonder de toestemming van het gansche volk. Dit is echter weldra opgehouden, behalve bij de aanstelling van bisschoppen. Ook wanneer er voor de parochiën nieuwe presbyters noodig waren, ging dat niet buiten het volk om. „Want dan moest het volk van die plaats met name er in toestemmen.
Maar het is geen wonder", zegt Calvijn, „dat het volk minder zorgvuldig is geweest om in dit opzicht zijn recht te behouden. Want niemand werd onder-diaken, die niet langen tijd beproefd was in het clericaat, onder de gestrengheid der tucht, die toen gebruikelijk was. Als hij in die betrekking beproefd was, werd hij tot diaken aangesteld en daarna geraakte hij tot de eer van het presbyterschap, indien hij zich getrouw betoond had. Zoo werd niemand bevorderd, die niet inderdaad vele jaren lang onder de oogen des volks beproefd was. En er waren veel regelen om hun fouten te straffen, zoodat de Kerk niet bezwaard werd met slechte presbyters of diakenen".
Alle verkiezingen hadden ook op vastgestelde tijden des jaars plaats, opdat niemand heimelijk zonder toestemming der geloovigen zou binnensluipen, of al te gemakkelijk zonder getuigen zou bevorderd worden.
Vooral in het verkiezen van de bisschoppen heeft het volk langen tijd zijn vrijheid behouden, opdat niemand opgedrongen zou worden, die niet allen aangenaam was. En op het Concilie van Antiochië is het verboden, dat iemand tegen den wil des volks zou opgedrongen worden. Het luidde : „Wie aan het hoofd van allen zal staan, moet door allen gekozen worden. Want wie benoemd wordt, hoewel hij onbekend en niet onderzocht is, wordt noodzakelijkerwijs met geweld opgedrongen".
Men stond er dus nog al op, dat de geestelijken niet zouden worden opgelegd (gelijk later in de Roomsche Kerk). Want Calvijn zegt : „En de heilige vaderen hebben zich zóó zeer er voor gehoed, dat deze vrijheid des volks op eenige wijze zou worden verminderd, dat toen de Algemeene Synode van Constantinopel Nectar dus ordende, zij dit niet heeft willen doen zonder de toestemming van de gansche geestelijkheid en het volk". „Daarom, wanneer een bisschop iemand tot zijn opvolger bestemde, dan was dat niet anders van kracht, dan wanneer het gansche volk aldus besloot". Bij een andere benoeming zegt Calvijn „dat de orde der priesters dit bekrachtigd heeft, en de overheid en de voornaamsten en het gansche volk het met hun bijvalsbetuigingen hebben goedgekeurd."
Maar, dan komen juist de moeilijkheden met „het gansche volk" Calvijn zegt : „Er is later te Laodicea met zeer goede reden besloten, dat de verkiezing niet aan de schare moet worden overgelaten. Want nauwelijks gebeurt het ooit, dat zooveel hoofden eenstemmig eenige zaak goed in orde brengen ; en bijna steeds is het spreekwoord waar, dat de weifelende massa in onderling tegenstrijdige gezindheden verscheurd wordt."
De moeilijkheden met „het gansche volk", met de geheele gemeente, bleven dus niet uit. En Calvijn zegt: tegen dit gevaar werd 'n uitnemend middel aangewend. Want eerst kozen de geestelijken allen en hem, die gekozen was, stelden zij dan voor aan de overheid of den raad en de voornaamsten. Nadat die beraadslaagd hadden, bezegelden zij de verkiezing, wanneer die hun rechtmatig toescheen. Was dat niet het geval, dan kozen zij een ander, dien zij beter achtten ; dan werd de zaak voor het volk gebracht, dat, ofschoon het niet gebonden was aan die voorafgaande keus, toch minder rumoerig kon zijn."
Men wilde dus, dat het volk, de gemeente, medezeggenschap had, maar men was eigenlijk bang, dat de gemeente er niet toe bekwaam zou wezen en de zaken in de war zou sturen. Daarom ging men met voorbedachten rade de leiding leggen in de handen van de geestelijken en van de overheid en den raad en de voornaamsten ! De gemeente mocht dan „bezegelen" wat de geestelijken e.a. klaar gemaakt hadden.
Of ook handelde men in omgekeerden zin. Men ving de verkiezing aan bij het volk, bij de gemeente. Maar „dan geschiedde dit slechts, opdat men zou weten, wien de gemeente het meest begeerde. En nadat de wenschen van het volk gehoord waren, kozen de geestelijken." „Zoo stond het den geestelijken niet vrij aan te stellen, wien zij wilden, en toch hielden zij het niet voor noodzakelijk aan de dwaze verlangens van het volk gehoor te geven."
„Het besluit van Laodicea" zegt Calvijn „bedoelt ook niets anders, dan dat de geestelijken en de voornaamsten zich niet door de onberaden menigte laten meesleuren, m.aar liever door hun eigen verstand en ernst de dwaze begeerten van het volk, als het noodig is, bedwingen."
Dit wijst dus volstrekt niet in den „democratischen" weg van de gemeente, maar zeer beslist in den „aristocratischen" weg van de voornaamsten, van de geestelijken, zelfs van de overheid en van den raad !
„Deze wijze van verkiezen was nog van kracht", zegt Calvijn IV, IV, 13, „ten tijde van Gregorius, en het is waarschijnlijk, dat ze nog lang daarna geduurd heeft. Want telkens als er sprake van is om ergens een nieuwen bisschop te kiezen, pleegt hij te schrijven aan de geestelijkheid, den raad en het volk, soms ook aan den vorst, al naar gelang het bestuur der stad ingericht is.
De toestemming van het volk, van de gemeente, was intusschen noodig. In de twee Kerken te Rome en Constantinopel werd de instemming van den Keizer geëischt bij de verkiezing van een bisschop : „omdat daar de twee zetels van het rijk waren. De Keizer had daar dus niet de macht en de leiding, maar het stond zóó, zegt Calvijn „dat den Koning of Keizer de eer werd gegeven, dat hij met zijn gezag de wettelijke verkiezing bevestigde."
(Wordt voortgezet).
HET KERKELIJK VRAAGSTUK. (1)
In April j.l. hebben we, naar aanleiding van couranten-verslagen, een en ander geschreven over hetgeen prof. dr. F. W. Grosheide, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit, Donderdag 31 Maart op de 21e Algemeene Vergadering van de Vereeniging van predikanten der Gereformeerde Kerken gesproken heeft over de Kerk en het kerkelijk vraagstuk. Het referaat droeg tot titel: „De Gereformeerde Kerken en de andere Kerken". Wij hebben toen onze verwondering er over uitgesproken, dat er zoo'n kort — eigenlijk niets-zeggend — verslag van dit belangrijke referaat aan de pers was verstrekt; hoewel we wel begrepen, dat dit niet zonder bedoeling was geschied. Het zijn niet zulke gemakkelijke dingen, om die aan de orde stellen en die te bespreken ! En de wijze kent tijd en plaats. Onbesuisde naturen gooien er zoo nu en dan alles maar uit en of ze meer verwarring stichten, dan dat ze tot zegen zijn. schijnt hen niet bezorgd te maken. Als ze maar 't genot gehad hebben om 't er uit te gooien
Prof. Grosheide is een voorzichtig man. Hij ontwijkt de moeilijkheden niet, maar hij wil ook niet graag alles In de war sturen. Daarvoor is hem de zaak te lief.
Nu het Gereform. Theol. Tijdschrift (Juli '32) een breed verslag ons voorlegt van het gesprokene en ook van de discussie, welke op het rapport volgde, willen we trachten hier weer te geven wat Prof. Grosheide te Utrecht, in het Jaarbeursgebouw 31 Maart j.l. gezegd heeft, rakende de Kerk, de Gereformeerde Kerken en de andere Kerken in ons Vaderland.
Want — dat is de eerste verklaring die prof. G. geeft — hij wil niet een bespreking van de groote oecumenische beweging, maar zeer bepaald wat in Nederland de houding van de Gereformeerde tot andere Kerken moet zijn.
„Op dit punt bestaat onder ons allerlei verschil van meening. Vergelijken we het vraagstuk van de Kerk met dat van de Schrift, dan zien we een groot verschil". Wel zijn niet alle vragen inzake de Schrift opgelost, wat ook niet kan, omdat de Schrift een wonder is, maar inzake het stuk van de Schrift bestaat onder ons genoegzame eenstemmigheld. Maar heel anders is hét wat betreft het stuk van de Kerk; in onzen eigen kring en ook bij hen, die ons het naast verwant zijn. De verschilpunten zijn vele. „Men behoeft slechts te spreken van pluriformiteit en pluraliteit, van afvaardiging naar andere Kerken, van aansluiting bij den Raad der Kerken, of er wordt verschil van meening openbaar. En dat kan toch eigenlijk niet zoo blijven, want we worden elk oogenblik tot handelen geroepen; we moeten iets doen of iets laten. En het wordt bedenkelijk, als in onze Kerken verschillende practijken ingang vinden, als de één billijkt, wat de ander verwerpt".
„Deze moeilijkheden zijn het gevolg van de bijzondere toestanden, die we in Nederland op kerkelijk gebied hebben. Verschillende Kerken staan naast elkaar en beweren, elk voor zich, de ware Kerk te zijn. Er is een Kerkisme, dat alles kerkelijk wil maken ; en aan de andere zijde is er een wegmoffelen van de Kerk. Het ergste is, dat men op allerlei gebied — school, vereenigingsleven en vooral niet te vergeten de politiek — telkens beweert; niet kerkelijk te zijn — en het inderdaad is, hetzij doordat men statutair vastlegt: hoeveel leden, bestuurders, afgevaardigden Hervormd en hoeveel er Gereformeerd moeten zijn ; hetzij doordat men niets zegt, maar inderdaad naar zulk een regel handelt".
„Dat rekenen met de Kerk, zonder het te zeggen, behoort tot de dingen, die het kerkelijk besef verslappen. We mogen daar geen genoegen mee nemen, al moeten we tegelijk zeggen, dat de schuld hier bij de Kerk ligt; want de moeilijkheden ontstaan, omdat de Kerk gedeeld is". Dat is in Nederland wel héél sterk het geval, dat men o ! zoo gemakkelijk maar weer een andere (en een nog betere) Kerk sticht!
Er is te dien opzichte een Angelsaksische en eene Duitsche mentaliteit. In Duitschland blijft men in de Kerk. De Angelsaksische wereld komt spoedig tot nieuwe Kerkstichting. In Nederland hebben we zeer beslist het laatst genoemde type. Wanneer iemand moeite krijgt met de Kerk, poogt hij zelf een andere Kerk te stichten. Dat kan reformatie wezen, als er oorzaak was. 't Kan scheuring zijn, wanneer men om onvoldoende redenen de Kerk verlaat, aan wier tucht men beloofd heeft zich te zullen onderwerpen. Er kan eerbied voor de Kerk in 't spel zijn, maar 't kan ook zijn, dat er verachting voor de Kerk aanwezig is, waarbij men dan maar doet, waarin men zelf lust heeft".
„In ieder geval blijkt uit alles, dat de Kerk een voorname plaats onder ons inneemt. De Kerk duikt overal op en treedt overal op den voorgrond ; zij laat zich niet wegstoppen. De belangrijkheid van de Kerk blijkt telkens en. overal. Maar ejsch is : openheid! Men moet rond uitkomen voor het kerkelijk standpunt. Men moet steeds lid willen zijn van de Kerk waartoe men behoort. Dan zal ook daardoor — wanneer ieder uitkomt zooals hij is — de kans vermeerderen, dat de kerkelijke grenzen beter zullen worden getrokken dan tot nu toe, wat zeer noodig is, omdat ze nu in Nederland niet loopen, zooals ze moesten loopen. Want ze loopen nu niet naar de richting, naar de houding tegenover Schrift en belijdenis enz., maar naar heel andere dingen".
„Wij, Gereformeerden" — aldus prof. G. — „verkeeren in een bijzondere positie. Eigenlijke vrije Kerken, in den zin van geen Staats-Kerk, kent ons land niet. Maar onze Kerken hebben ten volle het type, dat elders vrije Kerken vertoonen. Tot onze Kerken behoort een kleine groep gelijkgezinde personen, die kort geleden in een eigen instituut zijn gaan leven en de geschiedenis nieuw hebben kunnen maken".
„Wij ondervinden ook de bezwaren van een dergelijk kerkelijk leven. We zijn ten volle overtuigd van ons bestaansrecht als de Gereformeerde Kerken in Nederland ; en we gelooven, dat we zijn de meest zuivere openbaring van het lichaam van Christus. Durven we dat niet meer te zeggen, dan is elke minuut, dat we langer bestaan, zonde ; en dan mag bij ons Woord en Sacrament niet meer worden bediend, dan is onze tuchtoefening aanmatiging".
„We zijn er van overtuigd, dat Afscheiding, Doleantie en Vereeniging van 1892 werken Gods zijn geweest. Ze hebben ons ook rijke zegeningen gebracht, een eigen Gereformeerd kerkelijk leven, zooals anders in Nederland zeker nog niet zou bestaan. Die weldaden Gods, de zuivere bediening van Woord en Sacrament, de oefening van de tucht, mogen we nooit prijsgeven. En alle zoeken naar éénheid, dat van deze weldaden iets zou laten vallen, is van te voren veroordeeld".
Hier zouden velen nu zeggen : dan zijn we klaar. De Gereformeerde Kerken zijn er — men heeft gedaan wat men moest doen — nu moeten de Christelijke Gereformeerde en de vele andere Gereformeerde Kerken en Gemeenten, alsook de vele Hervormden, die Gereformeerd zijn, maar weten wat ze doen ! Er is maar één weg, en dat is natuurlijk : zich voegen bij de Gereformeerde Kerken, die het zoo heerlijk ver gebracht hebben.
Maar prof. Grosheide staat zóó niet.
„Toch is dat niet het laatste woord" — zegt hij, na alles wat we nu uit zijn mond gehoord hebben. Er komt nog meer! Gelukkig — zeggen wij.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's