INGEZONDEN
Mijnheer de Redacteur,
Wij verzoeken u beleefd het onderstaande in uw blad te willen opnemen, waarvoor bij voorbaat onzen dank.
Er is een bekend spreekwoord, waarin de raad wordt gegeven om een zekere wasch niet buiten te hangen, en terecht. Er kunnen zich evenwel gevallen voordoen, waarin publiciteit nuttig en noodig geacht kan worden, vooral wanneer vooraf tevergeefs langs andere wegen is getracht om een bevredigende oplossing te verkrijgen.
De kwestie, waarover wij iets willen zeggen, betreft de Raden van Beheer en Beroep voor de Predikantstractementen in de Ned. Hervormde Kerk, een kwestie, die zich voordeed in een ons van zeer nabij bekende Gemeente, en voor de waarheid waarvan wij geheel kunnen instaan, omdat de officieele gegevens ons ten dienste stonden.
Bedoelde Gemeente, een zuivere fabrieksplaats van ruim 5000 zielen, waarvan even 400O in werkelijkheid of in naam tot de Ned. Hervormde Kerk behooren, heeft voor eenige jaren een godsdienstonderwijzer naast den predikant benoemd, wiens tractement geheel door vrijwillige bijdragen wordt bijeengebracht. Doordat de industrie bloeide en de arbeiders flink verdienden, kwamen èn de vrijwillige bijdragen èn de hoofdelijke omslag goed binnen, zoodat de Kerkvoogdij aan haar verplichtingen ten opzichte van predikant, godsdienstonderwijzer en Raad van Beheer — aanslag ƒ 1120. kon voldoen. Dit scheen ook liet geval toen het aanslagbiljet van den Raad van Beheer 1931 binnenkwam. Wel bleven de inkomsten door de ingetreden malaise beneden de raming, doch de Kerkvoogden hoopten door zuinig beheer alles k kunnen betalen. Evenwel nam de werkloosheid dusdanig toe, dat 57% van de valide arbeiders werkloos werd. Een fabriek, waar al eens 1500 arbeiders hadden gewerkt, ging stil liggen, terwijl andere industrieën loonsverlaging moesten toepassen of tot personeelinkrimping overgingen. De boeren, en kerkelijk meelevende zijn er niet veel, voldeden hun bijdragen van hun verlies, alle neringdoenden droegen mee de lasten van de crisis; kapitaalkrachtigen waren er niet, zoodat de gevolgen voor de Kerkvoogdij niet uitbleven. Al bleven de kerkcollecten tamelijk op peil — en dit pleit voor de offervaardigheid van de procentsgewijze niet groote medelevende kern —, de vrijwillige bijdragen en de inkomsten uit den hoofdelijken omslag daalden onrustbarend, zoodat Kerkvoogden zich verplicht zagen om gedeeltelijke ontheffing van den aanslag van den Raad van Beheer te vragen. Wel was de reglementaire reclametijd verstreken, doch daar na dien tijd de oorzaken van de tekorten waren ingetreden, meende men, dat de Raad van Beheer wel genade voor recht zou laten gelden. Moge thans volgen een overzicht van de door de Kerkvoogdij en Raad van Beheer gevoerde correspondentie.
28 Sept. 1931. Met redenen omkleed verzoek om ontheffing door de Kerkvoogdij.
2 Oct. 1931. Afwijzend antwoord, omdat de tijd voor reclame verstreken was.
5 Oct. 1931. Schrijven van de Kerkvoogdij aan den Raad van Beheer, waarin nog eens uiteengezet wordt, dat men te laat reclameerde, omdat sedert een zeer ongunstige toestand intrad.
8 Oct. 1931. Slechts dit antwoord : „Mijne Heeren, Ter beantwoording van uw brief van 5 Oct. diene, dat de Raad van Beheer niet opnieuw op deze aangelegenheid kan terug komen. Met hoogachting, enz." Voorwaar, de barmhartigheden der goddeloozen mogen wreed zijn, nog wreeder lijken ons de onbarmhartigheden der „vromen". Zeker, formeel, wettelijk, moge deze uitspraak juist zijn, o.i. wordt dusdoende het hoogste recht het grootste onrecht, en het is ons bekend, dat de wereldlijke belastingambtenaren in soortgelijke gevallen een Christelijker standpunt innemen dan onze kerkelijke college's. Doch we gaan verder.
28 Oct. 1931 gaat de Kerkvoogdij in beroep bij den Raad van Beroep. 6 Nov. 1931 antwoordt dit college, dat dit beroep niet ontvankelijk is, omdat men te laat is.
16 Nov. 1931 verzoekt de Kerkvoogdij dringend om mondeling te mogen worden gehoord.
19 Febr. 1932 (niet al te vlug) meldt de raad van Beroep, dat hier wel een misverstand zal bestaan, „daar bij onzen Raad geen bezwaarschrift van u tegen den aanslag 1931 is ingekomen, zoodat van een afwijzing dezerzijds geen sprake kan zijn".
Lezers, als wij de stukken niet persoonlijk hadden ingezien, zouden we bijna niet gelooven kunnen, dat zoo iets mogelijk was. Natuurlijk schreef de Kerkvoogdij onmiddellijk, dat het misverstand wel bestond, maar dan toch zeker aan de zijde van den Raad van Beroep, op welk schrijven evenwel tot heden, 19 Juli, nog geen antwoord binnenkwam.
Uit bovenstaande uiteenzetting moge blijken, hoe serieus men de zaken der Kerkvoogdijen behandelt en hoe gewillig men luistert naar degenen „die van u leenen wil". Is het wonder, dat bij zulk autocratisch, onbarmhartig optreden bij genoemde Kerkvoogdij (en ook bij den Kerkeraad) een geest van bitterheid opkomt. Zou het kwalijk zijn te nemen, wanneer men tenslotte de gehoorzaamheid opzegde aan een overheid, die toont absoluut doof te zijn voor de nooden der Gemeente ?
Intusschen kwam het aanslagbiljet 1932, waartegen tijdig werd gereclameerd, met den uitslag bij de beide Raden, dat gedurende de vacature ƒ 200.— vermindering wordt toegestaan, zonder gehoor te geven aan het verzoek de reclame mondeling te mogen toelichten, iets wat bij de wereldlijke rechtbank zelfs den grootsten boosdoener niet wordt geweigerd. De onrechtvaardige rechter deed tenslotte nog recht, is het niet verschrikkelijk, dat onze kerkelijke besturen doof blijven voor de klachten der Gemeenten ƒ 200.—? vermindering is voor bedoelde Gemeente van evenveel beteekenis als in het geheel geen verlaging, als men rekent dat een belastingautoriteit mededeelde, dat naar schatting in genoemde Gemeente slechts 10% der belastingen zal binnenkomen. Het gevolg zal op den duur moeten zijn, dat men gewoon uit onmacht zich zal moeten afscheiden van den Raad van Beheer, waar reeds thans (half 1932) ƒ2000.— bij een Boerenleenbank is geleend, om aan de verplichtingen te voldoen. En dan maar weer een Gemeente meer, die parasiteert op de krachten van den Ring. Mochten de oogen onzer hoogere besturen er toch eens voor open gaan, dat men op deze wijze de Gemeenten stoffelijk uitbuit en geestelijk vermoordt. En de Synode (zie de laatste voorstellen) èn andere instellingen zijn oorzaak van steeds meer koudheid en onverschilligheid in den boezem der Kerk en dat in een tijd van steeds toenemenden afval rondom. Men schijnt met blindheid geslagen, doch wee de blinde leidslieden, en wee het volk, dat door blinde leidslieden wordt geleid. Moge de Heere, die barmhartig en genadig is, zich nog eens ontfermen over onze tot in de grondvesten vermolmde Kerk. Moge Hij nog eens opbouwen, wat de besturen thans zelf afbreken.
U Mijnheer de Redacteur nogmaals dankend voor de verleende plaatsruimte.
Krimpen aan den IJssel, Juli 1932.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's