FINANCIËN
Wat was het er vol, koffers en tasschen te over. Het heele perron was één bewegende menschenmassa. En voor zoover van eenigen stilstand gesproken kon worden, was dat op het moment dat de trein naderde. Uit alles sprak een zekere vrees : zou ik wel mee komen ? Zou er voor mij wel een plaatsje nog open zijn ? Niet zoodra als de trein stilhield, openden zich de portieren. Die er in zaten, en de plaats bereikt hadden waarheen zij dachten te reizen, sprongen er zoo uit, om dadelijk weer hun plaatsen te zien ingenomen door anderen.
Wonder, welk een rusteloosheid uit alles blijkt. Wat meer de snelheid in het verkeer toeneemt, wat gejaagder zich alles vertoont. Men stelt zichzelven de vraag, wanneer men als kalme toeschouwer op een afstand de zaak staat op te nemen : waar moet dat op den duur wel heen ? Is zulk een prikkeling niet voor het heele menschengéslacht fataal in haar uitwerking ? Ook hij, die zich heden nog vrij goed weet te bedwingen, wordt op den langen duur toch nog meegezogen door den tijdstroom. Niemand ontkomt.
Juist — zoo klinkt de opmerking. Ieder mensch voelt dit, dat onze gewone samenleving zooveel spanning inheeft, dat hij er van tijd tot tijd eens uit moet. Hij moet verpoozing zoeken. Het allernoodzakelijkste is wel, dat hij, al is het ook maar enkele dagen, vacantie neemt.
In het afgetrokkene bezien, is dit volkomen juist. Ieder mensch heeft het noodig, beslist noodig, dat hij tusschenbeide eens even in stilheid zich terugtrekt. Het woord „vacantie" heeft dit ook in. Dat beteekent „ledig zijn". Ons leven is zoo vol, dat een leeg vak als een verademing u toelacht.
't Komt er mij niet in de allereerste, plaats op aan, waar ge me heen brengt, als het er maar niet weer vol is, vol van menschen en van allerlei menschelijk gedoe. Zoo is de gedachtengang van hem of haar, die waarlijk begrijpt wat hij of zij in werkelijkheid noodig heeft.
Doch nu ziet ge, hoever de wereld onzer dagen uit de koers is geslagen. Wanneer door de algemeene vacantiewoede de straat, waarin ge woont, als ontvolkt zich aandient, daar huis aan huis de gordijnen zijn neergelaten, zoo doet deze stilheid niet aangenaam aan, maar werkt juist prikkelend. Ook wij dienen de koffers te pakken. Ook wij moeten eens uitzien waar tijdelijk onze intrek zal worden genomen. Thuis blijven is zoo goed als onmogelijk. Doch nu opgelet.
Waarheen richt zich nu de wijsvinger ? Naar de leegte of naar de volte, waar echt de stilte heerscht, of de polsslag nog hoogeren levensdruk aangeeft ?
In verreweg de meeste gevallen 't laatste. De mensch onzer dagen kan niet meer tegen de stilte. Deze benauwt hem. Vandaar het algemeen voorkomend verschijnsel, dat de vacantie-oorden nog levendiger aanblik vertoonen dan de gewone levensgang. Het begint al bij het afreizen, 'k Heb het , u in een enkelen zin in teekening gebracht. Wat was het er vol op dat perron waar de vacantie-menschen zich gereed; hielden om uit te zwermen, 't Was net een bijenkorf, 'k Stond daar tusschen als toeschouwer. 'k Had — 't was Maandagmorgen — een Zondag buiten wezen preeken. Buiten, echt buiten. De Zondag was daar nog Zondag, 't Waren twee drukke diensten geweest, maar toch stil. Daar lag nog beslag van het Woord. Heerlijk verkwikt keerde ik huiswaarts. Doch op het perron, waar ik den trein afwachtte, trof me, wat ik in schets u voorlegde. .Al was ik de eerste niet die instapte, toch kreeg ik een goede plaats, 'k Kreeg naast me en tegenover me een echtpaar. Hun zoon plaatste de bagage in het net en hield verder de wacht voor het portier. Verschillende dingen werden hem nog opgedragen. Hij moest hier aan denken en dat niet vergeten, en eindelijk, toen de trein bijna vertrekken zou, werd het raam nog even neergelaten om hem vooral op het hart te drukken : 't vogeltje niet te vergeten en de planten goed te verzorgen.
Dat laatste trof me. Ook voor de dieren en de planten werd hier gezorgd.
Het gesprek dat zich in den trein tusschen ons ontwikkelde, bevestigde me in mijn opinie, dat zij nog behoorden tot die levenswijze menschen, wier zorg verder reikte, dan van de meesten onzer dagen. Van hoevelen moet thans niet worden gezegd : zij kennen geen zorg voor één ding; zij zijn ook niet bezorgd meer omtrent ééne zaak. Zij leven bij het moment en liever gezegd : zij worden geleefd. Wat er van de wereld terecht komt, daaromtrent maken zij zich niet druk. Over iets wat niet direct met hun eigen leven samenhangt, denken ze niet eens. Zich uitleven, zich verliezen in het geroezemoes van allerlei geneugten van den tegenwoordigen tijd, zietdaar hun heele levensbestaan.
Och, arme wereld, ge drijft en wordt gedreven door een macht die u voortzweept met steeds grooter wordende drijving op elk heilloos pad, waar de eene booze geest den andere oproept.
Men zoekt den druk te ontgaan, men ontvlucht — naar men denkt — de benauwende atmosfeer waartusschen men leeft, doch vergeet, dat men het met zichzelven omdraagt. Aan dat onrustige hart wordt geen ruste bijgebracht dan door de hand van den Eenige, die ook in onze dagen de noodiging uitzendt: „Komt tot Mij, allen die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u rust geven".
Aan geen enkel ding heeft de wereld onzer dagen meer behoefte, dan deze klanken te beluisteren, doch ook van geen enkel ding blijkt zij zoo afkeerig te zijn dan juist hiervan. Onder de steeds grooter wordende zorgen en de steeds nog aangroeiende lasten, roept onze tijd nog om nog meer „verpoozing", nog grooter wordende prikkelontspanning. Onze dagen bieden een gelijkenis met wat we beschreven vinden in de geschiedenis van Israels koningen.
De meest goddelooze vorstin, welke ooit op den troon had gezeten tot nu, zag het voor haar oogen, wat komen zou. Alles wat tot het vorstenhuis had behoord, was omgebracht en als de man, die het bevel des Heeren uitvoerde, ook tot haar nadert, wat leest ge dan : „en Izebel blankette haar aangezicht". Het schoonste kleed werd aangetrokken, de koninklijke diadeem zal niet hebben ontbroken. Zoo treedt zij tartende den man tegen, die haar levenslamp bluscht. Zóó wordt zij het venster uitgeworpen. Zóó wordt zij vertreden onder de hoeven der paarden.
Daarop gelijkt onze tijd.
't Is alsof de groote massa het blanketsel aanbrengt op het aangezicht, om zoo het verderf te ontmoeten. Men ziet het, en men wil het niet zien.
Staat het zoo ter eener zijde, daartegenover mag, Gode zij dank, ook nog worden geconstateerd dat er nog andere levensverschijnselen zich voordoen. Hier werden oogen geopend en ooren doorboord en harten opmerkende gemaakt. „Heere, ik ben een deel van datzelfde geheel, dat naar U niet vraagt, dat zich kwijt zoekt te raken buiten U, in de wereld, dat in den grond der zaak maar één ding liefheeft, en dat is zichzelf, en daarom alles en iedereen, ook U, terzijde schuift en haat. Heere, ik sta U tegen en mijn eigen heil. Verlos mij toch van mijzelven. Heere, Ge moet enkel redenen nemen uit Uzelf, want in mij is niets en komt nooit iets dat U weibehagelijk kan wezen. Och, Heere, gedenk mijner. Zie mij aan in den Zoon Uwer allesomvattende liefde. Die niets meer heeft, voor dien kan Hij en wil Hij toch alles zijn. Hij heeft het toch gezegd : Komt tot Mij, allen die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u ruste geven. Heere, hier staat zoo een".
Zie, de zoodanigen troostend tegen te treden in den weg der prediking van dat Evangelie, dat Christus omvat in al Zijn heerlijke opzoekende zondaarsliefde, dat Evangelie, waarvan de Heilige Geest zich bedient, zeggende : Ik neem het uit het Zijne en Ik geef het ulieden. De Geest des Heeren, die Christus verheerlijkt en God alleen grootmaakt in het zaligen van zondaren, enkel uit genade, doet zijn arbeid ook nog in onze dagen wonderschoon.
Zie, dit mag, dit moet ook nog worden geconstateerd. Dit Evangelie wordt nog verkondigd te midden van de Christenlanden en diezelfde boodschap trilt en trille door tot aan de einden der aarde.
Dit laatste mag ook niet worden vergeten. Wij hebben in onze eigene omgeving dezen lastbrief uit te reiken, nooit inhouden, doch tevens te bedenken : de einden der aarde wachten ook op u. Wij zeggen dit ook met het oog op den komenden Zendingsdag. Ook hier geldt de roeping des Heeren : plaatst u in de rij. Het Woord des Heeren moet zijn loop houden.
Heerlijk, als wij het mogen opmerken in ons eigen leven en bij anderen. Dan raakt onze eigen-liefde het spoor bijster, dan merken we iets van wat er staat in de H. Schrift omtrent de liefde, welke God werkt: zij zoekt zichzelve niet. Deze leeft zich uit enkel in het zich geven aan anderen. Mogen we thans onze overdenking besluiten. Dit laatste, dat we opmerkten omtrent dien wonderen gang der liefde Gods, hebben we ook gespeurd in meer dan één gave dezer dagen.
De eerste gaven, welke me ter hand werden gesteld, kwamen uit eene omgeving, waarin we vóór 25 jaar voor het eerst werden ingeleid : te Bergschenhoek.
1. Mej. de Groot van Schiedam gaf me een gulden. ƒ 1.— 2. Op dezelfde wijze werd me door een der aanwezige luisteraars — we waren hier tezamen op een Landdag voor jongelingen — een couvert in de handen gestopt met de woorden : „'t is niet van mij, hoor". Wie zij was, weet ik nog niet, en wie de geefster is, werd me ook niet duidelijk uit den inhoud.
Ik zal u zeggen, wat er in het couvert zat. Twee kleine couvertjes, ieder met een rijksdaalder. De eerste was voor de Evangelisatie-Commissie. Ik zal deze doorsturen. De tweede was voor het Studiefonds. Maar nu zaten er ook nog zes nieuwe dubbeltjes in met het opschrift: „van mijn overleden zuster".
Deze zes dubbeltjes zeggen voor mij meer dan alles, wat waarde betreft, tezaam. Daarop valt een schijnsel van Gods gunstbewijzen. Ik dacht hierbij aan het woord uit den Isten Corinthenbrief : „zij verblijdt zich in de waarheid". Het uitdragen van dat heerlijk Evangelie heeft de geefster nog in haar laatste levensdagen niet losgelaten.
De Heere zegene het met den rijkdom Zijner zegeningen. Alzoo hebben we in dezen te verantwoorden ƒ2.50 + ƒ2.50 + ƒ0.60 is ƒ 5.60
3. Door ds. Van der Kooij te Maarssen uit den collectezak met bijschrift: uit dankbaarheid ƒ 2.50
4. Door den heer G. J. Revet te Gouda een gift van ƒ 2.50 voor het Studiefonds ƒ 2.50 Onze vriendelijke dank. We bevelen onze zaak ten zeerste bij u aan.
5. Van den heer Z. te O. kreeg ik zijn laatste giro-biljet, waaraan als bijschrift was toegevoegd : „het laatste bonnetje is voor u". ƒ 2.50 Hierbij werden dezelfde gedachten bij me wakker geroepen als van zooeven van de zes dubbeltjes. Het laatste wat ik te geven heb is voor de verkondiging van de Waarheid Gods. Wij danken u uit den grond van ons hart.
6. Mej. D. te Utrecht kwam me weer haar busje brengen. In één maand tijds bedroeg de inhoud al weer meer dan twee rijksdaalders. Dat is prachtig, hoor. Wij zijn u en de vrienden recht dankbaar. Er zat in ƒ 6.91 7. Van onzen vriend d. L. te S. gewerd ons een bijdrage voor het Studiefonds van 5 gld. ƒ 5.— Hartelijk dank en de groete.
8. Door den hr. Slagboom te Maarssen 50 halve centen plus f3.50, ingezamelde giften. Tezamen ƒ 3.75
9. Door ds. Batelaan werd mij uit Barneveld de contributie gezonden ten bedrage van ƒ 9.50
10. Door den heer J. Bekendam te Genemuiden de contributie van de afdeeling aldaar ƒ37.50
11. Door ds. V. d. Berg te Amersfoort van de Ned. Herv. Geref. Jongel. Vereen. „Maranatha" aldaar voor het Studiefonds ƒ 10.—
12. Door ds. Kuijlman te Doornspijk voor het Studiefonds uit de collecte voor Inwendige Zending ƒ 10.—
13. Door den heer M. Verhelst te Zaamslag, hem ter hand gesteld door een vriend, te verdeden als volgt:5 gld. voor het Studiefonds + f2.50 voor het Leerstoelfonds en f 2.50 voor de Evangel.Commissie ƒ 10, — Tezamen onzen hartelijken dank. 14. Door onzen voorzitter, ds. Van Grieken, werd me toegezonden de som van ƒ 110.50 samengesteld uit de volgende giften: f 0.50 plus f 2.50 plus f 2.50 plus f 5.— plus f 100.— voor 't Studiefonds. Dit is een klimmende reeks. Wij zeggen de onderscheidene gevers zeer vriendelijk dank en blijven ons aanbevelen, 't Is zoo heerlijk, zooveel blijken van medeleven. 15. Van Mej. B. te Utrecht voor de beide fondsen ƒ 2.— 16. Van Mej. A. C. van Stralen te Zetten de contributie, vermeerderd met 25 et. voor de onkosten van de postkwitantie ƒ 1.50
17. Door den heer G. H. Bloemers te Haarlem de contributie van de afdeeling aldaar ƒ 11.25
18. Door den heer H. Krol, diaken te Staphorst, voor het Studiefonds,
gevonden in den collectezak ƒ 17.39
19. Door den heer C. de Wolf de contributie van de afd. Middelburg ƒ30.55
20. Door ds. Van Amstel te Groot-Ammers de contributie der leden plus f 2.50 voor het Leerstoelfonds ƒ 24.50
21. De contributie van de afdeeling Vreeswijk werd me thuis bezorgd door een der vrienden en bedroeg ƒ 14.—
22. Door ds. Bout te Genemuiden, een deel van een gift van 25 gld., aldaar in de kerk gecollecteerd, van ƒ 10.—
23. De heer Jb. Bot te Feijenoord zond me al weer een gift, hem geworden door bemiddeling van ds. Kijftenbelt, van mej. v. E. ƒ 2.50 Dit wordt een wekelijksche verrassing, die me zeer welkom is. Onze vriendelijke dank.
24. Tenslotte een collecte, gehouden te Huizen. De Paaschcollecte werd aldaar gehouden op 10 Juli en bracht op de heerlijke som van ƒ 169.10 Prachtig, hoor. Dit sterkt den vriendenband en stemt het hart tot dank aan God.
Tezaamgeteld som van maakt dit alles de f 500.05.
Deze uitkomst maakt ons beschaamd, De naam van onzen God worde er verheerlijkt.
Utrecht. Ds. J. GOSLINGA
POSTZ., CAPSULES EN ZILVERPAPIER
Ontvangen van :
Ie. Mej. H. Goedegeburen, Herkingeu postz„ zilverpapier, enz.
2e. den heer H. de Groot, Leiden, postz, capsules en zilverpapier ;
3e. Mej. de Voogt, Amsterdam, postz. en zilverpapier.
De zending uit Herkingen was verzameld door de M.V. „Dorcas" aldaar. Met veel dank en aanbeveling.
Mejuffr. J. DEN HARTOG
Krommedijk 60, Dordrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's