NIET GIJ, MAAR IK
III.
In Uwen Naam mag ik vrijmoedig vragen al wat, o Heer', 'k tot vruchtbaarheid behoef. Den Vader mag ik eigen dorheid klagen, en 't kwaad, waarmee 'k gestaag U nog bedroef.
Gij, Geest des levens, kom van de vier winden en waai, doorwaai geheel mijn doodschen hof. Dan zingt mijn ziel het lied van haar Beminde,
en klimt Uw eer nog op uit zondig stof. O, heerlijk toekomstbeeld, als eenmaal d' aard van Uwe heil'ge kennis vol zal zijn, 'lijk water, dat den boom der zeeën dekt Als gansch de schepping U tot glorie strekt, en heel Uw Kerk, verlost van zonde en pijn, tot 't eeuwig Hallel om U is ge schaard
Gouderak, 29 Mei '32.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's