De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

4 minuten leestijd

HET KERKELIJK VRAAGSTUK. (2)
Prof. Grosheide zegt : „Toch is dat niet het laatste woord''. Er is nog wel iets nader te zeggen inzake het kerkelijk probleem in Nederland.
„Wanneer alle Gereformeerden nu maar in één kerkelijk verband samenleefden, èn indien er ook bij ons niet veel was, dat anders moest zijn" — ja, dan konden we zeggen : we zijn er !
Maar zóó staan de zaken niet. Met alle Gereformeerden, die uit dezelfde belijdenis wenschen te leven en die in dezelfde verhouding tot de Heilige Schrift staan en allen willen ijveren voor een Gereformeerd kerkelijk leven — lang niet alle Gereformeerden leven in één kerkelijk verband samen. En in de Gereformeerde Kerken is ook lang niet alles zooals 't wezen moest.
„Ook bij ons is veel, dat anders moest zijn. Wij zijn niet altijd ontkomen" — aldus prof. Grosheide — „aan het gevaar van zelfgenoegzaamheid. Ook bij ons is schuld. We vervalschen telkens ons eigen karakter. Zoo b.v. wanneer we zeggen, dat we niet Hervormd zijn „omdat er in de Hervormde Kerk ook modernen en ethischen zijn".
„We zijn Gereformeerd, omdat tot twee malen toe een poging tot reformatie is mislukt en men onze vaderen uitgebannen heeft".
„Dat is een punt van beteekenis". Dan gaat prof. Grosheide aldus verder :
„Een tweede tekortkoming is, dat we ons telkens vergissen inzake den feitelijken toestand. Als wij Gereformeerden, de eenige Kerk in Nederland waren, zouden we zoo iets zijn als een klein Christenkerkje op Midden-Java. Dat wij zijn, die we zijn, komt omdat er in Nederland óók Hervormden, Lutherschen, zijn. Maar als dat zoo is, mogen wij niet doen alsof we de eenigen zijn, dan hebben we ook met die anderen te rekenen".
„Verder — als we de wettige voortzetting zijn van de oude Gereformeerde Kerken in Nederland, zooals we het gelooven te zijn, dan komt ook de schuld dier Kerken voor onze rekening. Dan hebben ook wij ons schuldig te kennen aan de verslapping, die kwam in de 18de eeuw, waarvan we juist in onzen tijd de droeve gevolgen al meer ondervinden".
„Maar we hebben ook schuld in het heden. Er gaat weinig werfkracht van ons uit. De menschen hebben héél wat op ons gebrek aan ware vroomheid, leerheiligheid, leven naar de buitenzijde. Nu weet spreker wel, dat er op die beschuldigingen nog wel iets af te dingen is ; maar er is oorzaak ; stof tot roemen Irebben we niet. En indien dat zoo is, kan ons streven naar eenheid niet opgaan in een roepen tot allen, die Gereformeerd zijn : „Komt gij maar naar óns !"
Als de zaken zóó staan, komt de practlsche vraag : wat kan er nu worden gedaan ? Daarbij stelt prof. Grosheide voorop, „dat we na niet in de eerste plaats moeten vragen, wat hebben anderen te doen, doch wat zouden wij, (dat zijn dus de Gereformeerde Kerken) kunnen doen".
Wanneer wij iets willen doen, moeten wij altijd aansluiten bij den feitelijken toestand. En de feitelijke toestand is : a. dat er in Nederland naast de Gereformeerde Kerken andere staan, die er zijn en er zich niets van aantrekken, hoe de Gereformeerde Kerken over hen oordeelen ; b. dat niet alle Gereformeerden leven in één Kerkverband.
Onze Gereformeerde Vaderen hebben óók rekening gehouden met allen, die buiten de Gereformeerde Kerk leefden en erkenden b.v. den Doop. Wij hebben óók te erkennen — aldus prof. Grosheide — dat er buiten de Gereform. Kerken nog „Kerk" is. Dan kan er ook in vele dingen een band gelegd worden tusschen alles wat „Kerk" is, om saam b.v. te gaan staan tegenover wat niet-Kerk is. „Practisch houden we daar ook rekening mee, dat er buiten de Gereformeerde Kerken ook nog „Kerk" is. In de Zending werken onze Kerken (aldus prof. Grosheide) zelfs met vereenigingen samen, als we praten over verdeeling van terrein en mee het Zendingsconsulaat gebruiken en onderhouden. Spreker zou er geen bezwaar tegen hebben, indien in onze groote steden, waar we staan tegenover de macht van het ongeloof, voor de Evangelisatie het terrein werd verdeeld. Er is ook hier niemand, die alles kan doen, wat èr gedaan moet worden. Spreker zou er pok geen bezwaar tegen hebben, indien onze Generale Synode deputaten had, die gemachtigd waren — wat hij nu maar zal noemen : algemeene christelijke zaken, als bij het uitschrijven van een nationalen bededag, met anderen in verbinding te treden. Dat dit ook bij de heele verhouding van Kerk en Staat wenschelijk en mogelijk is, heeft hij indertijd in „de Reformatie" pogen uiteen te zetten". (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's