VRAGENBUS
Vraag: Wat beteekent 't geen de apostel schrijft : „het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der Kinderen Gods" (Rom. 8 vers 19 ?
Antwoord : De Apostel heeft hier 't oog niet op de menschen, maar hij bedoelt de onredelijke schepselen. Heel de natuur is ontwricht, wat alles samenhangt met onze zonde, in het paradijs bedreven. Er gaat een vloek door alles heen. En hemelgewelf, zon, maan en sterren, de aarde en al wat er op is en al wat er in is — het lijdt alles mee om der zonde wil; en het zucht alles en hijgt als 't ware naar de vrijmaking en verlossing, die eenmaal komen zal, als Gods kinderen in heerlijkheid zullen geopenbaard worden. Dan zal ook de schepping door vuur gelouterd v/orden. Dan zal alles Gode worden geheiligd. Dan zal geopenbaard worden de nieuwe hemel en een nieuwe, gelouterde, geheiligde aarde, waarop gerechtigheid wonen zal. Dan zullen alle dingen nieuw zijn en God zal zijn alles in allen.
Naar die heerlijke toekomst, naar die vrijmaking en verlossing, die door Christus is aangebracht en aan Gods kinderen zal worden geopenbaard, verlangt het geschapene. Het ziet er zuchtend, hijgend in sterk verlangen, naar uit. Als de ure der verheerlijking van Gods kinderen komt, zal ook de schepping deelen in hunne heerlijkheid en vrijgemaakt worden van allen vloek en alle ellende.
En Gods volk zegt: „Wij verwachten nieuwe hemelen en een nieuwe aarde". Het komt. En toeft het al — laat Sion het verbeiden, want het zal gewisselijk komen. De Heere heeft het beloofd en in Christus ligt het vast ! Het gaat naar een nieuwe toekomst, die des Heeren is, waarin ook de schepping deelen zal.
Vraag: Wat beteekent de uitdrukking „kinderen der ongehoorzaamheid", door Paulus gebruikt in Col. 3 vers 5 ?
Antwoord : Paulus spreekt hier van zondaren, die de zonde liefhebben en in de zonde leven. En zonde is ongehoorzaamheid. Het geldt hier dus menschen, die leven in ongehoorzaamheid tegenover God.
Ze zijn vervuld met een geest van ongehoorzaamheid. De geest van ongehoorzaamheid heeft ze geheel in beslag genomen, beheerscht ze geheel en al. Ze zijn slaven van dien geest der ongehoorzaamheid en wonen in haar huis, krommen zich in haar dienst. Die geest der ongehoorzaamheid heeft ze gebaard, 't zijn kinderen, producten, voortbrengselen v^n dien geest. En waar de ongehoorzaamheid de moeder is, zijn zij „kinderen der ongehoorzaamheid".
Het is dus een beeldsprakige uitdrukking, waarbij de geest der ongehoorzaamheid gedacht wordt als de moeder, en de ongehoorzamen, die in de zonde leven, beschouwd worden als de uit haar geboren kinderen.
Vraag: Hoe kan de onrechtvaardige rentmeester verstandig en voorzichtig genoemd worden en daarvoor worden geprezen door den Heiland ?
Antwoord : Men moet er acht op geven, dat we in Lucas 16 met een gelijkenis te doen hebben. De Heiland teekent ons, dat de handige, geslepen rentmeester, die onrechtvaardig gehandeld heeft en daarvoor straf oploopt, zich er als een geslepen vos weet uit te redden ; althans zich zelf zooveel mogelijk voordeel weet te bereiden.
Zóó moeten de kinderen des lichts óók doen. Niet natuurlijk de slechte daden van den rentmeester nadoen, maar ze moeten geestelijk meer berekend zijn. De kinderen der wereld kunnen hierin hun tot voorbeeld zijn ! Onder z'n soortgenooten was de rentmeester een verstandig en voorzichtig man.
Hij haalt nog heel wat geld en goed en gunst van menschen binnen ! In zijn genre is hij verstandig en voorzichtig Natuurlijk is dat voor ons een verdachte verstandigheid en voorzichtigheid, 't Is een „voorwaardelijke" verstandigheid en voorzichtigheid, 't Zou zeker zonder schromen verstandig en voorzichtig kunnen genoemd worden, als er niets anders bestond dan geld en goed en eer van menschen. Maar ach, wat baat tenslotte het goed der wereld ? Wat kunnen we, als het er op aan komt, met eer van menschen doen ? Niets.
En daarom moeten de kinderen des lichts aan den onrechtvaardigen rentmeester in zooverre een voorbeeld nemen, n i et om te werken om geld en goed en gunst van menschen — maar om even gespannen als hij zijn aandacht zette op tijdelijke winst, de aandacht des harten te zetten op geestelijke winst. Heel de spanning der ziel moet zijn om allerlei te bedenken, waardoor wij geestelijk voordeel kunnen behalen ! We moeten niet onverschillig zijn voor den geestelijken groei van ons leven. Want dan verarmen we. Dan gaan we geestelijk dood; dan lijden we geestelijk armoe ; dan zullen we van gebrek omkomen, onze ziel zal dan schade lijden, onze geest zal mager worden, we zullen verachteren in de genade. ( Is dat gevaar denkbeeldig ? Dreigt het niet, dat we geestelijk veel te „makkelijk"! zijn en dat ons geestelijk kapitaal daardoor! achteruit gaat en geen behoorlijke rente afwerpt ?
We moeten geestelijk zinnen op allerlei middelen om geestelijk te groeien en om geestelijk rijk te worden, opdat we geestelijk niet als landloopers ronddolen, te veel hebbend om te sterven, te weinig om te leven.
Verteren we geestelijk onze krachten niet in onbedachtzaamheid ?
Laat ons een voorbeeld nemen aan den onrechtvaardigen rentmeester. Neen — niet om de onrechtvaardigheid na te doen. Maar om als kinderen des lichts even handig en voorzichtig te zijn en geestelijk te veroveren wat er te veroveren is. We moeten verstandig en voorzichtig als kinderen des lichts uit het leven weten te halen wat er te halen is, opdat onze ziele welvare en we met de vromen mogen komen straks in de hemelsche zalen, tot verzadiging met vreugd.
Laat ons niet spelen met de zonden.
Laat ons volijverig zijn ais kinderen des lichts, den tijd uitkoopend tot zegening voor onze ziel, tot vreugd en rijkdom van ons leven.
Vraag: Kan men ons beschuldigen, dat wij gelooven op gezag, en moet dat veroordeeld worden ?
Antwoord: De Roomsche Kerk vraagt van „de leeken" een blind geloof, een gelooven op gezag van wat de priester, de Kerk, leert. De priester staat krachtens het sacrament der priesterwijding boven de leeken en de priester (de Paus) heeft maar te spreken, voor te zeggen, te leeren en te bewijzen — en de leeken moeten volgen, blindelings aannemen, toestemmen, gelooven. Zij gelooven aan de Kerk, aan den priester, en zoo staat het geloof buiten het hart en is gegrond op het gezag van een mensch.
Maar het Gereformeerd Protestantisme leert anders. De Gereform. Kerk brengt het Woord, zijnde Gods Woord ; het Evangelie van Jezus Christus, zijnde het Evangelie der Schriften, opdat wij het eeuwige leven zouden ontvangen.
En nu leert de Gereformeerde Kerk niet, dat wij maar hebben te gelooven alles wat in den Bijbel staat — zonder meer. Want dat is een historisch geloof, een verstandsgeloof, een begrippen-geloof, een redeneergeloof, een woorden-geloof.
Maar met onzen Catechismus spreken wij van „een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt" (Zondag 7) en met onze Nederl. Geloofsbelijdenis zeggen we : „Wij gelooven de Schriften niet zoozeer, omdat de Kerk dezelve aanneemt en voor zoodanig houdt, maar inzonderheid omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn; en dewijl zij ook het bewijs daarvan bij zichzelven hebben" (artikel 5).
Zoo is volgens het Gereformeerd Protestantisme het geloof het zaligmakend geloof dat met Christus en al Zijne weldaden vereenigt, door Gods Geest, Die het in onze harten werkt door de verkondiging van het heilig Evangelie en het sterkt door het gebruik der Sacramenten (Zondag 25).
Vraag: Hoe kan het waar zijn, dat Jesaja den Heere gezien heeft, wijl God een Geest is en Hij onzichtbaar is ?
Antwoord : Jesaja zegt: „ik zag den Heere" (Jes. 6 vers 1). De profeet wordt binnengeleid in het paleis van Gods heerlijkheid en hij nadert ontroerend dicht tot den Heilige Israels. Hij kan zeggen : ik zag den Heere. Hij hoorde niet alleen Zijn Woord, hij zag niet alleen Zijn daden, maar hij zag den Heere Zelf. Natuurlijk niet in Zijn goddelijk Wezen. Niet in Zijn Godheid, want niemand heeft ooit God gezien. Maar in de openbaring, in de gestalte, in de uitstraling van Zijn heerlijkheid en majesteit. Het goddelijke vertoont zich in zienlijk-aardsche vormen. De geestelijk hemelsche wereld neemt een zichtbare gestalte aan. Hij ziet engelen, die Gods troon omringen en die tegelijk met hun lied God in het middelpunt van alles zetten, 't Gaat om God. En Jesaja mag Hem zien in de openbaring en uitstraling van Zijn heerlijkheid en majesteit — wat de profeet nooit vergeten heeft. Zoo is het waar : niemand heeft ooit God gezien. Dat kan ook niet. En toch mag Jesaja zeggen : ik zag den Heere. Onvergetelijk. Heerlijk.
In de eeuwigheid zullen al Gods kinderen de heerlijkheid des Heeren zien en verzadigd worden. (Psalm 17 vers 15).
Vraag: Wat beteekent hetgeen we lezen in Jesaja 8 vers 16 ?
Antwoord : Jesaja 8 vers 16 luidt: „Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijne leerlingen". De profetieën, door Jesaja geschreven, zijn niet aanstonds gepubliceerd voor den breederen kring zijner tijdgenooten, maar bewaard in den engeren kring zijner geestverwanten. Later mochten ze pas bekend gemaakt worden — zooals bij woorden en wonderen van den Heiland ook zoo nu en dan staat: „vertel het niet".
Later zou het wel bekend worden ! Vraag: Wat zijn de Epicureïsche en Stoïsche wijsgeeren, die in Handelingen 17 vers 18 genoemd worden ?
Antwoord : De Epicureërs leerden dat men niet van de goden mocht verwachten dat zij zich veel met de menschen zouden bemoeien. De goden zijn zalig : dus bemoeien zij zich niet met ons. Immers als zij zich met ons bemoeiden, zouden zij niet zalig kunnen zijn ! Bij de goden dus een zekere mate van onverschilligheid; „laat maar waaien". De menschen moeten zich dan maar zoo goed mogelijk er door slaan en zich niet al te zeer van de dingen aantrekken. Genieten wat er te genieten is ; maar verstandig, anders raakt de mensch zijn evenwicht kwijt. Met weinig genot tevreden zijn, is wijs. Men moet zich wat vermogen zien te verwerven en zich verder maar niet al te veel van de dingen aantrekken.
De Stoïcijnen zijn wat ernstiger dan de Epicuristen, maar staan even ver van de grondgedachte van het Christendom af. Ze waren fatalisten ; of liever: deterministen: al wat de toekomst in zich bergt, komt op z'n tijd ; er is geen toeval ; wat komt, moet komen ; 't is van te voren vastgesteld en in elkaar gezet : vreugd en smart. Hier is geen plaats voor den mensch voor eenige zelfstandigheid of verantwoordelijkheid. Als iets er is, dan is het er ; als het er niet is, dan is het er niet. De mensch kan er toch niets aan doen. De mensch is een stukje van het raderwerk ; een marionet. Klagen is beneden de waardigheid van den wijze ; alleen een zot klaagt. De mensch moet zich onafhankelijk stellen van de dingen en met zijn wil het leven beheerschen ; ook zijn begeerte beheerschen. Lust noch onlust mogen zijn doel bepalen. De Stoïcijnen hadden een groote mate van zelfvoldaanheid. Men moet kunnen ontberen en daarin moet men z'n levensgeluk vinden.
De Stoïcijn is de man van de onthouding, van de strenge tucht. De Epicurist is meer de man van het genieten van de goederen des levens.
Noch de een, noch de ander vond den weg der verlossing en der zaligheid.
De Grieksche filosofie was van den weg van het denken overgegaan op den weg van de levensleer — maar nu moest het Evangelie komen met de boodschap des heils.
Vraag : Wat beteekent de uitdrukking: „de Heere zal een afgesneden zaak doen op aarde"?
Antwoord: Gewoonlijk gebruikt men deze bekende spreekwijze verkeerd. Men gebruikt haar dan zóó, alsof deze woorden beteekenen : „eerst als het geheel hopeloos is, gaat de Heere werken". Als een verloren zondaar moet men niets, niets meer over hebben gehouden dan komt de Heere te hulp en schiet toe, om redding te geven.
Die deze woorden „de Heere zal een afgesneden zaak doen op aarde" zóó gebruiken, begrijpen deze Schriftuurlijke uitdrukking verkeerd. Sla Rom. 9 vers 28 maar eens op. Daar vinden we in onze Statenvertaling die uitdrukking „de Heere zal een afgesneden zaak doen op aarde", en daar beteekent 't volstrekt niet : de Heere zal een arm verloren zondaar, die geheel afgesneden is, ter hulpe snellen. Het gaat over een geheel andere zaak. Lees de geschiedenis van Rom. 9 maar eens ! „De Heere zal een afgesneden zaak doen op aarde" wil in Rom. 9 vers 28 zeggen : wat God voorzegd heeft komt Hij ook doen, en Hij laat die zaak dan niet half afgewerkt liggen, maar Hij maakt die zaak radicaal af.
Het beteekent dus : de Heere maakt Zijn werk af. Het beteekent in Rom. 9 vers 28 dat God kort en bondig en radicaal zal afmaken wat Hij dreigend heeft toegezegd. De Heere vervult en voltrekt, wat Hij gesproken heeft. De Heere maakt Zijn werk af en laat het niet half afgewerkt en onvoltooid liggen. „De Heere houdt niet midden in Zijn werk op — reken daar niet op", zegt Paulus. Wat zoo verschrikkelijk is voor Israël, dat ongehoorzaam zich betoonde, omdat de oordeelen niet halverwege zullen gestuit worden. Neen, wat God doet dat doet Hij radicaal dat doet Hij geheel, dat maakt Hij af en laat het niet halverwege zitten.
Men kan op God rekenen — Hij doet wat Hij gezegd heeft — en Hij doet het radicaal, geheel, zoodat Zijn werk af is.
Vraag: Wat beteekent: „het is lichter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods"? (Matth. 19 vers 24).
Antwoord : Hier zijn twee dingen, die de aandacht trekken. Ten eerste „de rijke en het Koninkrijk Gods" en ten tweede „de kemel en het oog van eene naald".
Over die kemel en over dat oog van eene naald is ai heel wat gefantaseerd. Men heeft van die kemel wel eens een kabeltouw willen maken. En men redeneerde dan : zoo onmogelijk als het is dat een kabeltouw door een oog van een naald, enz. Maar er staat niet „kabeltouw", er staat eenvoudig en klaar „kemel", wat hetzelfde is als „kameel". Van dat „oog van eene naald" heeft een kleine poort in Jeruzalem willen maken, zóó klein en zóó laag, dat een kameel er alleen kruipend door kon. Maar dat is louter fantaseeren.
De Heiland gebruikt eenvoudig een beeld of spreekwijze — zooals wij dat ook zoo dikwijls doen — om iets, dat o ! zoo moeilijk, ja, schier onmogelijk is, aan te duiden.
Een kameel kan nog makkelijker door een oog van een naald gaan — zegt de Heiland — dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods. Het is dus beeldspraak — waaraan we niets moeten veranderen en waarbij we niet moeten fantaseeren — om daardoor te kennen te geven, dat iets in zich zelf onmogelijk, absoluut, radicaal onmogelijk is ! En wat is dan onmogelijk ?
„Dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods". Is dat absoluut onmogelijk ? Is het radicaal onmogelijk, dat een rijke ingaat in het Koninkrijk Gods en Gods kind genaamd wordt, erfgenaam der zaligheid ?
Hier voelen we dadelijk — dat we voorzichtig moeten zijn en dat we deze geschiedenis in haar verband moeten nemen.
Want het is gelukkig niet onmogelijk, dat iemand, die rijk aan geld is, een kind van God mag worden genaamd.
Maar de geschiedenis van Matth. 19 spreekt ons van den rijken jongeling, die z'n hart zóó aan z'n geld verpand heeft, dat hij daarmee leven en sterven wil. En nu wil de Heiland zeggen : makkelijker kan een kameel door het oog van eene naald gaan, dan dat een rijke, die z'n geld tot een afgod heeft, het Koninkrijk Gods inga.
Zóó moeten we Matth. 19 vers 24 lezen, om te voelen, dat de Heiland hier bedoelt te spreken, over een totaal onmogelijke zaak, n.l. dat een rijke, die z'n geld misbruikt en Mammon dient, zal zalig worden.
Eer zal een kameel door het oog van een naald gaan — en dat is absoluut onmogelijk — dan dat een rijkaard, die een gierigaard en afgodendienaar is, door de poorte der gerechtigheid ingaat, om God te ontmoeten tot vrede en zaligheid.
Als we onbekeerd en verhard van hart de zonde dienen, liefhebben en vasthouden, zullen we het Koninkrijk Gods niet beërven. Het is absoluut onmogelijk ! Jezus Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven, niemand komt tot den Vader dan door Hem.
En bij Hem is geen onderscheid tusschen armen en rijken. Hij ontvangt Nicodemus evengoed als dat Hij met blijdschap spreekt over den armen Lazarus, die gedragen wordt door Engelen in Abraham's schoot.
Vraag : Is het waar, dat de Roomschen leeren „het doel heiligt de middelen" ?
Antwoord : De Roomsche zegt : dat is niet waar. Maar nu moeten we hier speciaal denken aan de Jezuïeten. En ja, dan kan men van Roomsche zijde zeggen : ook de Jezuïeten hebben dat niet geleerd. Waar in de Roomschen, letterlijk genomen, gelijk hebben. Want deze uitspraak „het doel heiligt de middelen" vindt men als uitspraak niet bij de Jezuïeten, maar ze leeren het wel. Woordelijk vindt men deze uitspraak dus niet in hun boeken.
Maar de zaak als zoodanig — en daarom gaat het toch — vindt men ongetwijfeld bij de Jezuïeten. Men leert to.v. dat men een kleinere zonde mag doen om een grootere te voorkomen. Men mag iemand vermoorden als er daardoor grooter onheil kan worden voorkomen (moord op Prins Willem). Het doel beslist. Bedoelt men iets goeds, dan mag men iets kwaads doen. Wat is dat nu anders dan „het doel heiligt de middelen"?
Het internationalisme is een van de grondzuilen van de Jezuietenmoraal: met het doel wordt gerekend.
Op de daad wordt minder gelet, het doel geldt alleen. Naast het intentionalisme (met het doel wordt gerekend) staat in de Jezuieten-moraal : de reservatiomentalist of het geestelijk voorbehoud. Hieronder verstaat men, dat men een andere bedoeling mag hebben bij het gebruiken van woorden, welke bedoeling men dan „voor zich zelf houdt". Zoo kan men een bedoeling geven aan woorden, die ze eigenlijk onmogelijk kunnen hebben, maar die men er dan voor zich zelf bij denkt en inlegt. Zoo kan men liegen, als men voor zich zelf dan maar denkt aan de waarheid. Dat is de onoprechtheid en valschheid en geslepenheid in de hand werken en maakt elk eerlijk omgaan met elkaar onmogelijk.
De derde grondstelling van de Jezuietenmoraal is : het Probabilisme. Dat is de stelling, dat elke handeling of zedelijke daad des menschen een waarschijnlijkheidsgrond moet hebben, waardoor de daad gedekt is. Als men dus maar een woord of aanwijzing van een of ander geestelijke heeft, die de daad zoogenaamd aannemelijk kan maken, dan is men klaar ; ook al is de daad zelve niet goed. 't Komt er dus minder op aan wat de consciëntie zegt: men kan zelfs tegen de consciëntie ingaan, als men maar een woord of aanwijzing van een geestelijke heeft tot dekking, waardoor er een waarschijnlijkheidsgrond (een schijngrond) kan worden aangegeven voor de daad. Hierdoor wordt de zenuw van de waarachtige zedelijkheid doorgesneden ; en het wordt noodzakelijk altijd bij een Jezuietenleeraar om raad te komen vragen en zoo een „gemaakte" oorzaak voor de daad te krijgen.
De hoofdeisch der orde is blinde gehoorzaamheid. De Jezuiet moet zich zóó volkomen willen onderwerpen aan zijn meerderen „alsof hij een lijk ware" (perinde ac cadaver). Deze „cadaver-gehoorzaamheid" wordt eerst na langdurige geestelijke oefening verkregen. Een strenge geestelijke dressuur kenmerkt de Jezuieten-orde. Een Jezuiet heeft geen eigen oordeel meer. Hij is een willoos instrument van de Kerk, van den paus, geworden.
Vraag: Wat beteekent het, als Paulus van de Atheners getuigt: „die alleszins gelijk als godsdienstiger zijt". (Hand. 17 vers 22) ?
Antwoord : Paulus staat op den Areopagus — eigenlijk : „heuvel van Ares of Mars" — dus een plaats, die oorspronkelijk gewijd was aan een van de Grieksche afgoden. Daar kwamen de filosofen of wijsgeeren samen, om met elkaar te spreken, en ook vreemdelingen, die wat te zeggen hadden, in 't openbaar aan te hooren. Vooral de Epicureïsche en Stoïsche wijsgeeren (zie vers 18) vielen Paulus aan en zeiden : wat heeft die praatjesmaker eigenlijk te vertellen ? En anderen zeiden : hij schijnt een prediker van vreemde goden te zijn. De wijsgeer van het Kruis, Paulus, neemt dan het woord tegenover de Grieksche wijsgeeren. Hij begint met te zeggen, dat hij op een wandeling door de stad gemerkt heeft, dat de stad Athene zoo zeer afgodisch was ; dat er zoovele afgoden gediend werden; dat de stad vol altaren stond ; zelfs was er een altaar voor „een onbekenden God" (vers 23). En dat doet Paulus getuigen : „overal bemerk ik, dat gij buitengewoon godsdienstig zijt".
Als zóó de woorden in vers 22 gelezen worden, is dat eenigszins duidelijker, dan wanneer er staat in onze Staten-Vertaling: „die alleszins gelijk als godsdienstiger zijt". Ze waren buitengewoon godsdienstig, dat bleek wel uit alles.
Tegenover de Grieksche wijsgeeren gebruikt Paulus dan verder een woord, dat door een van de Grieksche filosofen zelf gezegd is en wel „dat de mensch van Gods geslacht is". Dat is een woord van Cleanthes, een leerling van den Stoïcijn Zeno. Die heeft getuigd : „Wij stammen van U af, o Machtigste der onsterfelijken, eeuwige Heerscher ; Schepper der Natuur". Waar nu de Grieksche wijsgeeren hebben gevoeld „van Gods geslacht te zijn", en daarbij te midden van de stomme afgoden terecht gekomen zijn, die worden voorgesteld als goden van hout, van goud of zilver — zoo predikt Paulus den levenden God, Schepper van hemel en aarde. Die straks onze Rechter zal wezen.
Alle volkeren, alle inwoners der aarde (vers 26) trekt Paulus in zijn prediking als voor het aangezicht van den Eénen waren God en hij roept zijn hoorders op, om zich tot den levenden God te bekeeren. Die straks de wereld oordeelen zal „door een Man, dien Hij daartoe bestemd heeft"; zijnde Jezus Christus, Die uit de dooden was opgewekt, (vers 31).
Maar toen ze hoorden van opstanding der dooden, spotte de een, en zeide de ander : daarover zullen we u later wel hooren !
Zóó ging Paulus van hen weg. Toch sloten eenige mannen zich bij hem aan, en geloofden ; waaronder Dionysius de Areopagiet (een lid van het gerechtshof, dat op den Areopagus vergaderde) en een vrouw Damaris ; en anderen met hen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's