De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

10 minuten leestijd

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden). XVI.
De samenhang, die er tusschen de schepselen heerscht, legt ons eene ontroerende verantwoordelijkheid op. Daarom toch heeft al wat wij doen, al wat wij zeggen en dus ook al wat wij denken, eene veel verder strekkende beteekenis dan onze eigene kleine menschelijke persoonlijkheid. Het is ook daarom, dat er ons gezegd kan worden tot vermaning, dat hetgeen in het verborgen geschiedt, op de daken zal worden gepredikt. Wat wij doen, grijpt verre over de grenzen van het persoonlijke. Niets staat op zichzelf en niemand. En al wat er van ons uitgaat, heeft zijne werking in onze omgeving, oefent invloed op den gang der dingen niet alleen, maar beteekent ook iets voor andere menschen.
Het is te betreuren, dat de menschen in liet algemeen, de groote denkers en schrijvers, de kunstenaars en de geestelijke leiders der volken, daarmede weinig, of in het geheel niet rekenen. Meestal openbaren zij hetgeen zij aan hunne tijdgenooten te geven hebben of geven willen, zonder er bij stil te staan, dat hun woorden gevolgen hebben voor elk, die er mede in aanraking komt. En dat die gevolgen goed, maar ook onnoemelijk veel kwaad kunnen doen. En dat zelfde geldt van ieder mensch, ook van den nederigste en laagst geplaatste. Hij ook heeft er toch altijd nog om hem heen, voor wie hij iets beteekent, ten goede of ten kwade. Dat geldt voor den vloeker en voor hem, die vuile rede uit zijn mond doet gaan, voor den spotter en den lichtzinnige, zoowel als voor den man of de vrouw, die bidt om het heil en de redding van dierbaren, die in onbekeerlijkheid ronddwalen. Zou daarom de Heere niet gezegd hebben, (lat wij van elk ijdel woord zullen rekenschap geven?
En dit is nu zoo treffend in de woorden van den psalmist, dat hij toont ook in de natuur dien wonderen samenhang te ontdekken, die ook in onze menschelijke geschiedenis in haar geheel, zoowel als in die van ieder menschenleven, zulk eene groote beteekenis heeft. „De dag aan den dag", zoo zegt hij, „stort overvloediglijk sprake uit". In dichterlijke sprake geeft hij uiting aan zijn diep inzicht in hetgeen de hemelen hem verkondigen, in hetgeen zij te aanschouwen geven, want hij verpersoonlijkt den dag zoowel als den nacht. Zij volgen elkander op in onverbroken regelmaat en zij zijn voor hem niet maar ledige tijdsbestekken, waarin nu eens het licht, dan weer de donkerheid heerschappij voert, maar hij beschouwt ze als bewuste, handelende wezens. Deze dichter stond dicht bij de volkerenwereld, die de gewoonte had dagen en nachten als personen te waardeeren. Hadden de volkeren niet goden, die zij vereenzelvigden met de dagen en de nachten ? Zie, hoe geheel anders de dichter deze dingen ziet. Ook hij verpersoonlijkt ze, maar maakt ze niet tot goden, doch zij zijn hem als de levende momenten, die in het groot geheel der geschiedenis de taak vervullen van de verbinding te scheppen, van de verenigende schakels te zijn in het steeds voortgaand proces van wording.
Voor ons menschelijk bewustzijn gaat, krachtens den bouw van het heelal, de tijd voor ons uiteen in den dag en in den nacht. Dag en nacht zijn de beide vormen, die den tijd voor ons indeelen. Reeds Mozes heeft de openbaring hem gegeven aangaande het eerste worden dezer schepping, moeten spreken van dag en nacht. Toen God zeide: "daar zij licht!" en het licht werd, toen was met dat licht de duistere schaduw ook gegeven. De Heere schiep het licht zóó, dat Hij daarin ook scheiding maakte tusschen het licht en de duisternis. En Hij was het zelve, die het licht dag en de duisternis nacht heeft genoemd. God heeft wel gezegd : „daar zij licht!", maar er staat niet geschreven dat Hij ook gezegd heeft : „daar zij duisternis". Met de schepping des lichts was er ook de voorwaarde voor de duisternis. En zoo lag het dus voor de hand, dat God zijn knecht Mozes in deze, in de schepping zelve gegronde maat des tijds. Zijne scheppende daden heeft geopenbaard, opdat hij Zijn volk zou doen verstaan, hoe het leven, dat het van God ontvangen had, niet alleen daarom geschonken was, dat de mensch er mede zou eindigen in zichzelven, maar hoe hij er mede tot zijn God zou moeten wederkeeren. De dagen der schepping leiden dan ook tot den zevenden dag, dien God op bijzondere wijze gezegend en geheiligd heeft, opdat Hem bij monde van den mensch, die naar Zijn beeld geschapen werd en dus het hoofd der schepping is, de lof en de eere, de prijs en de dankzegging van Zijne schepping zal worden toegebracht. En zoo wordt dan ook in de Wet des Heeren geboden : gedenkt den sabbathdag, dat gij dien heiligt. Na de zes dagen van arbeid komt de zevende dag als de sabbath des Heeren uws Gods. Zooals er zes dagen zijn, waarin God Zijn scheppend werk volbracht, om daarna te rusten ten zevenden dage, zoo zegent de Heere den sabbathdag en heiligt dien, opdat ook Zijn volk, ruste smakend van den dagelijkschen arbeid, de ware rust zal vinden in zijnen God. De zevende dag verschijnt dus in de Schrift als die dag, van welken Gods licht uitgaat over de zes dagen, waarin gearbeid wordt. De sabbath stelt alle andere dagen in een eeuwig licht, heft het gansche leven op in den glans, die afstraalt van het goddelijk aangezicht.
Daaruit blijkt dus onmiskenbaar, dat er in de Schrift tusschen de dagen een band is gelegd, dat niet elke dag op zichzelf staat, maar dat zij allen heen wijzen naar den sabbath en daarmede naar de verheerlijking Gods. Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat de dagen niet van elkander onderscheiden zijn. Zij zijn wel onderscheiden door de onderbreking der nachten, maar zij zijn niet van elkander af te scheiden. Als de Heere Jezus dan ook waarschuwt tegen de ziekelijke bezorgdheid, die de menschen kwelt en Hij ons oproept allereerst Gods Koninkrijk te zoeken, dan vermaant Hij toch niet bezorgd te zijn tegen den morgen : „want de morgen zal voor het zijne zorgen ; elke dag heeft genoeg aan zijns zelfs kwaad". Doch dan ligt ook daarin niet opgesloten, dat er geen samenhang is tusschen heden en morgen, maar wel, dat de ziekelijke bezorgdheid ons verleidt om onze macht en ons vermogen verder uit te strekken over de toekomst van morgen, dan God ons toegemeten heeft. Dan wijst Hij dus als ongeoorloofd af eene toeëigening van een morgen, dien wij uit Gods hand trachten te nemen, hoewel wij hem toch in de onze niet kunnen houden. Daarin wordt dus bestraft een eigenmachtig nemen uit Gods hand van het geen ons nog niet beschoren werd. Doch daarmede wordt dus allerminst bedoeld, dat er geen samenhang is tusschen onze dagen. Integendeel, Hij leert juist, dat de dag van morgen het zijne wel zal meebrengen uit hetgeen er heden reeds is. Slechts hiertegen gaat Zijn vermaan, dat wij niet een geheel verkeerd verband zullen leggen tusschen heden en morgen, door morgen reeds zóó in het heden te betrekken, alsof hij reeds gekomen was.
In Gods Woord ligt er dus een verband tusschen de dagen, die ons geschonken worden. En het eeuwig licht, waarvan de Sabbath getuigt, legt ons voor al deze dagen saam en dus voor al wat wij door eene ontroerende verantwoordelijkheid op voor ons gansche leven. Omdat er die samenhang is, die het gansche leven van den enkeling als een geheel stelt, die tenslotte ook het gansche leven der menschheid in zijne eenheid begrijpt, kon de apostel tot de Atheners zeggen, dat God een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem recht vaardiglijk zal oordeelen. En daarom zegt hij elders: „Eens iegelijks werk zal openbaar worden, want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig een iegelijks werk is, zal het vuur beproeven". En de uitkomst dezer beproeving beslist over het loon, dat hij ontvangen zal. Het leven heeft dus alzoo een hoogeren zin dan de aardsche dingen, ontleent aan dat eeuwige zijn waarde niet alleen, maar ook zijn samenhang in den tijd. Bilderdijk gaf daaraan uiting in zijn bekend lied : „In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal". En het is die samenhang in het levensgeschieden, dien de Psalmist, door goddelijk licht bestraald, kon lezen in de hemelen boven hem, als zij hem onthulden de opeenvolging niet alleen, maar ook den samenhang van dagen en nachten beide. De dagen volgen elkander op in onbreekbare orde. In het lied van Asaph wordt Gods scheppend werken geloofd, als hij zingt: „De dag is uwe, ook is de nacht uwe". En in hoogere eenheid vat David dag en nacht beide, als hij zegt: „de duisternis zal mij immers bedekken ; dan is de nacht een licht om mij. Ook verduistert de duisternis voor U niet, maar de nacht licht als de dag, de duisternis is als het licht". Zoo is er dus door Gods scheppende daad zelve een onverbreekbare band gelegd tusschen de dagen en de nachten beide. En het is die eenheid, die al het wordende saamsnoert, die de dichter ontdekte bij het aanschouwen van hetgeen de hemelen onthullen voor zijne oogen bij dag, als de zon hare lichtzee doet uitgolven door het heelal, en bij nacht als het firmament zijne wondere schoonheid openbaart. Zoo heeft ook de dichter van den 104 en Psalm het diepgaand onderscheid en den samenhang tevens van nachten en dagen doorvoeld, als hij van God zegt, dat Hij de maan heeft gemaakt tot de gezette tijden, en van de zon verklaart, dat zij weet van haren ondergang. En dan vestigt hij onze aandacht op de beteekenis, die de nacht heeft voor het leven en de levende wezens op deze aarde. „Gij beschikt", zoo zegt hij, „de duisternis en het wordt nacht". En in dien nacht treedt al het gedierte des wouds uit; de jonge leeuwen brieschende om roof en om hunne spijze van God te zoeken. En als de zon opgaat, en dus de dag aanbreekt, dan maken zij zich weg en liggen neder in hunne holen. En dan komt de mensch, die uitgaat tot zijn werk en naar zijnen arbeid tot den avond toe. En dan ziet de dichter daarin den treffenden samenhang des levens, dien de Schepper in dit alles legde en hij geeft uiting aan zijne bewondering voor de wijsheid Gods en hij aanbidt den Heere om de grootheid Zijner werken. En als hij dan zijne overpeinzing eindigt, ziet ook hij, evenals een Paulus en als Johannes, hoe het eeuwig licht der gerechtigheid opgaat over deze aarde, want zoo besluit hij : „de zondaars zullen van de aarde verdaan worden en de goddeloozen zullen niet meer zijn". Er is een onverbrekelijke samenhang tusschen verleden en heden en toekomst, die gegrond is in Gods scheppende daad zelve.
Daarom is al wat wij doen of laten, zeggen of zwijgen, van zoo groote beteekenis, omdat het alles saamhangt met al wat wordt en wezen zal, zoodat er in den grond der zaak niets ijdel voorbijgaat. Elk ijdel woord staat, elke ijdele gedachte laat haar spoor na in ons leven, in het leven dikwijls ook van anderen. Dit leert ons de psalmist, als hij hoort in de hemelen, hoe de dag aan den dag overvloediglijk sprake uitstort. Het is hem duidelijk, dat de eene dag zijn levensinhoud en levenswerk overdraagt aan den volgende, om dien het zijne mee te geven. Zoo onthullen de hemelen hem een diep inzicht in de levensgeschiedenis van den enkeling, maar tevens in de geschiedenis der volken, in die der menschheid als geheel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's