De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
„Och, ik weet niet, wat ik daar op zeggen moet", antwoordt Anneke, „ik ben mij zelf zulk een raadsel en wordt soms zoo heen en weer geslingerd. Nu eens denk ik, dat het door mij heel anders moest zijn aangelegd en ik veel meer geduld moest hebben gehad, om zóó met zachte hand hem te leiden en te winnen, gelijk moeder meent dat ik gedaan moest hebben. Het is voor mij ook zulk een vreeselijke gedachte, dat Jouke zijn geheele leven ongelukkig blijft. Dan weer doorstroomt een dankbaar gevoel mijn hart, dat de Heer mij tot hiertoe staande hield en kracht gaf om een offer te brengen op het altaar der liefde voor den Heiland, Die eenmaal zelf zulk een groot offer gebracht heeft voor ons. Soms ben ik zoo blij met te weten, dat ik mijn vrijheid gehouden heb en niemand mij scheiden kan van den Heer en Zijn dienst, en dan weer ben ik zóó bedroefd, omdat ik het zoo gaarne anders had en mijn hart verlangt naar liefde. Maar het meest verontrust mij de vraag, waarom de Heer, die toch wil dat alle menschen zalig worden en tot kennis der waarheid komen, het hart van Jouke niet opent, dat hij acht leert geven op Zijn roepstemmen. Wat zou ons beider leven gelukkig zijn als dat ééne verschil tusschen ons niet bestond, en wij het in de allerhoogste dingen samen ééns waren".
Nog geen enkele maal heeft Anneke zoo veel over dit onderwerp gesproken. Zij had ook geen gelegenheid haar hart zoo bloot te leggen voor iemand, die het verstaat.
En Marijke laat haar uitspreken. Zij begrijpt wel welk een levensleed er in die woorden ligt. Als iemand, die zélf het leven ook van alle zijden heeft leeren kennen, hoort zij in dat alles de klacht van een hart, dat treurt over het gemis van zooveel, waarnaar verlangd wordt en een antwoord zoekt op de vragen, die zich nu eenmaal niet laten terugdringen.
„'t Is niet altijd even gemakkelijk, den weg van Gods geboden te loopen", zegt Marijke, nadat zij in stil nadenken heeft overwogen wat aan deze jonge, maar vermoeide ziel als verkwikking op den levensweg te moeten meegeven. De weg naar het Vaderhuis gaat bergopwaarts, en eerst wanneer wij allen ballast, die ons in het voortgaan belemmert en naar beneden trekt, hebben afgeworpen, zullen wij op dien weg kunnen vorderen, om eenmaal de paarlen poorten van de Godsstad binnen te treden.
„Je bent het niet alleen. Anneke, die een offer te brengen hebt", aldus gaat oude Marijke voort. „Allen, die op dezen weg zijn, weten er van mee te spreken, dat zij veel hebben moeten vaarwel zeggen wat lief was, om telkens weer herinnerd te worden aan het woord des Heilands, Die als de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs met een kruis op den schouder de Zijnen vóórgaat: „die vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig ; en die zoon of dochter lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig ; en die zijn kruis dagelijks niet opneemt, en Mij nadraagt, is Mijns niet waardig".
Met diepen eerbied zit Anneke te luisteren. Zacht vloeien haar tranen bij 't hooren dezer heilige woorden, die, niettegenstaande haar droefheid, toch als balsem voor haar ziel zijn.
„'t Leven is een strijd, mijn kind" — zoo vervolgt het oudje — „en allen, die den geloofsweg bewandelen, zijn in het strijdperk om daar de kroon der overwinning te behalen, maar zij zijn er niet alleen. In hun worsteling worden zij gadegeslagen door een groote wolk van getuigen, die met heilige belangstelling toezien hoe zij vorderen, en hen aanvuren om te volharden tot den einde toe. Maar boven alles, de Heiland zelf is hun nabij. Die eveneens, vóór de vreugde welke Hem was voorgesteld, het kruis heeft gedragen en de schande veracht, doch daardoor nu gezeten is aan de rechterhand Gods. „Zullen we eens lezen in welk gezelschap we zijn, als we op den weg naar Huis wandelen ? "
Dit is Anneke goed. Zij voelt zich zoo thuis bij het oudje, die zoo moederlijk met haar spreekt en precies weet wat zij noodig heeft, 't Is alsof Marijke in haar hart lezen kan, zóó juist kiest zij de woorden, die haar bemoedigen en vertroosten. Voor de groote lamp is het nog te vroeg, omdat dit te veel olie kosten zou, maar bij het schijnsel van een eindje kaars kan Marijke wel vinden en lezen wat zij bedoelt. In de vensterbank ligt de oude Bijbel, die al heel wat mee heeft doorgemaakt. Dat bewijzen de gele bladen, benevens de vele vouwen, die hier en daar zijn aangebracht. Tal van scheurkalenderblaadjes geven aan, hoe op de plaats waar zij liggen met bijzondere bedoeling het Woord is opgeslagen. Al lang is zij van plan geweest een nieuw exemplaar te koopen, doch als het er op aankomt kan zij van het oude boek niet afzien, omdat het als een goed vriend zulk een groot deel van den weg met haar heeft afgelegd en zoo menigmaal haar verkwikt heeft met zijn kostelijken inhoud. Daarom is zij ook zoo thuis in het Woord. Zij behoeft niet te zoeken naar hetgeen zij hebben wil.
En als Anneke zich nu te luisteren zet, omdat de woorden van 't oudje voor haar vermoeide ziel zijn als een beker koud water voor een dorstige, dan klinkt het in de stille kamer zoo plechtig als een boodschap uit een beter land, die de harten met zulk een hemelschen vrede vervult :
„Het geloof nu is een vaste grond „van de dingen, die men hoopt, en „een bewijs der zaken die men niet „ziet. Want door hetzelve hebben de „ouden getuigenis bekomen".
En dan volgt daar die groote, lange ; beeldengalerij van Gods heiligen in de woorden aan het einde van Hebr. 11 : „welke door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt, de kracht des vuurs hebben gebluscht, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gejaagd. De vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding weder gekregen, en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij eene betere opstanding verkrijgen zouden, en anderen hebben bespottingen en geeselingen geleden ; en ook banden en gevangenis ; zijn gesteenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht; door 't zwaard gedood ; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen ; verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld zijnde (welke der wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en op de bergen en in de spelonken en in de holen der aarde. En deze allen hebben door het geloof getuigenis gehad, hebbende de beloften niet verkregen, alzoo God iets beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden". (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's