De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

8 minuten leestijd

Want Hij versteekt mij in zijne hut ten dage des kwaads. Hij verbergt mij in het verborgene zijner tent. Hij verhoogt mij op een rotssteen. Psalm 27 : 5.

Allerhande gevaren breken los op den mensch. Waar zal hij veiligheid vinden ? De ware rust en vrede te midden van alle nooden is alleen in den Heere te vinden. In Psalm 27 vindt ge dat rotsvaste vertrouwen op den Heere, Hij zal Zijn volk behouden in den dag des gevaars. Hij zal Zijne engelen gebieden, dat z' u op weg beveiligen. Het is eene zaak des geloofs, om op dezen God te vertrouwen. Van alle zijden tracht men dat geloof aan het wankelen te brengen. De Heere sterkt dat geloof. Leeft deze bevinding ook in uw hart, dat de Heere u zal bewaren ? Zijt ge veilig tegen den laatsten vijand, den dood, die teniet gedaan zal worden ? Zijt ge veilig in den dag des kwaads ? Zijt ge zoo veilig, dat ge weet dat de Heere het kwade voor u nog ten beste zal keeren ?
De dag des kwaads, dat is de tijd van ongeval en beroerte, de tijd van menigvuldige gevaren.
De dag des kwaads was voor David aangebroken, toen Saul hem overal vervolgde als een veldhoen op de bergen. Eveneens, toen hij voor Absalom moest vluchten.
De zonde is de oorzaak, dat er dagen des kwaads gekomen zijn. Het is een dag des kwaads, wanneer de oordeelen Gods op aarde gezien worden, gelijk het was met den zondvloed en met den regen van zwavel en vuur van den Heere op Sodom en Gomorrha.
Tijden van droogte, regen, pestilentie onder het vee, hagel en misgewas, zijn een dag des kwaads van den Heere.
Een dag des kwaads is het, wanneer de oorlog uitbreekt en in haar gevolgen duurte, hongersnood en de dood.
De dag des kwaads is voor u aangebroken, wanneer aan al uwe verwachtingen de bodem is ingeslagen en de toekomst zich zoo donker laat aanzien.
De dag des kwaads treedt uwe woning binnen, wanneer de dood in al zijne somberheid bij u intrede doet. De dag des kwaads was het voor Adam en Eva, toen ze het lijk aanschouwden van hun zoon Abel.
Dagen des kwaads overkomen den rechtvaardige en den onrechtvaardige. Voor Gods kinderen is het deel der kwade dagen o zoo overvloedig, maar ze mogen deze uit de handen Gods ontvangen en ze worden door Zijne kracht gesterkt. Gods volk weet, dat weinige en kwaad de dagen der menschen zijn vanwege hunne zonden.
Gods volk weet zelfs in den allerkwaadsten dag den weg der ontkoming in Christus Jezus.
Gods volk heeft in de dagen der smart opene vensters naar Jeruzalem en slaat de oogen naar 't gebergte heen.
Gods volk mag en moet vertellen, wat de Heere in de kwade dagen voor hen is, in Christus Jezus. In de kwade dagen wordt in de tente van Gods volk Zijn Naam nog grootgemaakt.
Gods volk smaakt in kwade dagen uitkomsten tegen den dood, de nabijheid des Heeren, de vertroosting van Zijn Vaderlijk meedoogen en de vriendelijkheid Zijner milde handen.
Gods volk mag zeggen : ten dage des kwaads versteekt de Heere mij in Zijne hut. Met de hut wordt hier het huis Gods bedoeld. In dat huis woonde de Heere op de vleugelen der Cherubim, op 't verzoendeksel, in het verborgene, in het Heilige der Heilige.
Gods volk wordt verstoken in die hut, en is dus veilig. De Heere grijpt dat volk en brengt ze in de veiligheid. Hij versteekt en verbergt ze voor de macht van het wild gedierte. Hij versteekt ze onder Zijne vleugelen gelijk een klokhen in de ure des gevaars hare kiekens onder zich verbergt.
Gods volk wordt verborgen in het verborgene van Gods tent.
De Heere maakt dat hun leven Christus verborgen is in God. met Christus verborgen is in God. De Heere verhoogt ze op een rotssteen ; ze mogen in Hem veilig zijn. Overwinnaars, ja, meer dan overwinnaars.
Door de versteking, de verberging en de verhooging wordt nu voor Gods volk de dag des kwaads de dag der openbaring van 's Heeren menigvuldige gunsten. De dag der donkerheid wordt de dag des lichts. Dagen der ingeslotenheid worden dagen der verlossing. Op den dag, waarop al uwe krachten u ontzinken en gij volkomen zwak zijt, wordt u geopenbaard de kracht Gods. Een dag des noods, wordt een dag der uitredding.
Ten dage der benauwdheid is de spelonk van Adulla geopend, waar schuilplaats gevonden wordt voor alle man, die benauwd is, alle man, die een schuldeischer heeft, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd is.
Op den dag van het noodgeschrei doet de Heere groote wonderen. Zalig de ziel, die dit mag ondervonden hebben. Deze ziel mag aanprijzen in den dag des kwaads den Heere.
De Heere toch doet, gelijk Hij gesproken heeft.
De Heere trekt den mensch, versteekt den mensch ; het is al uit, door en tot Hem.
De Heere leert Zijn volk zeggen :
Bezwijkt dan ooit in bitt're smart. Of hangen nood, mijn vleesch en hart. Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
De hut des Heeren biedt volkomen veiligheid, want alle geweld en list, tegen haar ondernomen, zullen niet gelukken. In de hut des Heeren zijn de namen en eigenschappen des Heeren als zoovele kameren der verberging.
In die hut des Heeren zijn de namen, ambten, staten en naturen van Christus als zoovele proefhoudende toevluchtsoorden.
De hut des Heeren bestaat uit zoovele kamers als er beloften des Heeren zijn. Deze beloften des Heeren passen op al de kwade dagen van Gods volk.
Er is geen dag zoo kwaad voor Gods volk, of de Heere heeft er een belofte voor van uitredding.
Deze versteking is achter de handen des Vaders, die zegt: wie u aanraakt, die raakt Mijn oogappel aan.
Deze versteking is in Christus ; in Hem zijt gij verborgen, volkomen veilig; in Hem zijt gij verhoogd boven de macht des vijands. Hem is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde.
Deze versteking is in den Heiligen Geest, want de Heilige Geest is het zegel en niemand en niets kan of mag of zal dat zegel schenden ; door de kracht Gods wordt gij bewaard tot de zaligheid.
De Heere heeft een hut der ontkoming gegeven. Hij heeft Christus Jezus gegeven, het vleeschgeworden Woord.
Wanneer ge nu verstoken zijt in den dag des kwaads in des Heeren hut, dan openbaart ge dit doordat ge in den tijd des nachts nog psalmen zingt.
Wanneer alle baren en golven des Heeren over u heengaan, moogt ge zingen : we steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen, door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen. In de woestijn is de Heere de bron van kracht.
Deze schuilplaats moet worden aangerecommandeerd.
In het heden der genade staat de deur der schuilplaats open.
Het verborgene van Gods tent is geopend, want het voorhangsel is gescheurd. De vleugelen Gods zijn zoo breed, zoo hoog, zoo dicht, dat alle amechtige ziel daar een plaats kan vinden. Op den rotssteen is plaats voor al het arme en ellendige volk.
Hij versteekt voor den vijand. Hij verbergt voor den toorn des Heeren. Hij verhoogt in het midden van den troon.
En deze versteking, verberging en verhooging zijn zoo vast en zeker als God Zelf is.
Niemand kan Gods volk uit de handen des Heeren rukken ; Zijne roeping en verkiezing zijn onberouwelijk.
De Heere kent al Zijn verstekelingen. De Heere heeft hunne namen in Zijne handpalmen gegraveerd. Hier op aarde is Gods volk veracht, maar eenmaal komt hunne verhooging uit, wanneer ze ter rechterhand van 't Lam staan.
Hebt gij deze zaak ondervonden ? Kent gij dagen des kwaads vanwege uwe zonden ?
Kent gij ook den dag des kwaads, toen gij onder de v/et gebracht werdt, gij vluchten wildet en nergens kondet heengaan, en gij op duizend vragen geene kondet beantwoorden ?
Kent gij den dag des kwaads, toen gij in uwe verlorenheid wegzonkt en den eeuwigen dood voor oogen hadt en gegrepen v/erdt door den Heere en gebracht werdt tot den Christus ?
Het is niet voldoende, dat gij weet, dat anderen deze bevinding gesmaakt hebben ; gij moet het ook kennen. Het is noodig, dat gij gered wordt en leert kennen door het geloof den schuldovernemenden Borg.
Kent ge persoonlijk voor uzelf deze waarheid ? Zijt gij reeds overgebracht uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht ? Hebt ge al vasten grond onder de voeten ? Gaat ge niet langer met een „misschien" naar de groote, nimmer eindigende eeuwigheid ?
Onderzoek uzelf nauw, ja, zeer nauw. De Heere brenge u maar in de diepte en doe uwe zonde maar op u aankomen. Hij make het u benauwd. Hij zende u den schuldbrief thuis en doe den dag des kwaads voor u aanbreken.
De Heere leere u te bidden en te smeeken om genade en ontferming. De Heere trekke u en heffe u uit allen nood en Hij stelle u in het Hoog Vertrek van Zijnen Naam.

Eemnes-Buiten
A.G. Oosterhuis

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's