VRAGENBUS
Vraag : Wat is de leer van de veronderstelde wedergeboorte ?
Antwoord : In de Gereformeerde Kerken wordt veelal verondersteld, dat de kinderen der Gemeente wedergeboren zijn en op grond van die veronderstelde wedergeboorte worden ze dan gedoopt. De doop komt dan bezegelen wat die kinderen onderwerpelijk, persoonlijk, bezitten. Maar wij mogen in onze veronderstellingen niet verder gaan dan de Schrift ons daartoe grond geeft. De verborgene dingen zijn voor den Heere, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en voor onze kinderen. En nu heeft de Heere ons geopenbaard, dat Hij een verbond wilde oprichten en als de God des Verbonds houdt Hij trouwe. Psalm 105 vers 5 laten wij altijd zingen vóór de Doopsbediening. Maar in dat Verbond is niet begrepen, dat alle bondelingen wedergeboren zijn. Voorwerpelijk zijn de kinderen geheiligd, door de bondsbetrekking in bizondere relatie gekomen zijnde tot God en Christus. Maar dat Verbond geeft geen grond voor de zaligheid. Nooit heeft nog Iemand gezegd : „Wij dan, door het verbond gerechtvaardigd zijnde, hebben vrede bij God". De bizondere verbondsrelatie staat op den voorgrond ; niet de wedergeboorte. En nu komt de Doop aan onze kinderen toe als zegel van die bizondere verbondsrelatie, van 't geen God in Christus heeft geopenbaard en ons en onzen kinderen naar Zijn vrijmachtig welbehagen , wil schenken. De Doop is niet een zegel van hetgeen onze kinderen in zichzelf bezitten, maar van 't geen zij voorwerpelijk bezitten als kinderen des Verbonds, die in den weg des Verbonds het eeuwige leven kunnen beërven naar Gods welbehagen. Natuurlijk kunnen onze kinderen wel wedergeboren zijn. Maar het mag niet verondersteld worden als regel krachtens de verbondsbetrekking. De Doop bezegelt niet wat wij hebben, maar wat God belooft en schenken wil. Daarom moet de verbondsbetrekking ook in geloove worden aanvaard en vastgemaakt. De verwerping in ongeloof is daarbij zoo'n gruwelijke zonde.
Vraag: Mogen kerkvoogden rekening houden met verschillende richtingen en allerlei schikkingen maken ?
Antwoord : Neen. De kerkeraad is er om de Gemeente te leiden en de geestelijke zaken te behartigen, in gehoorzaamheid aan den Koning der Kerk. Zonder dien Koning hebben ze niet het minste gezag.
De kerkvoogden zijn voor de stoffelijke belangen en hebben den kerkeraad en de Gemeente in alles te dienen, opdat het kerkelijk-godsdienstig leven, zooals de kerkeraad dat te leiden heeft, mag worden bevorderd. Kerkvoogden zijn niet om geestelijke beslissingen te nemen; als zij dat doen, gaan zij op een plaats staan, waar ze niet hooren.
Vraag : Wat hebben we te denken van de plurifomiteit der Kerk ?
Antwoord: Gewoonlijk is dat mooie woord pluriformiteit om een heel leelijke zaak te bedekken. Men moest liever spreken van verscheurdheid en verdeeldheid (1 Cor. 1 : 10, 12).
Dat de Gereformeerde Gezindheid b.v. zoo pluriform is, dat men talloos vele Gereformeerde Kerken, Gereformeerde Gemeenten enz. enz. aantreft, is verscheurdheid en verdeeldheid binnen de grenzen van de Gereformeerde Kerk ; inzake het lichaam van Christus enz. Voor zoover de pluriformiteit berust op verschil in volk, taal enz., is zij natuurlijk en niet in strijd met de eenheid der Kerk. Maar als menschenvereering en leerverschil tot allerlei practijken komt brengen, die uit elkaar rukken degenen die bij elkaar hooren, dan treft ons het oordeel van Paulus, dat de wijsheid van de wijzen ons meer te pakken heeft dan het Evangelie van Jezus Christus (1 Cor. 10 vers 17).
De Kerk wordt dan tot secte en is een afgescheurd deel van het geheel; een gezelschap, een kring, een eigen onderneming, enz.
Vraag: Hoe moei de inrichting der Kerk zijn ?
Antwoord : Daarover wordt verschillend geoordeeld. De Darbisten (Broeders) willen van geen ambten weten ; de Kwakers verwerpen ambt en sacrament; de Irvingianen (Apostolischen) hebben gemeend de oude Kerkinrichting met hare apostelen, engelen, profeten enz. te kunnen herstellen. De Independenten (onathankelijken) willen van geen Kerkverband weten. Zoo zijn er ook, die het Kerkbegrip geheel laten varen en spreken van een door menschen gestichte vereeniging of gezelschap tot beoefening of bevordering van den godsdienst, vroomheid, enz.
De Rcomsche Kerk heeft het papaal stelsel; de Paus 't hoofd, de clerus of geestelijkheid vormt eigenlijk de Kerk. Het is een hiërarchisch stelsel met hoogere en lagere geestelijken, die alles te zeggen hebben. Het „leeken-element", het algemeen priesterschap der geloovigen (1 Petrus 2 vers 9) komt absoluut niet tot z'n recht.
Caesaropapieis weer iets anders ; dan voert de wereldlijke macht heerschappij over de Kerk. Daarheen ging Luther : de Vorst was de opper-bisschop van de Kerk ! Calvijn bracht de Kerk terug tot de oude, eenvoudige regeling en de Gereformeerden kwamen tot de pres-byteriaal-synodale Kerkinrichting . Elke gemeente wordt bestuurd door leeraars en opzieners (pres-.byters) en de gemeenten gezamenlijk door kerkelijke vergaderingen (synodes). (Hand. 15).
Vraag: Wat beteekent het „geheiligd zijn" van den ongeloovigen man door het huwelijk met de geloovige vrouw (1 Cor. 7) ?
Antwoord : De ongeloovige man is daardoor in de sfeer van het heilige gekomen en God wil dat gezin tot Zijn werkterrein nemen. Daarom staat er van de kinderen, dat ze „heilig zijn"; voor Gods terrein afgezonderd. En in hetzelfde verband staat van den ongeloovigen man, dat hij geheiligd is door de geloovige vrouw, welk „geheiligd zijn" dus zeker en vast niet kan beteekenen een onderwerpelijk, subjectief, persoonlijk begrepen zijn in Christus, maar stellig hier genomen moet worden in voorwerpelijken zin. Dat voorwerpelijk geheiligd zijn is stellig en vast niet zonder groote beteekenis, volgens 't geen ons geopenbaard is in het Woord.
Maar het beteekent in geenen deele persoonlijk, zaligmakend deel hebben aan Christus en al Zijne weldaden. Het „geheiligd zijn in Christus" voor de kinderen mag dan ook zoo maar niet, zonder meer, in onderwerpelijken zin genomen worden ! Niet alleen wedergeborenen zijn in het Verbond Gods begrepen. Ook niet alleen uitverkorenen. En dat maant ons voorzichtig te zijn met het genade verbond en verbondsbetrekking in het midden van de Gemeente. Denk maar aan den ongeloovigen man, die in 1 Cor. 7 „geheiligd" wordt genoemd. Ongeloovigen geheiligd.
Vraag: Wat is het vagevuur ?
Antwoord : Vagen beteekent vegen, zuiveren. Het vagevuur is een louteringsvuur.
De Kerkvader Origenes, die meer dwalingen geleerd heeft, sprak er het eerst van, als de plaats waar de zielen van hen, die voor hun vergeeflijke zonden (paccata venalia) niet genoeg geboet hadden op aarde, na het sterven heengingen, om door lijden gelouterd te worden en toebereid te worden voor den hemel. Zelfs Augustinus heeft zich in die richting uitgesproken. De Roomsche Kerk hecht er, vooral sinds het Concilie van Trente, veel waarde aan. Dit dogma Tioudt in, dat de zielen der ongeloovigen terstond in de hel komen, de zielen der gedoopten, die onbesmet zijn, gaan naar den hemel, maar de gedoopten, waaraan nog wat ontbreekt, gaan naar het vagevuur.
Het is dus eigenlijk geen plaats van bekeering, maar van reiniging en loutering der gedoopten.
Voorbeden, misoffers, aflaten, goede werken enz. kunnen den tijd van loutering verkorten. Het Middelaarswerk van Slons Borg en Zaligmaker wordt hier geweld aangedaan en de deur voor allerlei schandelijke kerkelijke practijken wordt er door geopend. De zonde en schuld wordt ook veel te stoffelijk genomen. Een tusschenplaats tusschen hel en hemel is er niet.
Vraag : Wordt de Vaderlandsliefde in de Schrift extra genoemd onder de christelijke deugden ?
Antwoord : Neen, het Nieuwe Testament kent de Vaderlandsliefde niet, omdat het voor de christelijke gemeenten niet was weggelegd in het „Vaderland" te wonen.
Maar naast „vreest God, eert den Koning" staat liefde tot het volk en het land, waar de Heere ons doet geboren worden en doet wonen. Waar God een eigen volkshistorie, cultuur, taal enz. geeft, daar wil de Heere, dat wij Zijne goede gaven waardeeren en liefhebben. De leer van de evolutie staat ook hier tegenover de leer van de schepping Gods en Zijn voorzienigheid. Met eerbied voor andere landen en volkeren, gaat bij den christen gepaard liefde tot zijn volk en Vaderland. Hij zegt niet : „waar ik het goed heb, is mijn vaderland", want boven alles heeft hij zijn eigen land lief, om Gods wil en om der historie wil. Maar hij is geen dwaas om eigenzinnig eigen land hemelhoog te verheffen en andere landen en naties met den nek aan te zien. Alle volkeren zijn uit éénen bloede, en de landen der aarde zijn des Heeren.
Vraag : Zijn er onvergefelijke zonden ?
Antwoord : Lees eens wat er staat in Numeri 15 vers 3D. Daar is sprake van zonde, bedreven „met opgeheven hand".
Daaronder is dan te verstaan zulk een kwaad, dat niet uit onkunde, dwaling of „zwakheid des vleesches" voortkomt, maar uit welbewusten haat tegen God en Zijn gebod. Voor zulke zonde kende de offerwet geen verzoening ; noch voor den Israëliet, noch voor den vreemdeling.
Denk ook aan 't geen geschreven staat over de zonde tegen den Heiligen Geest (Matth. 12 vers 32). Niemand kan natuurlijk precies zeggen wat dat is. Alles wat er over geschreven is heeft ons ten slotte niet veel verder gebracht. Maar dit weten we toch, dat deze vreeselijke zonde niet een enkele zondedaad is, als wel een vreeselijke zondetoestand van verharding, die kan komen bij degenen, die veel licht ontvangen heeft en aan wien veel arbeid is geschied (Hebr. 6 vers 4—6; 10 vers 26 enz.).
In een hopeloozen staat van verharding kan deze zonde uit welbewusten haat tegen God bedreven worden en openbaart zich in opzettelijke lastering van het heilige ; van berouw en droefheid is dan ook geen sprake bij zoo iemand.
Een iegelijk die z'n zonde belijdt, mag ook gelooven : „daar is vergeving, altijd bij U geweest." En mag vertroost worden met de woorden van den Heiland : „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven."
Heerlijk, dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden ! Voor hem of haar, die den Heere aanroept in den nood, is geen onvergefelijke zonde !
Vraag: Is de filosofie uit den booze, waarvoor ieder ernstig gewaarschuwd moet worden ? Blijkt dat niet uit Col. 2 vers 8 : „Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie en ijdele verleiding enz."
Antwoord : Men moet de „kantteekening" maar eens opslaan, dan zal men aanstonds zien, dat onze Gereformeerde Vaderen de filosofie of wijsbegeerte niet uit den booze achtten. „De rechte filosofie is een gave Gods en een middel, dienstig om Gods Woord beter te verstaan" zeggen ze. Maar hier gaat het over de bedriegelijke schijnwijsheid van eenige heidensche filosofen gelijk de volgende woorden „ijdele verleiding " verklaren. „Ziet dan toe, dat niemand u inpalme door het ijdele bedrog der filosofie" (prof. van Nes).
Paulus doelt hier niet op de wijsbegeerte in het algemeen, maar op een bepaald soort (Grieksche) wijsbegeerte, dat in Colosse de menschen betooverde.
Voor een goede Schriftverklaring is zoo noodig, dat we eenigszins op de hoogte zijn van de cultuurwereld waarin Paulus leefde en predikte en arbeidde.
Denk eens aan de Sofisten, de Stoïcynen, de Epicuristen enz. en aan het Neoplatonisme van die dagen. Paulus stond midden in de Grieksche wereld (Hand. 17 vers 18) met het mengsel van godsdiensten en het teleurstellend vragen naar den weg, om tot een bevredigende levens-en wereldbeschouwing te komen ; om te komen tot verlossing. God was bezig om voor te bereiden op de komst van Jezus Christus, die komen zou als de tijd Gods vol zou zijn. Gal. 4:4.
Het gaat hier dus over de ijdele verleiding van een bepaald soort wijsbegeerte, dat in Colosse de menschen betooverde.
Vraag: Kunnen de z.g.n. „bewijzen voor het bestaan van God" ons werkelijk brengen tot het geloof in God ?
Antwoord : Wat ons brengen kan tot het geloof in God — in den middellijken weg — kunnen wij niet precies aangeven. De Heere gebruikt soms allerlei om een zondaar te brengen tot het geloof. Maar in 't algemeen gesproken, willen wij wel zeggen, dat het geloof niet ligt in den weg van „bewijzen" en van „begrijpen". Het is niet zóo, dat wij gelooven als wij 't maar begrijpen en doorzien en bewijzen kunnen ! Wie slechts gelooft, omdat hij begrijpt, gelooft dus wat hij begrijpt.
Die zal dus alleen willen gelooven wat hij begrijpt en voor zoover hij begrijpt en zoolang hij begrijpt. En als we dat even goed ons realiseeren, moeten we zeggen, dat zoo iemand zich bevindt op een weg naar het— ongeloof. Want och, arme ! straks komt er immers dit of dat, wat we weer niet begrijpen. En dan is ons geloof weg.
Het is net als met het geloof dat uit het gevoel voortkomt. Die loopt ook gevaar straks z'n geloof weer kwijt te zijn, als een donkere wolk de zon voor onze oogen bedekt. Het gevoel is dan weg of krijgt een duw, en we hebben niets over.
De diepste grond van het geloof is het met vertrouwen aanvaarden van Gods beloften, die in het Evangelie vervat zijn en in Jezus Christus ja en amen zijn.
De diepste grond ligt in God Zelf en de inhoud van het zaligmakend geloof is Jezus Christus als Zaligmaker.
Vraag: Wat is het laatste oliesel bij de Roomschen ?
Antwoord : De Roomschen hebben zeven sacramenten ; wij twee. Bij de Roomschen komen er dus vijf bij : de priesterwijding, de biecht, het vormsel, het huwelijk en het laatste oliesel of het sacrament der stervenden (omdat het alleen aan dood-zieken en stervenden wordt „bediend". Volgens Rome moeten de vijf zintuigen : oogen, ooren, neus, mond, handen (als voornaamste tastorgaan) gezalfd worden met een soort olie. Deze vijf zintuigen zijn de bron en het instrument geweest van veel zonden ; en daarom moeten ze gereinigd worden en geheiligd vóór het sterven. Om dezelfde oorzaak worden ook de voeten gezalfd, die zoo dikwijls het pad van deugd hebben verlaten en het pad der zonde hebben betreden. Bij de zalving, welke door den priester moet geschieden, moet het volgende gebed worden gedaan : „Door deze heilige zalving en zijn goedertierendste barmhartigheid vergeve God u al hetgeen gij misdaan hebt door het gezicht van uw oogen, Amen. Dit gebed wordt bij elke zalving — zes in getal — herhaald, steeds met den naam van het betrokken zintuig : door het gezicht, door het gehoor, door den reuk, den smaak en de spraak (de mond), het gevoel (de hand als tastorgaan) en het gaan (de voeten).
Het is tot vergeving van de dagelijksche zonden en óók van de doodzonden, als de zieke niet meer in staat is te biechten.
Ook is het tot vermeerdering van de helligmakende genade en het versterkt den zieke om het lijden geduldig te verdragen en de bekoringen der zonde te overwinnen. Ook schijnt er iets in te zitten van de gedachte om door de zalving de zieken de gezondheid weer te geven. Want prof. Van Raamsdonk, die de laatste uitgave van Potter's herziene en bijgewerkte verklaring van den Roomschen Catechismus heeft verzorgd, schrijft dienaangaande : „De bovennatuurlijke kracht van het sacrament zal de natuurlijke oorzaken (geneesheer, geneesmiddelen enz.) bij haar werking geleiden en helpen ; vooral de bovennatuurlijke opbeuring der ziel zal haar weldadigen invloed op het ziekteverloop doen gevoelen, en in vele opzichten uit zich zelf voldoende kracht bezitten om de gezondheid te herstellen" (bladz. 21).
Voor het laatste oliesel dient bij Rome natuurlijk als bewijsplaats Jac. 5 vers 14 en 15 : „Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe de Ouderlingen (Rome leest: de Priesters) der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren : en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zoo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden". Hierbij wordt dan ook gewezen op Marcus 6 vers 12 en 13 : „En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeeren ; en zij wierpen duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie en maakten ze gezond".
Noch de zalving met olie tot vergeving en afwassching van zonden voor de stervenden, noch de zalving met olie tot gezondmaking der zieken, heeft het Gereformeerd Protestantisme overgenomen.
De kracht van het gebed — en het geloof in Jezus Christus is bij ons gebleven ; maar de olie is verdwenen, zijnde een oorzaak van veel bijgeloof en dienende tot niets. De volheid van het Evangelie is ons geworden en heeft de schaduwachtige dingen verdreven.
De levende prediking hebben we, en geen stomme beelden behoeven we in de kerk. Zoo ook aan het ziek-en sterfbed de levende prediking van het volle Evangelie en geen ceremoniëele handelingen met olie of wat ook. Niets mag in de plaats komen, van Jezus Christus en dien gekruisigd, zijnde een volkomen Zaligmaker voor arme zondaren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's