VAN DEN WOORDE GODS
Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.
(Nadruk verboden). XVII.
De geschiedenis leert, dat de beschaving, die de volkeren zich na eeuwen van strijd, arbeid en ervaring, verworven hebben, in den ondergang verkeert, zoodra zij teekenen begint te vertoonen van innerlijk zedelijk en godsdienstig verval. Uitwendig is er dan somtijds nog een schijn van bloei, terwijl het volk toch in zijn verborgen levenskern reeds werd aangetast. En naarmate het bederf voortschrijdt, naar die mate zinkt het zedelijk en godsdienstig leven dieper in. Dit is als eene wet, die de historie der volkeren beheerscht. En wie nu nadenkt over de teekenen der tijden, die wij doorleven, voor dien kan het niet verborgen blijven, dat de volkeren van het Westen, die nu eeuwenlang aan de spits stonden van de wereldontwikkeling, reeds zeer verre zijn afgegleden van de grondslagen hunner cultuur. De Christelijke grondslagen van hun leven werden aangetast op eene wijze, die weinig hoop geeft voor de toekomst. Ook onder ons volk is dezelfde decadentie te speuren. Ook wij gleden reeds zoover af, dat ons volk nauwelijks meer lezen kan in de hemelen, aan welke levensordinantiën het moet gehoorzamen, wil het niet komen tot steeds dieper verval en eindelijken ondergang. Ondanks de verlichting, waarop onze tijd prat gaat, ondanks de wijsheid en de wetenschap, waarop men zich beroemt, is de moderne menschheid blind voor de eenvoudige waarheid, die de Psalmdichter lezen kon in de hemelen, en die de levenswet in zich vervat, die de geschiedenis der menschheid de eeuwen door heeft beheerscht en ook beheerschen zal.
Indien de volkeren van Europa daarvoor de oogen niet gesloten hadden, dan zouden zij zeker en gewis met wijsheid geregeerd zijn, zoodat de ellende van den oorlog en het geweldig leed ook van deze crisis, heel het verval, dat onze moderne beschaving kenmerkt, hun was voorbijgegaan. Sinds jaren reeds gaan de volkeren gebukt onder de elkander opvolgende lasten van leed en druk, omdat de oogen hunner leidslieden zich moedwillig sloten voor hetgeen deze dichter des Ouden Verbonds duidelijk geschreven zag in de hemelen boven hem, waarin hij Gods Naam en werk aanschouwelijk beschreven en als voorgebeeld zag. Deze dichter was geen geleerde in den Westerschen zin des woords, geen wijsgeer als de groote denkers, wier namen 'n den loop der tijden steeds met eerbied Worden genoemd, geen geschiedschrijver, Gelijk oude en nieuwe tijden deze voortgebracht hebben, maar desondanks toch een bijzonder man. Hij was een getuige Gods, verlicht door Gods Heiligen Geest, en daarom kon hij als met één blik doorgronden, hoe zich, in hetgeen hij in den hemel boven hem zag geschieden, eene door God zelven gegeven wet verwerkelijkte, die het gansche historische leven van alle geslachten dezer aarde beheerscht.
Wij zijn in het dagelijksch leven niet gewoon er bij stil te staan, dat zich in het voor ons oog verwarde, ons dikwijls verbijsterende wereldleven, zooals het aan ons voorbijgaat, wetten gelden doen. Integendeel, zooals het zich voor ons stelt in de veelvuldig verscheiden berichtgeving onzer groote bladen, in de oneindige Veelheid van gebeurtenissen van allerlei aard op schier elk levensgebied, zou de bontheid van het tafereel ons doen denken, dat er van geene wetmatigheid, maar slechts van willekeur en toeval sprake kan zijn. En toch is het niet zóó. Ook in en over de menschenwereld heerschen wetten, al zijn we ons daarvan nauwelijks bewust en kost het moeite zulks aan te nemen, wanneer wij op de grilligste wijze, schijnbaar zonder samenhang of verband, de gebeurtenissen elkander zien opvolgen. Wij kunnen het ons nauwelijks voorstellen, dat de bijna twee milliarden menschen, die de aarde bewonen, die over een groot aantal volkeren zijn verdeeld, die zoo ver van elkander leven, zoo oneindig verscheiden zijn, toch nog aan algemeene levenswetten zouden gehoorzamen. Verschijnen zij ons dikwijls niet veeleer als eene verwarde massa, waarin allen met allen worstelen, waarin het woord der Ouden van toepassing moet geacht, dat de mensch den mensch als een wolf is ? Heerscht er niet een geweldige concurrentie-strijd, waarin de sterke overwint en de zwakke schijnt onder te gaan, om door nog sterkeren te worden overwonnen ? Inderdaad, oppervlakkig beschouwd schijnt er in de geschiedenis van den dag, die wij beleven en waarin wij, hoe klein en nietig ook, mede deelen, van geene wetmatigheid sprake, maar slechts van toeval en willekeur der menschen. Dien indruk maakt de historie van den dag, van een enkelen dag. Doch het wordt anders, als wij van den enkelen dag komen tot een overzicht van jaren, van eeuwen, van vele eeuwen. Dan wordt het ons duidelijk, dat er toch in en over dat leven der menschheid eene wetmatigheid heerscht, die zich in de traditie der geslachten openbaart. Dan wordt het duidelijk, dat zooals er overal in de schepselen, die wij waarnemen, eene wetmatigheid verschijnt, ook de wereld der menschen, hoe oneindig rijk ook gevarieerd, aan wet is onderworpen, die de gedachte aan toeval en willekeur bant.
Daarop wijst ons de Psalmdichter, wanneer hij met ons uitgaat onder den nachtelijken hemel of met ons wandelt onder het diepe blauw, dat zich boven ons welft, wanneer de zon hare lichtzee doet golven op den middag. Hij leert ons de wijsheid van den Almachtige lezen, de wondere grootheid Zijner krachten, de oneindigheid en eeuwigheid van Zijn onveranderlijk Wezen in de hemelen, die hem Gods eere vertellen. Hij laat ons aanschouwen, hoe zij allen gehoorzamen aan den wil van hunnen Schepper, die ze leidt langs hunne banen, die ze allen roept bij name, zoodat er niet één wordt gemist. Maar hij doet ons van uit die hemelen afdalen naar deze aarde, vestigt ons oog op de wereld der menschen, op de geschiedenis, die zij allen, een ieder afzonderlijk en allen te zamen doorloopen, en predikt ons, dat zooals de hemelen gehoorzamen aan Gods wil, ook over deze aarde en over de menschheid, die haar bewoont, over de volken, die daarop leven, de wet heerscht krachtens de ordinantiën, door Hem gegeven in Zijne scheppende daad. De samenhang in de geschiedenis der menschheid en dus de wetmatigheid, die zich ook in haar openbaart, las de Psalmdichter in hetgeen zich dagelijks in den hemel voor zijne oogen voltrok. „De dag aan den dag", zoo zong hij, „stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap".
Welk eene schoone teekening van het leven der schepping, van het leven der menschheid in het bijzonder. In dichterlijke vrijheid worden de dagen en de nachten verpersoonlijkt, als waren zij ook dragers van zedelijke kracht. Hij stelt ons de dagen voor als de persoonlijke eenheden, waarvan telkenmale de eene haar werk overdraagt aan de andere. De afgaande dag wordt ons geteekend als die zijn werk, hetgeen dus in hem geschiedde, overdraagt aan den volgende. De gaande dag geeft het zijne, al het zijne, mede aan den komende. Dat is dus hetzelfde als eenmaal door Bilderdijk werd gezongen : „In 't verleden ligt het heden, in het nu, wat worden zal". Neen, in het leven des menschen, in het leven der volkeren staat niets op zichzelf. Gods Woord leert het ons alles kennen in zijn onlosmakelijken samenhang. Hetgeen deze dag te aanschouwen gaf, heeft beteekenis voor den dag, die komt. Het heden baart zijn inhoud in het morgen. Zooals elk mensch ter wereld komt, belast met de erfenis van de voorgeslachten, zoo komt dag na dag erfelijk belast met de geschiedenis van zijn voorganger. Dat geldt van ons persoonlijk leven, van dat der volken, van dat der geheele menschheid. God heeft haar geschapen in een organischen samenhang, zoodat niets in hare historie op zichzelf staat. Zoo leert ons de dichter in de hemelen lezen de wetmatigheid, die het menschelijk leven beheerscht. De dagen zijn als een oneindige reeks, als een rol, die wordt afgewikkeld, als de rol des boeks van Gods eeuwig besluit, dat zich dag na dag voor ons oog gaat openen. Het eeuwige licht Gods gaat alzoo van dag tot dag over het leven der wereld.
De dag is het beeld hier van het volle, rijke menschenleven. Hij stort overvloediglijk sprake uit, want er geschiedt zooveel, zoo onzeggelijk veel in een enkelen levensdag. Het gaat alles in eeuwigdurende beweging aan ons voorbij, verschijnt soms slechts een ondeelbaar klein moment voor den spiegel van ons bewustzijn en verdwijnt dan weder in het donkere dal der vergetelheid. Dat is zoo, niet waar, in ons persoonlijk leven, maar het is in dat der volken en dat der gansche wereld niet anders. Wij doorleven slechts het ondeelbare heden, dat toch eeuwig vervlietende is, zelfs dan, als wij het doorleven. En Gods Woord heeft, ook uit dat oogpunt gezien, een zeer diepen blik in het menschelijk wezen ons ontsloten. Mozes, de man Gods, heeft het ons alzoo geteekend : Wij brengen onze jaren door als eene gedachte. En als David peinst over de vergankelijkheid van zijn leven, over de kortheid daarvan en de nietigheid, dan zegt hij : „Zie, Gij hebt mijne dagen een handbreed gesteld en mijn leeftijd Is als niets voor U; immers, is een ieder mensch, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid". En om ons dan ons eigen leven te ontdekken, voegt hij er aan toe, dat de mensch „wandelt als in een beeld". Psalm 39 : 6, 7. In eene voorstelling gaat het aan ons voorbij, zooals de wereld, te midden waarvan wij leven, de voorstellingen bij ons opwekt, die telkens opnieuw veranderen, opkomen en vergaan. En Zophar antwoordde Job, als hij het geluk der goddeloozen typeert : „Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts. Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen en zijne plaats zal hem niet meer aanschouwen". En van denzelfden goddelooze zeide Asaph : „Als een droom na het ontwaken ! Als Gij opwaakt, o Heere ! dan zult Gij hun beeld verachten". Zoo teekent ons Gods Heilige Geest het bewustzijnsleven des menschen, waarin ons leven eigenlijk alleen ons leven is. Het is eene voorstelling, die aan ons voorbijgaat van oogenblik tot oogenblik. Maar die oogenblikken staan niet los naast elkander, doch vormen eene samenhangende reeks. Zij beteekenen alle iets voor elkander. En wat van de oogenblikken geldt, past op de dagen, die als gedachten aan ons voorbijgaan. „Mijne dagen", zegt Job, „zijn lichter geweest dan een looper, voorbij gevaren met jachtschepen, gelijk een arend naar het aas toevliegt". Zoo spreekt nu ook de Psalmist, als hij den dag ons voorstelt als die overvloediglijk sprake uitstort aan den anderen dag. En alzoo leert ons Gods Woord, in de hemelen boven ons geschreven, hoe de geschiedenis der menschheid, evenals die van elk mensch, niet is een chaos van verwarring, maar het wondere weefsel van Gods verborgen arbeid, waarin alles saamhangt, zoodat er dag aan dag eene ontroerende verantwoordelijkheid drukt op de menschheid, drukt op de volken, drukt op een iegelijk van ons. Immers van eiken levensdag geldt het, dat hij overvloediglijk sprake uitstort aan den dag, die komen zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's