De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

6 minuten leestijd

WAARHEEN MET ONS LEED?
Deze vraag beantwoordt ds. Schuurman in net „Haagsche Kerkblad" aldus :
De tegenwoordige tijd is wel geschikt om velen angstig te maken voor de toekomst.
Toen de Conferentie van Geneve in aantocht was, is een stroom van verlangen en hoop door het hart van de volken gegaan en millioenen hebben smeekschriften geteekend, dat men toch, zonder aanzien des persoons, in den weg van gerechtigheid, alles in het werk zou stellen, om de volken nader tot elkander te brengen, en 'n sfeer van vertrouwen te scheppen, opdat de wereld voor herhaling van zulk een beestachtigen oorlog, als wij achter ons hebben, gespaard mocht blijven.
Tot heden zonder veel hoop. Waarom ?
Wij willen aan onwil niet gelooven. Veeleer houden wij het er voor, dat hier onmacht in het spel is. Door welke machten dan ook, men voelt zich gebonden, dewijl men anders wel reeds tot een wereldverheugend besluit gekomen zou zijn.
En als Geneve straks geen gunstig resultaat kan boeken, zal het gevaar van een nieuwen, en dan nog veel satanischer oorlog, niet groeien met den dag ?
Er is nog iets anders, waar men óók geen raad mee weet.
De werkloosheid in alle landen. Millioenen die werken willen en niet kunnen, omdat er geen werkgelegenheid is. Wat 'n ontzettende ramp! Wie beschrijft hare ellende ?
En achter al dat leed ligt de geestelijke nood van onzen tijd. Zoolang het in stoffelijk opzicht nog ging, nam men voor een goed deel den godsdienst nog op den koop toe. Men „deed" er wel niet aan, zooals de volksuitdrukking het noemde, en vond er ook geen troost en kracht in, men liet het voor v/at het was, maar verslond intusschen de boeken die het ongeloof propageerden en luisterde scherp naar Rusland, waar de partij der godloozen verzekerde : „Er is geen God ; godsdienst is opium voor het volk; maakt u er van los ; voor het kleine poosje dat wij op deze aarde leven, zullen wij eenige leiding erkennen, maar geen overheden, geen menschen die boven je willen staan, geen bijbel, geen God, geen eeuwigheid — en — de dood aan allen, die blijven gelooven en je tot hun geloof willen overhalen."
Zoo worden alle vragen van onzen tijd toegespitst in de vraag omtrent God en Zijn dienst.
Waar ligt nu de schuld van deze geestelijke verwording ?
In christelijke kringen ligt zij voor een goed deel in de kerk. Van haar, als gemeenschap, of van de Christenen individueel kan, naar veler meening, geen kwaad genoeg worden gezegd. De kerk is een mummie, dood en verdroogd. Zij ziet niets, zij voelt niets, zij merkt niets van den grcoten wereldnood, of trekt er zich niets van aan.
Zij schaamt zich niet over hare tekortkomingen. Wat is van haar nog te wachten ?
In zulke critiek ligt weinig liefde. Juist het verwijt, dat het haar aan schuldovernemende overgave en toewijding ontbreekt, valt terug op hen, die met een verachtelijk gebaar de kerk verlaten en overloopen naar de socialisten, bij wie men meer van Christus meent te vinden dan bij de kerk.
Met al zulk doen maakte men de verwarring slechts grooter, want hoe zal men de wereld van haar geestelijke ellende verlossen, als men het ongeloof verheft en de kerk aan de verachting prijs geeft ?
Ik beweer niet, dat men de gebreken der kerk moet toedekken.
Zij heeft schuld. Zij sluit zich veel te veel in zichzelve op. Zij draagt den schat van waarheid, gerechtigheid, vrede en zaligheid veel te weinig naar buiten uit. Zij moet noodigen tot de bruiloft des Lams, waar altijd nog plaats is, doch haar stem is te zwak, en in hare noodiging ligt te weinig de ontroering des ontfermers.
Maar als men den eisch stelt dat de kerk het productiestelsel, waarmede de werkloosheid verband houdt, uit de wereld had moeten helpen, dan verwacht men van haar te veel.
De Apostelen vonden in hun tijd de menschonteerende slavernij. Hebben zij er tegen gefulmineerd ? Zij hebben het Evangelie van Gods genade in Christus gepredikt voor rijk en arm, voor heer en slaaf, en dat Evangelie is in onze twintigste eeuw nog even hetzelfde als in de eerste eeuw, en de Geest, die levend maakt, is even machtig als toen Hij de eerste getuigen omgordde met onweerstaanbare harten en zedenvernieuwende kracht.
Waarom heft men de oogen niet in sterker verlangen op naar Hem van Wien onze hulpe komen moet ?
Men hoort zooveel spreken van wat wij moeten doen.
Wij moeten onszelven herzien. Wij moeten getuigen. Wij moeten aan anderen doorgeven wat wij van God ontvangen hebben. Of, wij moeten het geloof aan de absoluutheid van het Christendom maar loslaten, want dat geloof is niet echt, en daarom schuilen wij angstig voor de wereld weg. Immers, wij zeggen, iets te bezitten, dat de wereld niet weet, maar zijn tegelijk doodsbenauwd door die wereld te worden uitgelachen. Zelfs haait men er in dit verband het wetje van Minister Donner tegen de smalende Godslastering bij, om te laten zien, dat de kerk, uit vrees, bij de Overheid bescherming zoekt voor haar geloof, wat geheel in strijd is met de werkelijkheid.
O, zeker, de toekomst wordt dreigend. De hemel wordt zwart.
Als er geene ontspanning komt, moet er wel een vreeselijke uitbarsting volgen. Zij komt al naderbij.
Maar och, lieve broeders en zusters, nu niet bang worden. Niet zenuwachtig heen en weer draven. Stelt u niet voor, dat wij in staat zijn orde in dezen chaos te scheppen, en het in onze hand hebben, de kerk opnieuw leven in te blazen en de geloovigen aan Jezus' voeten te brengen.
Dat is Gods werk. En daarom : „heft uwe oogen op naar de bergen, vanwaar onze hulpe komen zal."
Wij hebben aan niets zooveel behoefte als aan het gebed.
Wordt hieraan niet veel te weinig gedacht ?
Het is zoo, wij hebben al eens even een Biddag gehad.
En er zal wel geen Dienaar des Woords zijn, die met de gemeente een Zondag lag voorbijgaan, dat hij niet voor den nood van kerk en wereld bidt.
En geen Christen-huisvader, die niet das aan dag hetzelfde doet met zijn gezin.
Maar is deze boog wel strak genoeg gespannen ?
Met gevouwen handen, met smeekende oogen, met gebroken harten moeten we den hemel bestormen, of het den Heen believen moge de wereld van haar ongeloof te verlossen en de kerk te maken tot een vrijstad, hoog op den berg, waar alle bedrukten, alle ellendigen, alle zoekende naanr heil en vrede een veilige schuilplaats mogen vinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's