KERKELIJKE RONDSCHOUW
HET KERKELIJK VRAAGSTUK (4).
We zouden op de discussie, welke volgde na het uitspreken van het belangrijke referaat van prof. Grosheide over : „De Gereformeerde Kerken en de andere Kerken" nog even terug komen.
Daarna zullen we in een slotartikel ons eigen oordeel zeggen.
Zeventien sprekers hebben het woord gevoerd, waarvan één dominé uit Hongarije.
Deze zeide o.a. : „ik kan mij niet begrijpen, hoe de eisch gesteld kan worden, dat men in Hongarije ook moet komen tot Afscheiding of Doleantie. In Nederland is de genezing bewerkt door een operatie, maar er is toch óók genezing door medicijnen ? " — Of het nu waar is, dat in Nederland „de genezing bewerkt is door eene operatie" — betwijfelen wij ten zeerste. Sterker : dat ontkennen wij.
Maar overigens sprak deze Hongaarsche dominé Horvath wijze woorden! Ds. K. Sietsma van Eindhoven (we nemen niet alle 16 sprekers, maar volgen toch de rij in het Verslag) vraagt zich af „of Referent niet te pessimistisch is geweest in zijne beschouwing over de Geref. Kerken ? Zeker, we hebben tekortkomingen, maar moeten we daarom iets afdoen van onze pretentie ? Kunnen we nu zóó maar de Chr. Gereformeerde Kerk officieel erkennen en b.v. gaan spreken over de verdeeling van het terrein van Evangelisatie ? " — Over de tekortkomingen dus liefst maar zwijgen en bij samenwerking op verschillend terrein is het dus zeer de vraag, of de Gereformeerde Kerken eigenlijk anderen wel erkennen kunnen en mogen. Het modewoord „onze Pretentie", in de Gereformeerde Kerken nog al gebruikelijk, maakt samenwerking op voet van gelijkheid nog al moeilijk.
Dr. C. N. lmpeta van Kampen heeft er bezwaar tegen „ons zelf in staat van beschuldiging te stellen, nu de beschuldigingen, die tegen ons ingebracht worden, niet te tellen zijn." „Het kan toch niet óns tot schuld worden gerekend, dat we uit de Kerk zijn gezet ? Afscheiding en Doleantie zijn ons opgedrongen. Wat zou men hebben moeten doen, wanneer men ons in de Kerk was blijven dulden ? " — Ook in eigen kring mag het door eigen mannen van naam dus niet gezegd worden, dat er velerlei gebreken en tekortkomingen zijn. Bedekken, zwijgen maar ! Terwijl de eenig goede kijk op de historie is, dat Afscheiding en Doleantie (in één adem genoemd) opgedrongen zijn. Van Gereformeerde menschen die blijven in de Hervormde Kerk kan geen sprake zijn.
Ds. Joh. de Boer van Zuid-Beijerland vraagt : „of het blijven der Herv. Gereformeerden onder de Synodale Organisatie nog wel zonde mag worden genoemd, wanneer we het hun niet mogen verwijten, dat ze met de Doleantie niet zijn meegegaan". — Het moet dus aan de Hervormd Gereformeerden wel verweten worden en het moet hun wel tot zonde worden gerekend !
Ds. H. Meijerink van Katwijk aan den Rijn heeft Referent met instemming gehoord. Ten opzichte van de Christelijke Gereformeerden en Oud-Gereformeerden moeten er nog maar weer pogingen gedaan worden enz. Van de Hervormden sprak ds. M. niet.
Ds. E. H. Broekstra van Rijnsburg acht, dat veel van de beschuldigingen aan 't adres van de Gereformeerde Kerken gedaan worden „tot stilling van de consciëntie." 't Zal dus zoo'n vaart niet loopen met die tekortkomingen daar. Ook heeft hij bezwaar tegen de bewering, dat „de scheuring van 1892 geene zonde is geweest. Liefde moet er zijn maar vóór de liefde gaat de waarheid En hoe zal er ooit sprake van vereeniging kunnen zijn, als de zonde niet als zonde wordt erkend ? " Dit laatste is dus aan 't adres van de Christelijke Gereformeerden, die zonder meer op het zondaarsbankje moeten komen voor 't aangezicht van de heeren van de Gereformeerde Kerken; dan wil men daar nog wel met hen praten.
Ds. J. Duiven van Opeinde Nijega is er niet gerust op, dat men zou willen samenspreken op voet van gelijkheid en daarbij de historie zou willen laten rusten, gelijk prof. G. dat voorstelde.
Dus niet op voet van gelijkheid samenspreken. En de historie dan ophalen, opdat men eerst schuld zal belijden tegenover de Gereformeerde Kerken.
Ds. W. F. C. van Helsdingen van Hendrik Ido Ambacht betuigt zijne instemming met het gehoorde referaat en onderstreept het hier en daar. Dit is de éénige spreker die prof. Grosheide bij valt! Ds. Joh. Jansen van Wierden wijst op de pluriformiteit der Kerk en vraagt of vereeniging van de verschillende kerkelijke instituten wel noodzakelijk is ? — Hij wil het dus blijkbaar maar laten blijven zooals het is, met al de verdeeldheid en verscheurdheid van het lichaam van Christus in dezen lande !
Ds. J. L. Schouten van Amsterdam schijnt de hoofdmoot van het debat te hebben genomen. Hij staat scherp tegenover prof. Grosheide. Na het hooren van dit referaat vraagt hij zich af, of hij het kerkelijk instituut, waartoe hij behoort, moet beschouwen als eene variatie, of als een instituut, dat in overeenstemming is met den eisch des Heeren. Hij meent, dat het laatste het geval is. Maar dan vloeit daaruit ook voort, dat ieder geroepen is zich daarbij te voegen: het Koningschap van Christus moet erkend worden ! De menschen, die de Afscheiding en de Doleantie meemaakten, gingen heen, maar de historie ervan bleef. Teleurgesteld is spreker toen prof. Grosheide het kreeg over de „tekortkomingen" van onze eigen Kerken. Onze groote tekortkoming is de verzwakking van het kerkelijk besef. We kunnen niet met anderen samenspreken op voet van gelijkheid. Niet vergeten mag worden, dat er „getuigenissen" van ons uitgingen. Het laatst in 1905. Als profetes der Waarheid heeft de Kerk voortdurend haar getuigenis te doen uitgaan tot andere Kerken, om ze op te wekken tot reformatie en vereeniging. Daarbij mag Gods zegen worden verwacht."
Hier hebben we eigenlijk het standpunt van de mannen der Gereformeerde Kerken.
De Gereformeerde Kerken zijn, is de Kerk en ieder is geroepen, verplicht, zich daarbij te voegen. Niemand buiten de Gereformeerde Kerken erkent het Koningschap van Christus! Van tekortkomingen der Gereformeerde Kerken mag niet gesproken, dan van ééne n.l. dat velen te weinig kerkistisch worden! Er mag niet met anderen gesproken worden op voet van gelijkheid.
De Gereformeerde Kerken hebben genoeg „Getuigenissen" tot anderen doen uitgaan.
Zij hebben haar plicht gedaan. De Gereformeerde Kerken mogen daarom op Gods zegen rekenen. De anderen mogen toezien. Zelden hebben we het scherper en onaangenamer gehoord of gelezen ! (Slot volgt).
DANKBAAR EN VOLDAAN.
De 117de Vergadering van de Synode (geteld vanaf 1816) ligt weer achter den rug. Ook dit jaar hebben de 19 leden het in 19 zittingen weten klaar te spelen.
Veelal spreekt men niet met veel eerbied over de Synode en haar werk. Misschien omdat zij het er naar gemaakt heeft! De N. Rott. Ct. merkte op : „De arbeid der Synode kenmerkt zich door een verschijnsel, dat men rhythmische fluctuatie zou kunnen noemen. Het schommelstelsel 10 : 9 en 9 : 10 is bekend.
Wat de Synode het ééne jaar aanneemt, verwerpt zij het volgende. En waarlijk openbaart zich dit afwisselend karakter ook in den zittingsduur, welke om het andere jaar varieert enz."
Dat schommelstelsel n.l. dat het ééne jaar iets wordt aangenomen, dat het volgende jaar wordt verworpen, hebben we dit jaar ook weer kunnen waarnemen.
Maar niet zóó rustig dat wat het vorige jaar 10 was nu 9 werd, maar zóó geweldig, dat wat het vorige jaar aangenomen werd, nu met 15 tegen 4 stemmen verworpen is. Sterker kan het moeilijk.
Wij hebben het oog op het beroemde of beruchte voorstel van het vredig same in wonen in de Hervormde Kerk van de verschillende richtingen.
Op de Classicale Vergaderingen is dat Synodale voorstel met groote meerderheid verworpen.
En nu in de Synode, na ampele bespreking, door 15 van de 19 stemmen voor goed afgemaakt.
Met het oog hierop zeggen we : dankbaar en voldaan.
Als er één ding duidelijk is geworden, dan is het dit, dat de Kerk van dergelijke voorstellen niets, niets weten wil.
En wij verblijden er ons van harte over.
Het is een bewijs dat onze Kerk nog niet oud en verouderd en der verdwijning nabij is, nog niet dood is — maar leeft, zelf vragend om meer in de gelegenheid te mogen worden gesteld als Kerk van Christus te mogen uitkomen in het midden des volks !
WAT ONZE TIJD NOODIG HEEFT,
Onze 20ste eeuw vertoont in hoofdzaak een tweeledig karakter.
Zij is eenerzijds atheïstisch, sterk atheïstisch, door dik en dun atheïstisch. En anderzijds is zij religieus, sterk religieus, door dik en dun religieus. De materie is alles bij velen, maar er is ook sprake van de „overwinning der ziel" (van de psyche, van den geest). Maar die „ziel" komt uit 'n roes, onder een deformeerenden invloed des ongeloofs en des bijgeloofs. En zoo komt het, dat in onze dagen de „ziel" zich wel voelt en zich laat gelden boven de materie uit, maar de ziel staat als in een vreemd land, kent zich zelf niet en weet geen weg om te komen tot vervulling harer behoeften; zij mist den troost, om troosteloos en armelijk om te komen ! Velen staan in deze materialistische wereld onthutst, verbaasd, ontdaan, angstig, hopeloos soms en ze kunnen niet óp tegen de geweldige vragen, die zich bij de geestesworsteling onzer dagen voordoen.
„Wie zal ons troosten ? " is de vraag, zooals het ook de vraag was in de dagen vóór den zondvloed, toen er reuzen op de aarde waren en het leven niet zelden hol en arm, verward en troosteloos was.
We beleven een „reuzen" tijdperk, maar velen staan arm, onthutst, ontdaan, angstig, troosteloos midden in het leven, dat hier op aarde een handbreed is gesteld, maar niettemin bestemd om voort te duren tot in eeuwigheid en juist daarom, om een antwoord vraagt op de verzuchting : „wie zal ons troosten ? " Alles is ontwricht, losgemaakt, onzeker.
Men worstelt om een nieuwen mensch èn een nieuwen God.
Onze groote eeuw komt met groote dingen, en groote dingen staan overal op 't spel, maar de mensch staat op de vlakte als een eenzame te midden van een wervelwind, onvast, onzeker, onthutst, angstig, troosteloos — daarbij bovenmate bij geloovig en lichtgeloovig zijnde, wat de zekerheid en den troost niet brengt, maar den angst en het ongeluk vermeerdert.
Daarom juist hebben we in onze dagen, in deze verlichte 20ste eeuw met haar aufklarungs-beweging weer zoo grootelijks behoefte aan het Evangelie, dat een kracht Gods is tot zaligheid ; en dan niet een Evangelie, dat naar den mensch is en door den mensch wordt voortgebracht, maar dat eeuwig Evangelie van Gods wondere wijsheid en grondelooze genade, zooals het in Gods Woord ons is geopenbaard en in Jezus Christus, den Zaligmaker van zondaren-, ons is gegeven. We hebben behoefte aan de objectieve waarheid bij onze subjectieve ledigheid en troosteloosheid. We hebben behoefte aan hetgeen God Zelf ons gegeven heeft, om dat te ontvangen voor ons arm, zondig leven en het in geloove aan te nemen uit de hand des ontfermenden Gods.
Daarvoor is noodig de Kerk en de prediking des Evangelies „opdat gij ten volle kondet begrijpen met alle de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij", Efeze 3 vers 18.
't Gaat om den rijkdom der in Christus geopenbaarde genade tot verlossing en zaligheid van arme zondaren geopenbaard.
En de Kerk heeft dat Evangelie te prediken allen creaturen, tot aan de uiterste einden der aarde.
Hierbij heeft de Kerk niet het recht, om te zeggen, dat wij „niets van de waarheid weten" en dus te komen met het agnosticisme, zooals onze verlichte tijd dat wel zou willen, want o, zoo velen willen, dat er toch vooral maar de nadruk op gelegd wordt, dat wij niets van de waarheid weten ! Maar dan zou de Kerk van Christus ook niet kunnen zijn „een pilaar en vastigheid der waarheid", noch ook een getrouwe getuige van Jezus Christus en verkondigster van het Evangelie. Dan zou zij ook niet het recht hebben te komen met de prediking des Woords, waartoe de Heiland Zelf haar geroepen heeft en waartoe Hij evangelisten, herders en leeraars gaf.
De Kerk heeft een groot voorrecht.
Welk ? Niet minder dan dit: dat haar de Woorden Gods, de woorden des levens zijn toebetrouwd. (Rom. 3 vers 2.) Hierbij willen velen, die zelf het stuur kwijt zijn en nooit goed onderlegd geworden zijn in de waarheid der Schriften, dan zoo gaarne er den nadruk op leggen : dat de Kerk toch vooral geen dogma's moet leeren ! Zelf levend uit een onwezenlijk, troosteloos, arm subjectivisme, wil men niet weten van de objectieve Godswaarheid, ons in des Heeren Woord door Gods Geest geopenbaard. En waar het juist Gods groote liefde is, dat we het Woord zullen hooren en gaarne zullen aannemen, om alzoo te komen tot kennis der zaligheid, wil de arme mensch vastleggen, dat de mensch uit zichzelf moet voortbrengen wat waarheid is en dat men niet mag komen met Gods Woord. (Hand. 18 vers 28).
Zoo gaat men zonder kennis verloren! Waarbij het juist de roeping der Kerk is, niet om zelve allerlei dogma's te maken naar menschelijke wijsheid, maar om de waarheden des geloofs te prediken, die als oude en nieuwe schatten telkens uit Gods Woord moeten worden geput, waarvan het middelpunt is: Jezus Christus, zooals Hij geboren is, geleden heeft, gestorven en begraven is, ten derden dage waarachtig uit den dood opgestaan en daarna ten hemel gevaren is, zittende nu ter rechterhand des Vaders, van waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.
Dat zijn geen dogma's in den zin, waarin onze futlooze, ongelukkige, angstige, ontredderde tegenwoordige wereld smalend over „dogma's" spreekt — maar dat zijn Goddelijke waarheden, waarin de ziele van arme zondaren door alle eeuwen heen in den weg des geloofs vrede en zaligheid gevonden heeft, prijzende de wijsheid en de kennisse Gods, die onnaspeurlijk rijk en ondoorgrondelijk heerlijk is, een reuke des levens ten leven en een kracht Gods tot zaligheid voor een iegelijk, die gelooft. Juist omdat we leven in dagen waarin telkens uitkomt, dat des menschen ziel te kostelijk is, om te leven van het materialisme en er in dien zin gesproken mag worden van de „overwinning der ziel", is het zoo noodig, dat de Kerk niet leeft uit den geest van „agnosticisme", telkens zeggende : „wij weten niets van de waarheid", maar dat gepredikt wordt het Evangelie van Jezus Christus naar de Schriften.
Want de mensch kan van het agnostijisme niet leven. Het religieus-agnosticisme, dat op godsdienstig terrein en wat het geestelijk leven betreft, altijd zegt : wij weten niets", laat de ontredderde wereld, die zoo arm, zoo onthutst, zoo ledig, zoo bang, zoo bijgeloovig en zoo lichtgeloovig is — ongelukkig en hulpeloos, ongetroost en beangst, ellendig omkomen. En ja, dan gaat de mensch, die toch vastigheid hebben wil tegenover het agnosticisme (van Kant) stellen het ideeisme (van Hegel), om in plaats van het dogma dan te komen met de Idee - maar dan met negatie van de openbaring Gods.
Met het volle vertrouwen in den denkenden mensch, die zoo gaarne spreekt van de Idee, om dan over die Ideeën te filosofeeren, willen velen de toekomst tegemoet gaan. Men wil dan niet ongodsdienstig zijn, men is dan religieus en geestelijk aanvoelend — maar de Godsopenbaring, de historische feitelijkheid der Zelfopenbaring Gods in de Heilige Schrift, welke de eenige waarachtige en betrouwbare bron der waarheid is, in welke waarheid de Heilige Geest ons wil komen onderwijzen, wil men niet aanvaarden. Die eenig betrouwbare bron wil men niet erkennen. Liever dan te leven bij en uit de veelvuldige wijsheid Gods, leeft men bij eigen Ideeën, maar de basis voor waarachtige religie ontbreekt dan, de vulling der ziel met het eeuwige leven blijft uit en de kracht van het kerkelijk leven, het wezen van de Gemeente des Heeren Christus, is dan gebroken en geschonden.
Nooit heeft de Kerk gepredikt, dat men van dogma's leven kan. Maar altijd heeft de Kerk van Christus geweigerd, om over te komen tot het agnosticisme of ook tot het idee-isme, maar zij is uitgegaan van de objectiviteit van de Gods waarheid en van de feitelijkheid der heilsfeiten, zij heeft de Godsopenbaring als de eenige bron der ware religie erkend en gesproken van een zekerheid des geloofs in het midden van de Gemeente des Heeren, die zich schaart rondom de heilige Schrift en leeft uit het geloof in Jezus Christus, die „naar de Schriften" is geboren, heeft, geleefd, heeft geleden, en is gestorven, is opgestaan en ten hemel gevaren, nu verhoogd zijnde aan de rechterhand der kracht Gods. Alles „naar de Schriften", zooals het niet door menschen is uitgedacht, maar door den Heere Zelf ons is bekend gemaakt. (Hand. 18 vers 28). Waarbij we dan niet staan als „niets wetende van de waarheid", maar waarbij we dan mogen leven als bezittende de woorden Gods, welke ons zijn toebetrouwd ; blijvende bij des Heeren Wet en Waarheid, die volmaakter glans verspreidt dan de zon en den eenvoudigen wijsheid leert.
In den Catechismus b.v. spreekt niet het agnosticisme, zeggende : „wij weten niets van de waarheid". Geenszins ! Daar spreekt ook niet het rationalisme, of het idee-isme, alsof het gaat om des menschen ideeën en een waarheid, die naar het verstand is en door het verstand is voortgebracht.
Neen — in onzen Heidelberger Catechismus is een christ-geloovige aan het woord, die altijd spreekt van Goddelijke waarheden, ons in des Heeren Woord geopenbaard van heilsfeiten die zeker en vast zijn, om daarbij dan te spreken van de nuttigheid, van den troost, van de zaligheid voor een iegelijk die gelooft, van welk volk men ook is, in welken tijd men ook leeft, onder welke omstandigheden men ook leeft en sterft.
De Catechismus belijdt even objectief als bv. de Nederlandsche Geloofsbelijdenis het door de Gemeente omhelsde schriftuurlijke dogma, als, goddelijke waarheid. Maar de Catechismus, als troostboek en leerboek voor Christus' Kerk, accentueert sterk, dat dit objectieve, schriftuurlijke. Goddelijke dogma, niet boven ons zweeft, maar dat de Gemeente des Heeren van alle tijden haar wijsheid, haar troost, haar kracht bezit voor leven en sterven beide, als zij die waarheid Gods geloovig omhelst. Het objectieve getuigenis van het Woord wordt beleden en vastgehouden ; en de objectieve waarheid wordt in en door het subjectieve getuigenis des Heiligen Geestes bevestigd tot wijsheid en troost, voor een iegelijk die gelooft.
Hier ligt de basis voor de ware religie en ook de basis voor een gezond kerkelijk leven.
De on-en anti-dogmatische religie, die zich in onze dagen veelvuldig aandient, brengt ons een religieusiteit zonder inhoud en vastigheid, zonder waarheid en zonder troost, zonder sterkte en zonder toekomst; en het maakt een gezond, krachtig kerkelijk leven onmogelijk, 't Blijft alles hangen in het vage, onbestemde „gevoelen" van den mensch, om te zweren bij de "ideeën" van den mensch, maar staat intusschen vijandig tegenover de objectieve Waarheid Gods, tegenover de Heilige Schrift, tegenover „het staat geschreven" en „er is geschied", om agnostisch, onzeker, onvast zijnde, tegelijk den genadeslag te geven aan alle kerkelijk leven. Hoogstens komt men dan op voor vrije-vroomheid, waarbij de mensch „vroom" weigert om te leven bij de woorden Gods, voor zich zelf heel vroom 't recht opeischend, om zelf wegen en middelen uit te denken en vast te stellen, die vol zijn van de „ideeën" der menschen, maar niets gemeen hebben met de gedachten Gods, ons in Zijn Woord geopenbaard.
In schijn zoo nederig zich betoonend, is men zóó hoogmoedig, dat men weigert om te buigen onder de waarheid Gods, zich trotsch en ijdel verheffend op de gedachten des menschen, die veel beter worden geacht dan de waarheid Gods naar de Schriften.
Dan wordt ook aan den Christus der Schriften niet de plaats gegeven waarop Hij recht heeft.
En voor den Verlosser en Zaligmaker Jezus Christus, van Wien b.v. de Catechismus zoo'n heerlijk, troostvol getuigenis geeft voor een arm zondaarsvolk, wordt een ideeën-Christus in de plaats geschoven, die hoogstens een ideëel Voorbeeld, maar geenszins een Goddelijk heerlijk en volzalig Middelaar en Verlosser is, van Wien een iegelijk die gelooft zoo gaarne belijdt: „zoo is er dan geen verdoemenis meer voor degenen die in Jezus Christus zijn'". (Rom. 8 vers 1).
Neen, ons dogmatisch-christendom met het Evangelie naar de Schriften is nog niet oud en verouderd en der verdwijning nabij !
En in onze dagen vooral, die eenerzijds zoo vol van het materialisme zijn en anderzijds zoo vol van valsche religie, is de roeping van de Kerk van Christus om te zijn een getrouwe getuige van Gods openbaring en een pilaar en vastigheid der waarheid, die een kracht Gods tot zaligheid is voor een iegelijk die gelooft. Op deze basis alleen kan de ware religie bloeien en kan alleen een gezond en gezegend kerkelijk leven staan en groeien. Dat ook in onze dagen nog getuigd mag worden, ook in het midden van onze Hervormde, Gereformeerde Kerk: „En het Woord Gods wies en vermenigvuldigde'" (Hand. 12 vers 24).
MEN VOELT ZICH ZOO GELUKKIG.
In „De Bazuin" (Orgaan van de Geref. Kerken, bizonder van de Theol. School te Kampen) vonden we een stukje, dat overgenomen was uit het Friesch Kerkblad (ook van de Geref. Kerken uitgaande).
Daar bespreekt ds. J. Hartkamp het bericht, ook door ons overgenomen, dat de heer Vrolijk, ouderling van de Ned. Herv. Gemeente te Scheveningen op de Classicale Vergadering van Den Haag heeft voorgesteld om ter gelegenheid van het Eeuwfeest der Afscheiding (1934) eene betuiging van leedwezen aan de Geref. Kerken te zenden over de harde bejegening in 1834 en 1886 ondervonden.
„Dit voorstel van broeder Vrolijk", " aldus ds. H. in het Fr. Kerkblad, „is ons zeer sympathiek en heeft ons weldadig aangedaan. Wij danken hem daarvoor. Het spreekt er van, dat hij iets gevoelt van hetgeen geleden is door onze groot-ouders en ouders, die waarlijk niet om eene beuzlihng den weg gegaan zijn, dien ze meenden te moeten inslaan om de wille van de Waarheid Gods, de zuivere belijdenis en het heil van Gods Kerk in ons Vaderland."
Tot zoover gaat het goed.
Ook als ds. Hoekert van Voorburg er bij schreef „dat wij niet mee kunnen jubileeren, zelfs niet kunnen feliciteeren — maar dat wij ons zelf condoleeren, dat deze breuke, geslagen in het lichaam van Christus, nog steeds niet genezen is. En laat er voorts broederlijk gevraagd worden of de noodzakelijke éénheid in Christus, die ook het instituut der Kerk sieren moet, ja haar fundament moet zijn, ons niet dwingen moet te vergeten hetgeen dat achter is en de handen ineen te slaan."
„Ook dit schrijven van ds. Hoekert", aldus ds. H. in het Friesch Kerkblad, „spreekt ons toe. Wij kunnen het goed plaatsen, dat hij ons wil laten weten, dat onze Hervormde broeders ons niet kunnen feliciteeren op het a.s. eeuwfeest. Dat is oprecht en eerlijk. We waardeeren het. Beter zulk een ridderlijk open spreken dan eene felicitatie, die niet oprecht kan zijn, omdat men de zaak der Kerk in ons land anders ziet. Als hij ons vraagt te vergeten, wat achter is, willen we zonder aarzeling uitspreken, dat we van, harte vergeven wat misdreven is door de Herv. Kerkbesturen vooral in 1834."
Tot zoover loopt alles dus aardig. Sympathiek vindt men het zoo. Maar dan komt de staart van het ingezonden stuk van ds. Hartkamp. En om die staart zal het voor een goed deel wel te doen zijn bij menschen van de Geref. Kerken zooals ds. Hartkamp c.s.
„Eén ding kunnen we niet", zoo lezen we verder. „We kunnen niet heenstappen over 't principieel verschil — over de vraag of er leertucht in de Kerk des Heeren moet zijn of niet. Dat is een zaak van beginsel, eene zaak van onze consciëntie. Dat is de hoofdzaak geweest in de Afscheiding en in de Doleantie. Als we zien, dat in de Synode van de Hervormde Kerk in 1932 zitting hebben 11 orthodoxen, onder wie er nog zijn, die van leertucht niets willen weten, en 8 vrijzinnigen, die eenparig alle leertucht verwerpen, en dat in een bidstond voor de vergadering der Synode een rechtzinnig professor en een vrij zinnige predikant, die het zoenbloed van Christus loochent, te zamen voorgaan — neen, dan kunnen we en mogen we niet anders, dan blijven in het spoor van de mannen der Afscheiding en der Doleantie. We kunnen ons niet en we mogen ons niet voegen daar waar de loochening van Christus' kruisverdienste en verzoenend lijden gedoogd wordt en de Geref. belijdenis niet gehandhaafd wordt."
Wij betreuren het, dat ds. Hartkamp in 1932 nog weer eens met een dergelijke beschouwing komt aangaande de Hervormde Kerk, waarbij hij de situatie toekent alsof wij in de Hervormde Kerk ons verheugen over de dingen die hij noemt en alsof wij onzen Geref. broeders vragen, om tot ons terug te komen en dan mee met ons blijmoedigen gerust te leven onder en bij de dingen door hem genoemd, !
Niemand echter van ons ziet deze dingen als ideaal. Duizenden willen het juist anders. En dat de dingen nog zoo zijn zooals ze zijn, is mee doordat onze Geref. broeders gescheiden leven van de al oude Geref. Kerk, die krank is, maar niet dood, die in deformatie verkeert maar niet een valsche Kerk is. Neen ! men moest in 1932 niet zóó over de Hervormde Kerk spreken, alsof die Kerk voor de gescheiden-levende broeders een Kerk is, waarmee men niets te maken heeft. Daarbij in een toon sprekend, alsof men wil zeggen : wij zijn met onze Geref. Kerken in zoo'n heerlijken toestand gekomen, dat we er voor bedanken, om naar de Hervormde Kerk over te komen.
Gaat de aloude Gereformeerde Kerk onzen gescheiden broeders en zusters dan niet meer ter harte ?
Dat de verhouding in de Synode is zooals zij is, zegt in verband met den toestand van de Hervormde Kerk, als Kerk, eigenlijk niets. Die verhouding van 11 en 8 komt uit heel bizondere oorzaken voort — zooals men zéér wel weten kan in de Gereformeerde Kerken.
En dat we niet verder, niet veel verder zijn wat de inrichting van het kerkelijk leven en de handhaving der belijdenis aangaat, is voor een groot deel te wijten aan de Gereformeerden die gescheiden leven van de aloude Gereformeerde Kerk. Waarbij de Heere ondanks de Afscheiding en de Doleantie de aloude Gereformeerde Kerk niet heeft verlaten, maar haar met Zijne vele, rijke, heerlijke zegeningen nog steeds bezoekt als de God des eeds en des verbonds.
Wij vinden het maar een zeer zwak standpunt als men zich in de Gereformeerde Kerken eigenlijk alleen maar weet te handhaven met beweringen als: „in de Hervormde Kerk zijn modernen", „in de Hervormde Kerk zijn nog zooveel gebreken enz. enz." Dat kan misschien even indruk maken op sommige menschen, maar dat kan en mag nooit een oorzaak zijn om zich van de Hervormde Kerk af te scheiden. Want in 1932 moest men weten, dat de huidige toestanden mee voor de verantwoording liggen van degenen, die zich van de Hervormde Kerk hebben afgescheiden.
En in 1932 te doen alsof men nu nog leeft in 1834, is al te naief. Wij gelooven, dat het kerkelijk vraagstuk veel dieper en veel ernstiger moet worden gevoeld. En de oorzaak, dat men zóó schrijft als boven kunnen wij alleen verklaren uit een stemming, die uitkomt in woorden als deze : wij voelen ons in onzen eigen kring veel te gelukkig, dat we er over zouden gaan denken, dat er nog andere en nog groótere dingen aan de orde kunnen gesteld worden, dan een rustig samenwonen van geestverwanten. Men wil eigen rust niet opofferen aan den strijd om Kerkherstel in het midden van het Nederlandsche volk. En dat is te betreuren !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's