VAN DEN WOORDE GODS
Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.
XVIII.
(Nadruk verboden).
Zoo prediken dus de hemelen ons den samenhang aller dingen ook in het historisch leven der menschheid, der volken, van den enkelen mensch. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit. Het heden heeft beteekenis voor morgen, zooals gisteren voor den dag van heden. Dit leerden de hemelen aan den dichter, dat de levensinhoud en dus de levensdaad van dezen dag niet beperkt blijft tot heden, maar zich voortzet door den tijd, zelfs door geslacht na geslacht. Indien de volkeren dezer wereld die kennis van den Psalmdichter bezaten, hoe anders zou dan de geschiedenis zich ontwikkelen. Als zij zich bewust waren van de geweldige verantwoordelijkheid, die zedelijk, economisch en politiek met de stemmingen, met het streven, met het handelen der volken verbonden is, hoeveel zou dan anders geworden zijn ! Maar dit is nu juist zoo merkwaardig ; zij beroemen zich op hunne wetenschap, die leert den loop der verschijnselen te voorzien, te berekenen. Met name de nieuwere wetenschappen, die als de maatschappij-leer, de sociologie, het laatst in den kring harer oudere zusters zijn binnengetreden, beloofden een licht te kunnen ontsteken over de maatschappelijke levens verschijnselen der volkeren. En ondanks deze overwinningen der rede, waarin men geloofde, bleek er van een toepassen daarvan op het leven der volkeren niets. In Gods Woord hadden zij het kunnen lezen, met dat Woord in de hand hadden de hemelen het hem kunnen prediken, dat het heden, en al wat daarin geschiedt, zwanger is van de toekomst, dat de toekomst er erfelijk door belast wordt. Maar zij hebben er niet op gelet. En ook diezelfde wetenschap, waarover de moderne menschheid zich verblijdde, waarin zij zich verheerlijkte als in eene schepping harer cultureele krachten, ook zij leerde haar den onverbrekelijken samenhang van oorzaak en verband, van den dag, die overvloediglijk sprake uitstort aan den komenden dag. Maar de volken hebben er niet geacht. Zij leefden voort als werden zij bewogen door slechts brute, blindwerkende krachten, vrede zoekende in eigen wegen, in de vervulling van begeerten en wenschen, in de verzadiging van den honger naar weelde en lessching van den dorst naar genot. De massa's leefden voort, gedragen slechts door den drang naar wat het aardsche leven scheen te verrijken. Zij stierven af van de eeuwige dingen. Zij wandelden niet meer onder de lichten des hemels, die zij gedoofd waanden door hunne rede, door hun wetenschap en macht, en zij verblijdden zich in het kunstlicht, dat zij zelven hadden voortgebracht en waanden daardoor aan nacht en donkerheid voor goed te zijn ontkomen. Zoo leef den de volkeren voort, worstelend van jaar tot jaar onder de leiding hunner machtigen en grooten. Van dag tot dag werd de schreeuw gehoord naar de vervulling der idealen, die aan de massa werden voorgetooverd door hare misleiders, die Ezechiël reeds zoo treffend juist heeft geteekend, toen hij profeteerde van „de herderen Israels, die zichzelven weiden". Het was een gedruisch als van een machtig heir, dat den grond deed dreinen onder zijn voeten en het gejuich als van een heirleger, dat zich zeker waande van de overwinning. En te midden van dit alles hadden zij geene oogen voor die wetten des levens, die zich niet straffeloos laten vertreden. De volken zagen niet meer op naar den hemel en lazen er de woorden Gods niet en hunne leidslieden waren blinden en vervulden alzoo de vermaning des Heeren : „als de blinde den blinde leidt, beiden vallen zy in de gracht". De volkeren leefden als bij den dag, zooals de massa zelve ook reeds had geleefd. En alzoo werd aan hen de wet voltrokken, dat de dag aan den dag overvloediglijk sprake uitstort, de dag aan den dag het zijne overdraagt, zoodat ten laatste aan hen vervuld werd, hetgeen Asaph in Gods heiligdommen leerde kennen en hij merkte op der goddeloozen einde. De volkeren van het Westen werden gezet op gladde plaatsen en Hij deed hen vallen in verwoestingen. En toen werden zy als in een oogenblik tot verwoesting en werden te niet van verschrikkingen. Dat was het noodzakelijk gevolg van een economisch, sociaal en politiek leven, waarover het hemelsch licht niet meer zijn schijnsel wierp. De volken zagen niet meer op tot de hemelen, merkten niet meer op het weefsel der dagen, voelden niet meer van de ontroerende verantwoordelijkheid, die zij dragen voor hun levensdaden, voor hun levensgang. Hunne leidslieden, meestal opgekomen op den vleugelslag eener valsche democratie, vroegen slechts naar de lusten en begeerten der zelfde massa, die zy eerst hadden misleid. En hunne machthebbers, bevreesd voor den revolutie-drang, die woelde in den boezem hunner volken, zij kwamen tezamen van kwaad tot erger om ten slotte met hunne volken te ervaren, dat al deze valsche idealen, welker vervulling zij nastreefden, als dwaallichten voerden tot een haastig verderf. Het is hun allen, ja, der gansche wereld geworden „als een droom na het ontwaken". De Heere waakte op en Hij verachtte hun beeld. Zij hebben al te zaam het Woord huns Gods verlaten, zelfs dat Godswoord, dat in de hemelen boven ons geschreven staat en ook gehoord kan worden, als de dag aan den dag overvloediglijk sprake uitstort.
Zoo leert de dichter ons verstaan welk eene aangrijpende zedelijke verantwoordelijkheid rust op de volken der aarde en op hunne leidslieden en machthebbers. Wat zij doen, zoowel als hetgeen zij nalaten, hetgeen zij zeggen of zwijgen, de wetten, die zij aan hunne volken geven, de verplichtingen, die zij hun opleggen, de banen, waarin zij hen leiden, de idealen, die zij hun voorspiegelen, het draagt alles een zaad in zich, dat in de toekomst zal ontkiemen. Het is alles zwanger van gevolgen, die zij zelven wel moesten, maar meestal niet kuimen, vaak zelfs niet willen doorzien, zy leefden als bij den dag en voelden niet meer van de goddelijke roeping rekenschap te geven van hun rentmeesterschap. In God-vergetenheid hebben zij Zijn Woord verlaten, welke wijsheid kunnen zy dan nog hebben ? En zoo gingen de dagen voort, hunne erfelijke belasting aan elkander overdragend, totdat de verwoestingen kwamen van den wereldkrijg en na dezen de geweldige ontwrichting dezer crisis, die spot met den ydelen waan eener wereld, die zichzelve dacht te kunnen verlossen van den vloek harer zonde, die door de dagen was overgedragen op de dagen. De zonde wil de Westersche menschheid blijven dienen, naarstig blijven opgaan in den tempel van Mammon, in de heiligdommen harer afgodische cultuur, blijven genieten van de levensgenoegens, die ook door de dagen aan elkander worden overgegeven. Van de zonde wil zy niet scheiden, haar blijven koesteren aan haar boezem, als de slang, die zy streelt en liefkoost en die zy slechts de giftanden meent te kunnen uitbreken om haar doodelyk venyn te ontvlieden. Zoo leefde de moderne menschheid en zoo kwam zy tot haren val. En zoo leeft zy nog om, wie weet tot welk een schrikkelyk lot, te worden overgegeven.
De Psalmist wyst ons naar de hemelen, roept ons op daar te zien, als met onze natuurlyke oogen, hoe de schalmen van oorzaken en gevolgen gesmeed zyn tot eene onbreekbare keten, van welker boeien de volken zich niet kunnen bevryden, aan welker omklemming zy zich niet kunnen ontworstelen. De apostel ontvouwt ons diezelfde gedachte in gansch andere woorden als de Psalmist, wanneer hy van de heidenen met hun God en mensch onteerende eerediensten zegt: „daarom heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin om te doen dingen, die niet betamen". In die overgave door God wordt de mensch onderworpen aan de voUe consequentie zijner eigene daden. En dat is het lot der wereld in de tyden, die wij doorleven. De van God zich vervreemdende volkeren van 't Westen, de ontkerstende massa, die eenmaal ïn hare voorgeslachten den zegen in de genade des kruises heeft gekend, zy ontvangen het lot, dat zij zichzelven hebben verdiend en krimpen inéén onder het ijdelen juk der wet van oorzaak en gevolg, waaraan zij krachtens de scheppings-ordinantie Gods zyn onderworpen. De dag aan den dag stort over hen overvloediglyk sprake uit. En zoo wordt aan de moderne menschheid het woord vervuld, dat Johannes eenmaal sprak van de gemeente te Thyatire : „en Ik zal ulieden geven een iegelyk naar uwe werken".
Dit is het, dat zy hadden kunnen lezen in het geschieden, dat zich van dag tot dag in de hemelen aan onze oogen voorstelt. Indien de volkeren slechts oogen hadden gehad om te zien en harten om op te merken. Hoe geheel anders zou de wereld er uitzien, als naar die ordinantie Gods, voor het natuurlyke leven gegeven, gevraagd was en werd! Dan zouden de volksmassa's niet verteerd worden door zlekelyke genot-en ydele weelde-zucht. Maar soberheid en ingetogenheid, maar plichtsbesef en verantwoordelykheidsgevoel zouden tot hun recht komen. Het leven, verre boven de krachten der nationale vermogens, zou een einde hebben en het valsche en vooze idealisme zou plaats maken voor de erkenning der werkelykheid. Het geluk, waarnaar de Westersche wereld tevergeefs uitziet, waarom zy roept en worstelt en dat telkens terugwijkt, als zy waant het in revolutie na revolutie te ziülen grypen, dat geluk zou geboren worden in het leven der natiën, die met de aanvaarding der werkelykheid ook de verantwoordelykheid zouden kennen. Hoe arm eindigt ten slotte de wereld, ondanks allen rykdom harer cultuur, en hoe rampzalig zyn de volken geworden, ondanks de weelde, waarin zy zich hebben gebaad ! Het kunstlicht, waarop zy zich verhoovaardigde, dat hare nachten scheen te veranderen in den dag, dat haar onafhankeiyk scheen te maken van den Schepper zelven, die toch van oogenblik tot oogenblik haar draagt met zyne almachtige, alomtegenwoordige kracht, het doofde zyn glans en liet de Westersche menschheid staan in een nacht van donkerheid, als de eeuwen voor deze nauwlyks hebben gekend.
Doch daaruit blykt dan ook, hoe noodig het is, dat Gods Kerk weder hare roepstem doet uitgaan om de volken te wekken tot hernieuwing des levens. Hoe zullen zy gelooven, indien niemand hun predikt ! Zyn zy niet als teruggezonken en terugzinkend in het heidendom, waaruit zy eenmaal door Christus, den Levensvorst, werden verlost. Zoo ooit, dan zyn het nu de tyden om het bazuingeschal van Gods Woord weder te laten klinken. Want dat Woord onderscheidt zich juist daarin van alle valsche idealisme en alle vooze voorspiegelingen van ryker en gelukkiger leven, dat het ons de waarheid biedt in het heden. Het geeft, ja, ook een toekomstbelofte, doch het biedt ook eene belofte voor dit heden en het vervult deze tevens. De godzaligheid heeft de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. De godzaligheid toch gaat niet om buiten Gods Woord, zy kan niet zonder dat Woord. Zy leert het lezen in de hemelen boven ons, stelt het voor ons hl de natuur. En de natuur zelf zegt ons, dat wy zullen hooren, hoe de dag aan den dag overvloediglyk sprake uitstort, hoe er dus is een onlosmakelijk verband tusschen het heden en den dag van morgen, tusschen dit leven en het toekomende, tusschen tyd en eeuwigheid. Onafscheidelyk zyn zy saamgesnoerd. En daarom is ook groot het goed van Gods kinderen. De apostel troost er ons mede te midden van de donkerheid der tyden, door ons het onlosmakelijk verband te laten zien tusschen heden en morgen, ais hij zegt : „want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbygaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlykheid".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's