De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Een enkele maal heeft Marijke onder het lezen dezer woorden opgehouden, omdat zij meende de voordeur te hooren open gaan en iemand binnenkomen. Maar omdat Anneke enkel oor was en blijkbaar niets gehoord heeft, is zij opnieuw beginnen te lezen tot aan het einde van het hoofdstuk, zoo getuigend van de geloofskracht der martelaars, die alles veil hebben gehad voor de zaak van het koninkrijk Gods.
Daarna blijft het eenige oogenblikken stil in het kamertje. Elk is met zijn eigen gedachten bezig, maar beiden gevoelen dat die woorden tot het hart moeten doordringen om zóó den rijkdom huimer vertroostingen mee te deelen.
Anneke is de eerste die daarna spreekt. „Wat beteekent mijn kruis bij hetgeen die mannen en vrouwen in vroeger eeuwen om 's Heeren wil moesten verdragen", zegt zij. „Daar zijn nog anderen, die oneindig zwaarder offers moesten brengen. Ook al zal ik mijn heele verdere leven desnoods alléén moeten gaan, zonder ooit de weelde van eigen huis en haard te leeren kennen, dan nóg heb ik overvloedig stof om den Heer te danken voor zooveel weldaden, en niet het minst voor déze, dat de Heer zelf bij mij intrek wilde nemen om mij te maken tot een schaap Zijner kudde, voor welke Hij Zijn leven liet."
Aldus spreekt zij en daarin vindt zij al haar blijdschap weer. Heeft zij niet als een Maria geleerd zich neer te zetten aan de voeten van Jezus, om daar het ééne noodige te zoeken, en is dat geen groote genade van God ?
Wat doet het oude Marijke goed deze woorden te hooren. Zij had in al haar eenvoud den Heere gevraagd haar vandaag de juiste woorden in den mond te leggen, die voor haar jeugdige vriendin als een geneesmiddel zouden kunnen werken, en in deze mededeeling van de naaister zag zij de verhooring van haar gebed.
„God is goed voor ons. Anneke, " zegt zij, „en wij zijn in goed gezelschap wanneer wij het bergpad gaan, dat naar de stad der erfenis voert. Profeten en Apostelen zijn ons voorgegaan, en daar is een zeer groote schare, die niemand tellen kan."
Dit vindt Anneke ook, alleen, zij zou zoo gaarne zien dat velen die zij lief heeft, waaronder haar eigen moeder en Jouke en zoovele anderen, met haar dien weg bewandelden. Wat zou daardoor het leven wandelden. Wat zou daardoor het leven gelukkiger worden en wat zou, naar het althans schijnt, het voortgaan op dien weg daardoor gemakkelijker zijn. Telkens op-nieuw komt die oude vraag bij haar, boven, waarom zij zoo alleen moet staan. Waarom de Geest des Heeren, die toch het nieuwe leven wekt, dit ook niet doet in de harten dergenen, met wie zij zoo gaarne eens geestes zou zijn.
„Was daar niet iemand ? " vraagt Marijke.
„'t Is de wind, " zegt Anneke, nog altijd verdiept in gedachten, „het begint hard te waaien, " en dan opeens, zonder er bij na te denken, als gedreven door een onweerstaanbaar verlangen om méér te weten : „heb je zélf wel eens iemand bijzonder lief gehad. Marijke ? "
't Volgend oogenblik heeft zij evenwel spijt van die vraag. In het schijnsel van de flikkerende kaars merkt zij, hoe haar oude vriendin bij het hooren daarvan opschrikt en er een smartelijke trek op het innemend gelaat van het oudje komt.
Langzaam zet deze haar bril af en tuurt door het raam in de donkerte, alsof zij heel in de verte een beeltenis ziet. Dan vult een groote traan haar oog.
„Heb ik je pijn gedaan. Marijke ? " vraagt Anneke terwijl zij haar gerimpelde hand streelt.
„'t Is niets, kind, alleen het kwam zoo onverwacht."
En dan zegt zij na eenig zwijgen : „'k Zal je eens iets vertellen, wat nog nooit iemand geweten heeft."
„Het is reeds langer dan veertig jaren geleden — ik was een meisje van even in de twintig en diende op „Grovestins" — dat gedurende de zomermaanden een Duitsche familie op het Slot kwam logeeren. Onder de eigen bedienden, die werden meegenomen, behoorde ook een jonge huisknecht van ongeveer mijn leeftijd. Heinrich heette hij. 't Was een nette jongen, met donker krullend haar, een paar mooie bruine oogen, die een en al vroolijkheid waren, een frissche gelaatskleur, een klein kneveltje en een paar blanke rijen tanden zooals je zelden ziet. Als hij in zijn blauwlakenschpak met gouden knoopen, laag uitgesneden vest, sneeuwwitte boord en strik, zijn heer en mevrouw bediende, dan was er onder het personeel op 't Slot niet één, die, wat schoonheid en lichaamsbouw betrof, bij hem in de schaduw kon staan. Daarbij kwam, dat hij altijd even opgewekt den arbeid deed, innemend van karakter was en in de vrije uren, als wij soms met z'n allen in de groote keuken bijeen waren, heel het gezelschap wist bezig te houden met zijn grappen en avontuurlijke verhalen. In den beginne viel het moeilijk hem te verstaan, omdat hij Duitsch sprak, maar met een wonderlijke vlugheid wist hij zich spoedig in het Hollandsch uit te drukken, als hij vertelde wat hij alzoo op zijn vele reizen van de wereld met de familie gezien had. Af en toe probeerde hij de Friesche woorden, die hij van het personeel opving, weer te geven, en nooit meer schik hadden wij in de keuken dan wanneer Heinrich ook aanwezig was.
In die dagen was ik nog blind voor de dingen van het koninkrijk Gods. Mijn ouders waren brave menschen, die Zondags naar de kerk gingen en ons vroeg leerden, om ook braaf te zijn en ons best te doen. Van de eeuwige dingen hoorden wij niet veel. In de kerk hadden wij als kinderen weinig aandacht, omdat de preek niet begrepen werd en ook de catechisatie had weinig te beteekenen. Onze dominé was 'n oud man, die onder het opzeggen van de vragen soms in slaap viel, van welke gelegenheid de ondeugende jongens gebruik maakten, om hem hevig te doen schrikken, of ook wel, om er stil van door te gaan. 'k Weet nog heel goed hoe het eens gebeurd is dat de huishoudster, ongerust over het lange wegblijven van „mijnheer", (want zóó noemden wij in die dagen den dominé) naar de leerkamer ging en hem daar in diepen slaap vond, terwijl al de leerlingen verdwenen waren.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's