VRAGENBUS
Vraag : Wat beteekent het, als er telkens in de Schrift gesproken wordt van „heiligen" ?
Antwoord : Als de Roomsche Kerk spreekt van heiligen, bedoelt zij menschen, die het buitengewoon ver gebracht hebben in deugd en goede werken, waarom zij boven anderen uitsteken en waardig zijn door de Kerk op een voetstuk te worden geplaatst als modellen van heiligheid en als voorbidders in den hemel ten behoeve van zulke menschen, die het lang zoo ver niet gebracht hebben als de heilige Theresia of de heilige Margriet of de heilige Crispijn enz.
In dien zin kennen wij geen „heiligen". De H. Schrift spreekt heel dikwijls van „heiligen" in den zin van zondaren, die door genade in Christus van de zonde zijn verlost en gereinigd en door den Heiligen Geest zijn geheiligd. Het zijn dan „geloovigen", die afgezonderd zijn, uit den zonde en doodstaat verlost, en Gode toegewijd zijn. Ze zijn Gods eigendom, Gods kinderen, Gods volk en ze mogen door genade onderwerpelijk voor hun eigen bewustzijn het geloof bezitten. Geheiligd zijn ze én geloovigen, al hun schatten bezittend in Jezus Christus; Waarom lezen, we dikwijls van „heiligen en geloovigen"; ook wel van „heiligen in Christus Jezus", ook wel van „geheiligden in Christus Jezus". Fil. 1 vers 1 ; 1 Cor. 1 vers 2 ; Col. 1 vers 2 enz.
Heilig wil dus zeggen : afgezonderd van de zondewereld en Gode toegewijd ; afgezonderd en Godes eigendom zijnde, in Christus Jezus kennend de bron van zaligheid en leven, 't Wil geenszins zeggen, dat ze geen zonden meer doen ; want ze blijven tot hun dood toe met zonde bevlekt, die dagelijks moeten bidden : vergeef ons onze schulden — leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Dan gaat het over „de boosheid, die ons altijd aanhangt" (Cat. Zond. 51) en ook over het geweldige feit „dat wij niet één oogenblik kunnen bestaan en daarbij onze dood vijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch, niet ophouden ons aan te vechten" (Zondag 52).
Zondaren — maar door genade de reinigmaking kermend door het bloed van Christus en de heiligmaking welke in den Heiland is, voor een iegelijk die in Hem gelooft. Zóó zijn de zondaren — maar 't is door genade alsof ze nooit zonde hadden, noch gedaan hebben, ja als hadden we zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor ons volbracht heeft — in zooverre ze zulk eene weldaad met een geloovig hart aannemen (Heid. Cat. Zondag 23). Het is dus een voorwerp, een stuk van ons geloof.
Vraag : IK lees telkens, dat de vromen van den ouden dag „teekenen" opgericht hebben „ter gedachtenis" aan 't geen de Heere tot hen gesproken had of ter herinnering aan 't geen God met hen gedaan had. Waarom gebeurt dat nu niet meer voor Gods kinderen ?
Antwoord ; 'We moeten altijd wel bedenken, dat wij onder de Nieuw-Testamentische bediening heel andere voorrechten hebben dan de geloovigen in de eerste eeuwen, ook zelfs grootere voorrechten dan oud-lsrael op 't eind der Oud-Testamentische bedieining. Wat de geloovigen der oudheid — Abraham, Izak, Jacob — van Gods Woord hadden, dat was immers nog niet die Heilige Schrift gelijk wij bezitten ; dat waren zelfs nog niet de heilige rollen des ouden Testaments zooals Israël die later kende, in de dagen der synagogen. Ze hadden in den beginne slechts dat enkele woord 't welk de Heere onmiddellijk tot hen sprak. Denk aan Noach, Abraham, Izaak, Jacob, Mozes, Samuel enz. Op de heugenis van en met de herinnering aan dat, soms in den droom of in een gezicht, tot hen gesproken, moesten zij voortleven en voort trekken hun vaak zoo moeizamen levensweg. En hoe zouden ze dat Woord nu vast houden ? Zij konden niet, gelijk wij, lezen en herlezen wat God eenmaal gedaan en gesproken had. Zij waren niet in de gelegenheid, gelijk wij, hun Bijbel op te slaan en te lezen Gods groote daden en het Woord Gods, dat zeer vast is.
Daardoor was hun strijd des geloofs zoo veel moeilijker en zwaarder; de strijd om vast te houden, wat de Heere voorheen tot hen gesproken had; om vast te houden de herinnering aan Gods groote daden voor hun oogen verricht.
Vandaar de teekenen door hen opgericht, daar, waar God tot hen gesproken had (b.v. Gen. 35 vers 14) ; het zichtbare teeken om uit te beelden en in de herinnering te bewaren het onzienlijke, het voorbijgegane Woord, dat nochtans niet verwaaien mocht in ijdelheid en niet verzinken mocht in vergetelheid. Men moest er aan blijven vasthouden. Men moest er telkens naar kunnen grijpen. En daarom die opgerichte teekenen, waarnaar hun oog kon zien en wat hun handen konden tasten en wat aan de kinderen kon worden getoond, zijnde dan een sprake Gods. Teekenen, bewijsteekenen, tot Gods eer, maar ook als wapen tegen ongeloof en bestrijding. Stoffelijke teekenen maar van groote geestelijke waarde op den weg van 's Heeren volk.
Die teekenen worden minder naarmate het Woord in schrift en rol rijker en vaster wordt. En wij hebben het Woord Gods dat zeer vast is. Wij hebben Jezus Christus, die onder ons heeft gewoond. Wij hebben den H. Geest, die is uitgestort om in alle waarheid te leiden. Nu het echte, het volle, het blijvende er is, is de schaduw, het type, het tijdelijke niet meer noodig. Het zou het mindere in de plaats stellen van het meerdere ; het zou aftrekken van 't geen het ééne noodige is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's