De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

12 minuten leestijd

HET KERKELIJK VRAAGSTUK (5).
In de kringen van de Gereformeerde Kerken schijnt men niets, letterlijk niets te voelen van de geestelijke motieven van hen, die om des beginsels wille zijn gebleven in de aloude Gereformeerde Kerk, zooals die voortleeft, ook sinds 1816, in de Nederlandsche Hervormde Kerk. Men draagt daar een maatstaf, die men zonder veel redeneeren aanlegt en zonder zich bizonder druk er over te maken wat anderen tot in 't diepst van hun ziel voelen, zegt men eenvoudig : Gij zijt niet meegegaan met de Doleantie — en dus voelt ge niets voor het Koningschap van Christus enz. (Ds. Schouten c.s.). En ja, men wil dan nog wel praten met die Hervormden, maar niet op voet van gelijkheid, tegen de hervormden (we spreken gemakshalve nu maar alleen over ons zelf en b.v. niet over de Christelijke Gereformeerden e.a.) moeten goed voelen, als de menschen van de Gereformeerde Kerken nog praten willen, dat de Gereformeerde Kerken het beginsel hebben en eerbied toonen voor het Koningschap van Christus, doch dat de Hervormden de ontrouwen zijn, die hebben gedwaald en onder stevige bestraffing, van de dwaling huns wegs moeten worden bekeerd. Als ze dan nog kunnen besluiten, om over te stappen naar de Gereformeerde Kerken, nu, dan heeft men die menschen gelukkig bekeerd, en anders — nu ja — dan moeten ze het zelf maar weten, er is nu langzamerhand genoeg „getuigd", dan moeten ze maar in hun zonden sterven.
Dat er een beginsel zit in en achter dat blijven in de Kerk, die een geschiedenis heeft, niet van een dag en een uur, maar van jaren en jaren — daar denkt men zelfs niet aan. Over die mogelijkheid wordt niet eens gesproken. Er is maar één oordeel, en dat is de pijnlijkste en verschrikkelijkste veroordeeling n.l.: die Hervormden hebben geen eerbied voor het Koningschap van Christus, die Hervormden leven in zondige ongehoorzaamheid en die Hervormden moeten bekeerd worden tot den eenigen waren weg : ze moeten van hun ongehoorzaam weigeren om met de Doleantie mee te gaan, terugkomen en overstappen naar de Gereformeerde Kerken, waar het Gereformeerd kerkelijk leven gevonden wordt.
Men voelt blijkbaar niet, hoe pijnlijk zoo'n oordeel voor de Hervormden moet zijn; en dat er in dezen weg van een samenspreking geen sprake kan zijn.
We behoeven waarlijk de geschiedenis van de Afscheiding en van de Doleantie niet op te halen, maar het is geen ongehoorzaamheid geweest aan het gezag des Konings, dat duizenden en tienduizenden belijders van den Christus der Schriften niet zijn meegegaan; ja, de beweging van 1834 en meer nog van 1886 hebben veroordeeld. Dat is niet geweest, omdat er niets gevoeld werd voor het Koningschap van Christus ! Geenszins ! Wanneer men in het midden van de Hervormde Kerk nu weer diezelfde methode wilde gaan toepassen, zouden wij in 1932, om des beginsels wil beslist weigeren om mee te doen en we zouden ernstig, scherp waarschuwen voor zulk een onderneming, al tooide men zich met de mooiste namen en al noemde men zich nog zoo Gereformeerd en al sprak men nacht en dag van het Koningschap van Christus.
Wanneer dus de Gereformeerde Kerken zonder meer de Gereformeerden in de Hervormde Kerk — en er zijn er duizenden en tienduizenden — veroordeelen, met eenvoudig te zeggen: „Gij leeft in zondige ongehoorzaamheid, omdat ge met de Doleantie niet zijt meegegaan, en gij moet u van uwe zonde bekeeren en gij moet u bij de Gereformeerde Kerken voegen, liefst zoo spoedig mogelijk, als er althans nog eenige eerbied bij u is voor het Koningschap van Christus" — dan willen wij hier wel verklaren, dat dit op ons absoluut geen indruk maakt en dat we dan liever van alle samenspreking maar afzien. Niet alleen dat we dezen toon van de Gereformeerde Kerken arrogant en irriteer end vinden (men spreekt daar zoo graag van „Onze Pretentie", dat heeft men jaren en jaren geleden de jongeren al geleerd in den Bond van Gereformeerde Jongelingsvereenigingen), maar het spreekt absoluut niet tot onze consciëntie; en als men daarbij weigert „op voet van gelijkheid" samen te spreken, dan is 't heelemaal vergeefsche moeite !
Wij betreuren de Afscheiding en de Doleantie om de wille van Kerk en Volk en wij zien de ellende door de scheuring, die er ligt, van jaar tot jaar grooter en gevaarlijker worden, op elk terrein des levens. Hoe verder de menschen van de Gereformeerde Kerken van 1834 en 1886 verwijderd raken en hoe meer de Hervormden in het midden van de Hervormde Kerk hun arbeidsveld vinden en de zegeningen Gods aanschouwen — hoe breeder de klove wordt. Want de Hervormden zien dat hun werk in den Heere niet ijdel is en de menschen van de Gereformeerde Kerken verstaan dat niet, verblijden zich niet met ons, zoeken ons niet om geestelijk nader bij elkaar te komen en hartelijk saam te werken, maar 't is dikwijls of men meer met bitterheid vervuld is dan met blijdschap ; en met diep medelijden kijkt men ons aan, waarbij diep in 't hart leeft : dat wij in zondige ongehoorzaamheid wandelen en geen eerbied hebben voor het Koningschap van Christus.
Dat doet ons pijn ! Want „onze" menschen hebben in het gezinsleven even goed eerbied voor het Koningschap van Christus als de menschen van de Gereformeerde Kerken. En niet alleen in 't gezin, maar ook in de school, ook in de werkplaats, ook in de maatschappij, ook in den Staat, óók in de Kerk! Laten wij dan „maar" Hervormd zijn, we willen toch liefst niet als minderwaardigen behandeld worden, louter en alleen als objecten van den bekeeringsijver der Gereformeerde Kerken.
Als men openlijk uitspreekt, dat er voor komen en dat is : om over te komen naar de Gereformeerde Kerken — dan bedanken we beleefd voor de eer ! Onze Hervormde Kerk heeft een geschiedenis ; daar lezen we wat God gedaan heeft, mee om de wille van de zonde van onze Vaderen en van ons; daar hooren we, wat God tot ons en tot onze kinderen te zeggen heeft; daar voelen we den band aan 't geen God gegeven heeft en sinds bewaart. En dan voelen we pijn bij alles wat geschied is in 1834 en 1886. Dan kunnen we niet goedkeuren wat men toen gedaan heeft. Dan verheugen we er ons over, dat de Heere de Kerk onzer Vaderen niet heeft verlaten en haar den scheidsbrief nog niet heeft gegeven ; dat de Heere Zijn zegeningen vele wil maken en Zijn Verbondstrouw wil bewijzen ; dat de Heere er duizenden en tienduizenden bewaard heeft, die Hem vreezen en die begeeren Hem te dienen door Zijn Geest en naar Zijn Woord. Dan verheugen we ons over 't goede, dat God aan Kerk en Volk en Vaderland nog schenken wil. Dan waakt onze ziel op om te werken, om te getuigen, om te ijveren. Dan zoeken we ook gaarne samenwerking met allen, die uit hetzelfde beginsel leven. Dan voelen we, dat er zooveel te doen is en gedaan kan worden op elk terrein des levens.
Maar — dan doet het ons pijn, geweldig pijn, wanneer men in de Gereformeerde Kerken, — en dat zijn dan de voormannen en de geestelijke leidslieden nog wel !, — niets anders weet te zeggen dan : met die menschen kunnen; we niet op voet van gelijkheid spreken — die menschen leven in zondige ongehoorzaamheid — die menschen kennen geen eerbied voor het Koningschap van Christus — die menschen moeten één ding leeren doen en dat is overkomen naar de Gereformeerde Kerken ! ! Wij verdragen het niet, dat van de Nederlandsche Hervormde Kerk van Noord tot Zuid, van Oost tot West zónder meer gezegd wordt: daar is het een leven in zondige ongehoorzaamheid en daar is maar één redmiddel n.l. over te komen naar de Gereformeerde Kerken ! Dat is een kortzichtigheid waarover we ons verbazen. Dat is een hooggevoeligheid waarover we ons bedroeven. Dat is een ongeestelijkheid die ons leed doet.
En nu hebben we uit het Verslag in het Gereformeerde Theologische tijdschrift, waar de opmerkingen van 16 predikanten uit de Gereformeerde Kerken in betrekking tot het referaat van prof. Grosheide ons opgeteekend staan, den indruk gekregen, dat 15 van die 16 sprekers geheel en al leven in de gedachtensfeer welke we hier boven hebben omschreven en die ons een ergernis is.
Van de 16 dominees die het woord voerden stonden er 15 kopschuw tegenover het referaat van prof. Grosheide, met name ds. Schouten van Amsterdam, maar óók anderen !
En dat heeft ons bedroefd. Dat is voor ons een teleurstelling geweest. Een teleurstelling vooral nu in deze dagen van zoo groote spanning.
Voor ds. W. F. C. van Helsdingen van Hendrik-Ido-Ambacht alleen moeten we — en willen we graag — een uitzondering maken. Maar hij was dan ook — voor zoover het Verslag dat doet weten —de éénige in de vergadering !
Och, dat er eens een andere geest kwam heerschen ; een geest die niet verwijdert, maar komt samenbinden.

ER STAAT GESCHREVEN EN ER IS GESCHIED.
Het is een gevleugeld woord onder ons, dat we hebben acht te geven op wat staat geschreven en wat is geschied. We hebben te leven bij het geschreven Woord en we hebben acht te geven op de historie. De Schrift en de Geschiedenis zijn de twee grondzuilen voor onze levens-en wereldbeschouwing.
Vooral sinds 1847, toen mr. Groen van Prinsterer zijn magistrale voorrede schreef voor den 2den druk van zijn Ongeloof en Revolutie, is het onder de belijders van den Naam van Christus gewoonte geworden om die spreuk te gebruiken : „er is geschreven" en „er is geschied".
Groen zelf (prof. Grosheide herinnert er aan in Noord-Hollandsch Kerkblad) noemt die beide : een fundament en wortel tegen lederen wervelwind van filosofisch ongeloof bestand.
Als we vast houden aan „er staat geschreven" en ons dus stellen op den bodem van de Heilige Schrift èn we geven acht op de geschiedenis, dus op „wat is geschied" — dan zal men ons niet zoo gemakkelijk mee krijgen in allerlei dool-en dwaalweg, noch op kerkelijk-noch op maatschappelijk terrein. Als Gods Woord ons een lamp voor den voet en een licht op ons pad mag zijn, dan gaan we veilig.
En als we Gods stem uit de geschiedenis tot ons komend, tot ons laten spreken, zullen we wijsheid ontvangen en voor allerlei dwaasheid bewaard worden.
Uit wat Groen over deze dingen schrijft blijkt wel — aldus prof. Grosheide — dat hij Schrift en Historie niet gelijk stelt. De Schrift immers spreekt van het Kruis, het Lam, dat geslacht is. Dat doet de historie, los van de Schrift, niet. Maar zeker mag met Groen ook de historie genoemd worden het vlammend schrift van den heiligen God. Ook in de geschiedenis openbaart God Zich aan ons. Een openbaring, die we alweer zonder de Schrift niet verstaan, maar die niettemin openbaring Gods blijft, zooals God Zich openbaart in al de werken Zijner handen.
Wat zoo van de geschiedenis in het algemeen geldt, geldt in het bizonder van de geschiedenis van eigen land en volk.
Daarom had Groen ook zooveel op met de Geschiedenis des Vaderlands. Maar meer bizonder nog geldt het natuurlijk van de geschiedenis van de Kerk van Christus.
Daar zien we de daden des Heeren, daar hooren we Gods stem. Daar wordt ons geteekend des menschen afval en des Heeren verbondstrouw, der menschen overtredingen en Gods oordeelen; daar wordt ons getoond, dat in het wandelen in 's Heeren wegen groote zegen ligt en in het afwijken van 's Heeren geboden veel smart. Het verleden wordt ons opengelegd in het boek der Historie, maar ook wordt ons het heden verklaard. De geschiedenis leert ons, waarom de dingen zóó en niet anders worden gedaan en gezegd. Zij verklaart wat op dit oogenblik onder ons wordt gevonden. Zij waarschuwt ons voor gevaren, die telkens dreigen.
Daarmee is nog niet gezegd, dat de geschiedenis normatief is. Zeiden we dat, dan plaatsten we haar met de Schrift op één lijn. En hoezeer mr. Groen de Historie in eere hield, dat heeft hij nooit gedaan. Gods Woord ging boven alles. Eerst, „er staat geschreven", maar dan ook acht gegeven op de Historie, opdat we weten „wat er is geschied".
Hoezeer we dus de Historie hebben te eeren, als 't gaat om 't geen Gods wil is, dan hebben we te luisteren naar Zijn Woord.
Daaraan moet ook de Geschiedenis voortdurend worden getoetst, zoowel wat betreft de Historie van land en volk, als wel de geschiedenis der Kerk.
Dat kan zelfs ten gevolge hebben, dat bij het licht van Gods Woord de geschiedenis moet worden op zij gezet. Zoo wanneer we met de Schrift in de hand de daden van de Kerk in vroeger tijden moeten veroordeelen. Of wanneer de eisch van de Schrift niet anders kan worden vervuld dan met verloochening der historie.
Hoe het zij, de kennis van de geschiedenis is voor allen nuttig, ja noodzakelijk; de geschiedenis der wereld, maar bizonder de geschiedenis van eigen land en volk, méér nog de geschiedenis van de Kerk van Christus.
Daarom moet er vooral in onze dagen ernstig op worden aangedrongen, dat men de Heilige Schrift onderzoekt, opdat men wete wat er geschreven staat, maar óók dat men de Geschiedenis bestudeert, opdat men wete wat er is geschied.
Wat dat laatste betreft merkt prof. Grosheide op : „De kennis van de geschiedenis van de Kerk des Heeren is voor allen nuttig, ja noodzakelijk. Zonder van de hoofdzaken dier geschiedenis op de hoogte te zijn, kan men niet leven als een goed lid der Kerk.
Daarom is het te betreuren, dat de geschiedenis van de Kerk nog zoo weinig wordt gekend. Zeer zeker wordt door de jeugdvereenigingen met prijzenswaardigen ijver de bestudeering van de Kerkgeschiedenis bevorderd. Maar van die jeugdvereenigingen zijn velen geen lid geweest. Ook de school doet iets. Maar hier is veel verschil. Aan verschillende christelijke scholen wordt de Kerkgeschiedenis niet onderwezen. Terwijl aan andere, met name de gemengde scholen althans de geschiedenis van de 19de eeuw te
kort komt.
Dan is er de catechisatie. Maar vele predikanten komen in den korten tijd, dat zij de leerlingen op de catechisatie hebben, aan de Kerkgeschiedenis niet toe.
Daarom blijft eisch, dat men zichzelf op de hoogte stelt. En gelukkig, dat we tegenwoordig tal van boeken hebben, waarin de geschiedenis dikwijls zéér onderhoudend wordt beschreven. Laten we daar nü ook gebruik van maken."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's