VRAGENBUS
Vraag : Wat beteekent het, wanneer de Heiland zegt tot Nathanaël : van nu aan zult gij den hemel geopend zien en de engelen Gods opklimmende en nederdalende Op den Zoon des menschen (Joh. 1 : 52) ?Antwoord: de Heiland, na Zijn doop, tot Nathanaël sprekend, die zich over Jezus' heerlijkheid verwondert, zegt, dat, wat in de dagen van den aartsvader Jacob is geschied (Gen. 28 : 12, 13) nu volle werkelijkheid zal worden, 't Zal worden gezien hoe langer hoe meer, dat nu in de volheid des tijds, nu Jezus verschenen is, de hemel zich ontsluit voor de aarde. De bewoners van het hemelgebied zullen gemeenschap hebben met de bewoners der aarde en de menschen zullen in Christus gemeenschap hebben met de dingen die boven zijn. Hemel en aarde buigen zich tot elkander in Christus. „Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus om in de bedeeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is en dat op de aarde is" (Ef. 1). „En dat Hij door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zoude tot Zichzelven, hetzij de dingen die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn." (Col. 1 : 20).
Wat de discipelen nu zullen zien — zegt Jezus — zal de hoogste verwezenlijking zijn, van wat met Jacob te Bethel geschied is. God een welbehagen in menschen, de hemel zich ontsluitend voor zondaren, gemeenschap van hemel en aarde, dagelijks en altijd, tot straks de eeuwigheid daar is. 't Gaat dus niet over een of andere engelen verschijning, maar over het uitzenden van Gods welbehagen in Christus van den hemel naar de aarde, om aardbewoners hemelburgers te maken, met hun wandel in den hemel en uitzicht op het Kanaan, dat boven is. Dat zal uitloopen op de nederdaling van het hemelsch Jeruzalem op aarde en de vernieuwing van hemel en aarde.
Vraag : Wat is het wezen des geloofs ? Antwoord : Daar zou wel een uurtje over te praten zijn; maar dat zullen we maar niet doen nu. We willen liever als practische christenen acht geven op 't geen onze oude Heidelberger Catechismus daaromtrent zegt in de bekende 7de Zondagsafdeeling. (Dat antwoord kunnen we immers „uit ons hoofd opzeggen" als 't ons gevraagd wordt? ) De Catechismus dan laat ons het ware, echte geloof eens christens zien, zooals het werkzaam is. Hij handelt niet over het innerlijk wezen des geloofs als hebbelijkheid (habitus) maar in z'n werkzaamheid en handeling (actus).De christen spreekt in Zondag 7, zooals hij 't geloof bij zich zelf waarneemt in z'n werkzaamheden.
Twee werkzaamheden neemt de ware christen in zichzelven waar. Ten eerste, dat zijn geloof samenvalt met Gods Woord. De inhoud van zijn geloof en de inhoud der H. Schrift stemmen overeen. Zijn geloof is niet hol, bestaat niet uit frasen en leuzen, maar zijn geloof is een bijbelsch geloof. Wat de Bijbel leert gelooft hij en wat hij gelooft komt overeen met 't geen de Heilige Schrift leert. De geloovige en z'n Bijbel hooren bij elkaar. De stukken van zijn geloof zijn bijbelsche stukken. Hij kan den inhoud van z'n geloof (noem het belijdenis, geloofsleer, dogmatiek of zooals ge wilt) u vertellen en voorleggen en gij moogt uw Bijbel voor u nemen om 't te controleerén. Een waar christen gelooft zooals z'n Bijbel spreekt. Lees art. 5 Nederlandsche Geloofsbelijdenis maar. „Alle deze boeken", staat er, „alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en kanoniek, om ons geloof naar dezelve te regelen, daarop te gronden en daarmede te bevestigen." Er is dus bij den waren christen voortdurende werkzaamheid met de Heilige Schrift. Zooals de kettersche christen met z'n eigen filosofie, denkbeelden, wijsheden, altijd bezig is, om alles daarnaar te regelen, daarop te gronden en daarmee te bevestigen, voordragende z'n eigen dogma's en leerstellingen, zoo spreekt de ware christen naar 't geen God Zelf in Zijn Woord ons openbaarde. Wat methode betreft verschilt b.v. de moderne in niets van den gereformeerde, alleen de gereformeerde heeft Gods Woord tot bron en de moderne gaat ter schole, bij z'n passen en meten, bij de menschelijke wijsheid.
't Eerste wat dus bij het ware, echte christelijke geloof ter sprake komt is de Bijbel. En art. 5 Nederlandsche Geloofsbelijdenis zegt verder (en dat is zoo echt gereformeerd, maar mag dan ook geen oogenblik vergeten worden !) : „En wij gelooven, zonder eenigen twijfel, al wat in dezelve begrepen is, en dat niet zoozeer, omdat de Kerk dezelve aanneemt en voor zoodanig houdt" (want dat zou Roomsch zijn, dan zou de Kerk boven den Bijbel komen staan en de christen niet anders dan een lijdelijk, dood geloof hebben, waarbij de christen als een doode visch met de kerkelijke wateren zou meedrijven overal waar de kerkelijke wateren hem willen meevoeren) „maar inzonderheid omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn". Het getuigenis des Heiligen Geestes. Testimonium Spiritus sanctus !
En door dat getuigenis van den Heiligen Geest stemt de ware Kerk in met Gods Woord en de ware christen voegt zich bij de ware Kerk, bij de ware belijdenis, die naar Gods Woord is.
Daarvoor geeft God ons den Heiligen Geest. Dat is het werk van den Heiligen Geest in 't midden van Gods Kerk. De Heilige Geest is hier het cement, de Leidsman, die leert en bij elkander voegt en bij elkander houdt. Altijd rondom Gods Woord. Daar hoort de ware Kerk thuis. Daar vinden de ware christenen hun plaats !
De Heilige Schrift heeft ook zelf het bewijs daarvan bij zichzelven — zegt Art. 5 Nederlandsche Geloofsbelijdenis verder — zoodat „de blinden zelf tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden".
Een bijbelsch geloof dus. Historie, wet, evangelie zijn den waren christen dierbaar. Hij kent de Schriften. Hij is er in onderwezen. Hij leest er in. Hij onderzoekt ze. Hij leeft er bij. Hoe dierbaar zijn mij Uwe getuigenissen ! Een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad ! Ze zijn als het water voor de visch, als de lucht voor den vogel, als het voedsel voor den mensch, als de staf voor den pelgrim. Ze zijn Zijne vermakingen. Ze zijn als duur goud, parelen en edelgesteenten.
Dus een bijbelsch geloof. Een geloof met een bijbelschen inhoud. En wel een vaste overtuiging aangaande de waarheid van Gods Woord.
Ieder die dus met een zekeren zwier van deftigheid zegt: het komt er niet op aan, wat de mensch gelooft, als de mensch maar gelooft, bazelt maar wat en spreekt in elk geval niet in den geest van onzen Catechismus. Die zegt voor de ware christenen dat noodig is „eenigheid des waren geloofs" (vraag 54) en in Zondag 7 „alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Dat is reformatorisch, hervormd, gereformeerd
!Er moet in den weg des geloofs iets gekend, iets geweten worden. Niet onbestemd en twijfelend en schertsend, maar zeker, stellig, vast, ernstig. De natuur, het wezen van het geloof brengt dus mee, dat we onzen Bijbel kennen en onzen Bijbel aannemen; dat we een vaste overtuiging hebben aangaande de waarheid van Gods Woord ; dat we een geloofsleer hebben met bijbelschen inhoud; dat we over de stukken des geloofs spreken en denken, zooals de Heilige Schrift er over spreekt en denkt. Zóó spraken de groote Reformatoren over het ware geloof. En zonder die kennis, zonder dat zeker en stellig weten gaat het volk verloren. Hos. 4:6; Joh. 17 : 3 ; Hebr. 5 : 12 ; Hand. 24 : 14 „den God der vaderen alzóó dienende, geloovende alles wat in de Wet en in de Profeten geschreven is."
En dan is de natuur, het wezen van het ware geloof geenszins a la Rome, bestaande in een uiterlijk toestemmen van hetgeen de Kerk leert. Als het daarin alléén bestaat is het dood en waardeloos. Want er moet in en bij dat alles een zeker, vast vertrouwen in het harte aanwezig zijn op de beloften Gods in dat Woord vervat. Dat is de tweede werkzaamheid ! Het innerlijkste wezen des geloofs is vertrouwen op Gods genade in Christus ; een aannemen van Christus ; een liefhebben van Christus.
In en uit en door Gods Woord komt het Evangelie, de blijde boodschap, tot ons en het is de Heilige Geest die in ons hart dan komt werken het vast vertrouwen, dat niet alleen anderen, maar ook mij, vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om de verdienste van Christus' wil.
Het ware geloof ; "mijnt", "eigent toe", zet zich met vast vertrouwen op Gods beloften, op Christus zelf: mijn Heere en mijn God ! lic weet, mijn Verlosser leeft. In die taal uit zich het ware, zaligmakende geloof.
Natuurlijk is dit het ware geloof in zijn normalen, volgroeiden staat. Dat hebben wel wel te bedenken.
't Is dus niet, zooals het geloof in z'n eerste wording en vaak zwakke werking is. Maar ook de wortel van de zaak gaat er naar uit, om als een kieken te mogen schuilen onder de vleugelen van de moederhen. De werkzaamheden van het geloof, ook in z'n zwaksten vorm, zijn, om zekerheid te mogen krijgen aangaande de waarheid van Gods beloften in Christus voor eigen hart. In de kiem, in het zaad, in de wortel zit datzelfde. Maar het spreidt zich zoo nog niet uit. 't Is nog in wording, in groei, 't Moet nog komen tot ontplooiing. En de moeilijkheden van den groei zijn niet weinige en niet gering. Maar dezelfde trekken zitten toch in het kleine, beginnende geloof : „geef mij Jezus, of ik sterf" ! Om te mogen eindigen in het zich op genade overgeven met alle zonden en met alle schuld. „Kom ik dan om, dan kom ik om." En die zijn leven mag leeren verliezen, die zal het zelve vinden. Die Christus zóó vindt, die vindt het eeuwige leven en den vrede, die alle verstand te boven gaat.
Om een vasten, bestendigen troost te hebben voor leven en sterven beide, zal ons geloof dus moeten zijn een vaste overtuiging te hebben aangaande de waarheid van Gods Woord èn een vast vertrouwen te hebben, dat ook m ij in Christus vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit louter genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's