De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Ook op school werd bijna nooit over den godsdienst gesproken, 's Maandags bij den aanvang der lessen en 's Zaterdags bij het einde werd door den meester of een der leerlingen een formuliergebedje gepreveld, 'k Heb het zelf vaak voor de klas moeten doen, toen ik tot de oudste leerlingen behoorde, 't Heugt mij nog alsof het de dag van gisteren was, dat ik daar stond om, zonder te weten wat het eigenlijk inhield, zoo vlug mogelijk op te zeggen : „Wij danken u, o God, dat wij in school mogen onderwezen worden. Laat de lessen, die wij hier ontvangen, ons tot leering zijn, dat wij brave en deugdzame menschen mogen worden, om hier en hiernamaals gelukkig te zijn. Amen." Dan stoof alles naar buiten en waren we weer een paar dagen vrij van het zitten op de harde banken.
Onder deze omstandigheden werd ik groot en kwam, zooals ik je wel eens eerder verteld heb, reeds vroeg op „Grovestins." Het eenigste wat ik van huis mee­ kreeg was een klein bundeltje kleeren en de vermaning, om altijd en overal eerlijk en trouw te zijn, nooit een brutalen mond te geven en altijd mijn best te doen. Natuurlijk meenden mijn ouders dat goed. Nog ben ik er dankbaar voor, dat zij met de gebrekkige middelen van toen, in hun armoede mij zulk een opvoeding hebben gegeven, maar ik wist toen nog niet, dat ik bovendien iets anders hebben moest, omdat ik een onsterfelijke ziel bezat. Dat heb ik in mijn dienst geleerd en daartoe werd onze goede mevrouw het middel.
Ik vroeg dus in mijn meisjesjaren niet naar hoogere dingen, zoodat het mij dan ook niet weinig streelde, toen ik al spoedig gewaar werd hoe Heinrich mij bijzondere oplettendheid bewees. Omdat ik toentertijd, als er logé's waren, meteen aangewezen was voor het in orde houden der kamers, kwamen wij dikwijls met elkander in aanraking, en toen wij merkten, dat wij elkander niet onverschillig waren, werd van zelf deze gelegenheid des te meer gezocht. Het overige personeel kon dit slechts matig hebben. Inzonderheid had de keukenmeid, die naar de dertig liep, haar hart op den jongen Duitscher gezet. Het ontging mij niet hoe de beste beetjes of de restanten wijn, die bij den maaltijd overbleven, op geheimzinnige wijze verdwenen en lang niet in die mate als voorheen onder ons gemeenschappelijk verdeeld werden. Eens waagde ik het, na afloop van een groote partij die gegeven was en waar aan vele voorname families uit den wijden omtrek hadden deelgenomen, een inval te doen in de provisiekast, waar, in een grooten blikken trommel, allerlei lekkernijen verborgen waren, benevens een paar van de duurste merken wijn. Brutaal weg vroeg ik, voor v/ie dit alles bestemd was, maar ik kreeg ten antwoord, dat mij dit niet aanging. Wanneer ik het waagde anderen te vertellen wat daar verborgen was, dan zou dit zeer onaangename gevolgen voor mij hebben en nóg voor zeker iemand. Dit laatste begreep ik ook, en was het mij duidelijk dat Heinrich zoowel als All — zoo heette de keukenmeid — op staanden voet ontslagen zouden worden als uitlekte wat gebeurd was. Toch stuitte het mij vreeselijk tegen de borst wat ik gehoord en gezien had, in de eerste plaats omdat hier een schandelijk bedrog gepleegd werd, en dat, waar de dienst op „Grovestins" zoo goed werd beloond en wij van alles volop kregen, terwijl wij bovendien een vrijheid van beweging hadden, als in slechts weinige diensten werd aangetroffen. Was dat alles niet geheel in strijd met hetgeen mijn ouders mij geleerd hadden ? Maar in de tweede plaats omdat ik begreep, dat ook Ali om Heinrich vrijde. Den eersten den besten keer, toen ik hem onder vier oogen sprak, en hij mij zijn genegenheid verklaarde, zeide ik hem dan ook hoe ik er over dacht. Maar in een stroom van woorden, van welke ik maar de helft verstond, zocht hij mij te overtuigen, dat er geen sprake van was, dat hij zich door zoo'n oude keukenmeid, die hij een wandelende rollade noemde, zou laten inpalmen. Ik moest toch wel kunnen begrijpen, dat hij veel te jong was, om zich door iemand van dien leeftijd te laten lijmen. Zeker, hij vond Ali een aardig „madchen", die lekker bakken en braden kon, en als zij hem trakteeren wilde op een glaasje „snaps", sloeg hij dat niet af, maar voor de rest bestond er tusschen hen beiden niets. Hij had nu eenmaal zijn zinnen op mij gezet, en om dit te bewijzen stelde hij mij voor dien avond, waarop wij beiden vrijaf hadden, samen te gaan wandelen. We zouden dan, zonder iets tegen de andere knechts en meiden hierover uit te laten, alsof het van zelf sprak, elkander tegen achten afhalen en dan het keukenraam passeeren op een oogenblik, dat Ali daar was, zoodat deze meteen wist waaraan zij zich voortaan te houden had. 't Was wel tegen de regelen van het huis, dat het dienstpersoneel onderling verkeering had, maar dit waagden wij er op." Hier houdt Marijke even op. Opnieuw staart zij naar buiten — waar het ondertusschen volslagen donker is geworden — alsof zij andermaal in beeld voor zich ziet, wat er in haar hoofd en hart omgaat.
„Ging daar de deur niet ? " vraagt zij weer. Maar Anneke heeft niets gehoord.
„Had ik het maar nooit gedaan", zoo vervolgt zij, „'k was dan bewaard gebleven voor veel leed en ellende, waaraan ik somtijds nog met droefheid terugdenk. Maar hoe gaat het vaak met jonge meisjes I Zij zien hun eigen belang nog niet in, en kennen de gevaren van het leven niet. 'k Wou, dat ik het hun allen zeggen kon ! Op het afgesproken uur gingen wij uit, precies zooals het voornemen was. Met , opzet gaf ik de kindermeid een boodschap aan Ali „omdat ik uitging, " en waardoor nu van zelf haar nieuwsgierigheid geprikkeld werd. Met een paar groote oogen, waarin niet alleen verbazing maar ook gloeiende jaloezie te lezen stond, zag zij ons het groote keukenraam voorbijgaan op het oogenblik, dat ik in mijn dwaasheid lachend iets tegen Heinrich zeide, om haar daardoor nog meer den indruk te geven, dat wij heel vertrouwelijk waren. Bij de poort, die naar de oprijlaan voert, liet ik met opzet iets vallen, om zoodoende meteen te kunnen omzien, 't Was juist zooals ik gedacht en gehoopt had, op den hoek van den vleugel stonden de overige bedienden met Ali in het midden ons na te zien, waarbij het natuurlijk niet aan allerlei op-en aanmerkingen zal hebben ontbroken. Vanaf dat oogenblik was de vrede onder het personeel weg, maar ook tevens de vrede van mijn hart. (Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's