De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

10 minuten leestijd

XIX.
(Nadruk verboden)

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.
Het onderscheid tusschen de wereldbeschouwing der voorgeslachten en die van de moderne menschheid is niet slechts groot maar principieel tussen deze twee herscht zelfs eene tegenstelling. De invloed der Christelijke religie was oudtijds veel dieper, beheerschte meer het leven der massa. Over het algemeen schouwden in vroegere eeuwen de menschen hun levensweg meer in eeuwig licht, terwijl de moderne wereld in de boeien eener zinlijkheid geklemd ligt, meer bewogen wordt door de begeerlijkheden, die de hedendaagsche cultuur in zoo rijke veelvuldigheid uitstalt voor onze oogen.
Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat hoofd voor hoofd de Vaderen allen godvruchtige menschen waren, noch ook dat er onder de hedendaagsche menschheid alleen maar materialisten zouden te vinden zijn. Slechts dit wordt er mee bedoeld, dat onder onze Vaderen, ook al hadden zij dan geene macht ontvangen kinderen Gods genaamd te worden, er toch nog veel meer besef was van eeuwige dingen, dan zulks onder ons, onder de heerschappij van het materialisme dezes tijds, het geval is. Het leven der volken is in onze dagen vrijwel geheel losgeweekt van alle hooger geestelijk goed en dus in zijne zinlijke gebondenheid geheel eenstijdig uitsluitend op aardsche dingen gericht. Daarom is er in onzen tijd onder de menschen zoo weinig waarachtig geestelijk leven in den Schriftuurlijken zin des Woords, heerscht er zooveel dorheid en biddeloosheid, is er onder de massa zelfs dergenen, die nog uiterlijk uit traditie met Christelijke leuzen meeloopen, nauwlijks meer iets te speuren van eene inkeering in eigen zielsverborgenheid, van wat de Vaderen noemden : de meditatie en de oratie, de stille overpeinzing van eigen leven en verborgen omgang met God in den gebede.
Hoewel dit verschijnsel, oppervlakkig beschouwd, slechts het persoonlijk leven raakt, is het toch niet van belang ontbloot met het oog op het leven der gemeenschap. Het is een sociaal verschijnsel, dat als zoodanig voor de volken der wereld beteekenis heeft, zelfs voor heel het internationaal bestaan. Ondanks de groote vlucht, die de wetenschap genomen heeft, ondanks de weelde der cultuur, den geweldigen rijkdom van het productie-proces, misschien wel ook juist in samenhang daarmede, is er eene algemeene vervlakking des levens ingetreden, zoodat er geen oog en geen hart meer overbleef voor de diepe geestelijke gronden van ons leven als mensch, als beelddrager Gods. Zelfs de waardeering der zedelijke levensnormen en dus ook de waardeering der levenswetten, waaraan de volken voor hunne gezondheid en hun levensgeluk gehoorzaamheid schuldig zyn, is ten zeerste gedaald. De ontzedelijking van het moderne leven hangt daarmede ongetwijfeld samen. Al de ideëele waarden daalden in vergelijking met de materieele goederen en de massa's werden her-en derwaarts gedreven, geleid door holle leuzen, vooze idealen, zinlijke begeerten en lusten. Van de sprake, die er uitgaat van de hemelen boven ons, beluisteren zij niets meer; voor den jubelzang tot verheerlijking Gods zijn zij doof geworden. Hebben niet sterrekundigen, die met hunne kijkers de hemelen doorvorscht hadden, in den waan hunner verdwazing er zich op beroemd, dat zij daar God niet hadden gevonden ? Zoo was het geen wonder, dat, voorgelicht door zulke intellectueele leidslieden, ook de massa, al werd zij dan nog bij tijd en wijle ontroerd door de schoonheid van het firmament, er de hand van den eeuwigen Kunstenaar niet meer in ontdekte. Men wist immers niet meer van eene schepping, doch sprak alleen van eene evolutie en kende dus slechts eene wording, die voor geen Schepper meer plaats liet. En zoo verdwenen met de belijdenis van God den Vader, den Almachtigen Schepper, ook Zijne hemelen uit den gezichtskring der Westersche volken en konden deze het Woord niet meer lezen, dat Hij er in geschreven heeft. En met het verlies van dat Godswoord boven ons, week uit hun bewustzijn het besef dier levenswetten, waaraan geen redelijk wezen, en ook geene volken zich straffeloos kunnen onttrekken. Met de ontgoddelijking der natuur verloor de Westersche menschheid het inzicht in hare waarachtige roeping, zij stompte af voor het besef harer zedelijke verantwoordelijkheid, voelde niets meer van den last der rekenschap, die den mensch is opgelegd voor de vierschaar van het eeuwig recht Gods. Ja, het merkwaardige verschijnsel deed zich voor, dat diezelfde Westersche menschheid, die door de moderne wetenschap werd opgevoed in de leer van den volstrekten oorzakelijken samenhang der dingen, die gaarne zich beroemt op de door haar zooveel beter onderkende wet van oorzaak en gevolg, als het haar eigen geestelijk-zedelijk leven betreft, daarvoor practisch blind blijkt te zijn. Daarom leefden en leven de volkeren, vrede zoekend in eigen wegen. Zij vieren hunne lusten bot, streven naar de materieele genieting des levens en verstaan niets van de geweldige, vernielende gevolgen, die dit alles met zich brengen moet ook voor de internationale samenleving. De gansche Christelijke volkeren-wereld wordt het best gekarakteriseerd door het woord van den profeet : „De os kent zijn bezitter, de ezel de kribbe zijns heeren, maar mijn volk verstaat niet".
Zoo bleef hun dus geene wijsheid dan alleen die van het zwaard, van den krijg, van de verwoesting. Deze zijn het, die door de dagen van voorheen waren overgedragen aan het heden. Zij waren het noodzakelijk gevolg van den weg der geestelijke ontwikkeling, in de vorige eeuw betreden, van de afwerping der zedelijke lasten, door den Heere Jezus eenmaal den volken opgelegd. Zij zagen niet meer op naar den hemel, hadden geene oogen meer voor de ordeningen Gods. En zoo werd er een internationale politiek geboren, waarvan men kan zeggen : Ziet, met hoe weinig verstand worden zij geregeerd ! Het geschiedde alles tot de bevrediging der lusten, naar de wenschen der massa, onder den druk der vreeze voor de geweldige krachtsontplooiïng van de zich organiseerende grootmachten. En op de gevolgen werd niet geacht. De vraag : „waarheen gaan wij ? " werd niet meer gesteld, want de massa werd bewogen door de valsche leuzen harer leidslieden, die het „Excelsior" aanhieven, hoewel alles er op wees, dat de grenzen van het mogelijke en dragelijke bereikt waren.
En nu zelfs, nu deze geweldige crisis de volkeren neerdrukt, nu geheele standen dreigen te bezwijken, het maatschappelijk gebouw dreunt op zijne grondvesten, nu het gevaar groot is, dat heel ons cultureele leven tot volslagen ondergang gebracht zal worden, dat zij den storm zullen oogsten uit den wind, die gezaaid werd, ook nu zelfs nog is er nergens een teeken, dat wijst op eene bezinning en getuigt van een inkeer, van een wederkeer. Zij zien niet op naar den hemel en hooren nog niet, hoe de dag aan den dag overvloediglijk sprake uitstort. Zij verstaan niet welk eene ontroerende verantwoordelijkheid de daden in het heden ons opleggen voor den dag van morgen. Misschien is er niets, dat meerdere vrees kan aanjagen, dan juist deze onaandoenlijkheid der massa en harer leiders onder de tuchtroede Gods, die gaat over het leven der menschheid. Zij worden wel geslagen, maar voelen geen pijn. Zij zijn zelfs nog blind voor den geesel, waarmede zij gedreven worden, hoe zouden zij dan de hand zien, die hem voert! Zij komen niet tot den levenden God, vernederen zich niet onder Zijne krachtige hand, maar gaan voort over denzelfden weg, die hen voerde in de ellende. En dit alles moet leiden tot een steeds dieper voortschrijden in het verderf, tot een dieper zinken in het moeras, want het gaat gepaard met steeds voortkankerende demoralisatie. Want dat de toestanden, waarin wij nu verkeeren, dat heel de omzetting van ons sociale leven, zooals zij voor velen misschien nog onmerkbaar, maar daarom toch niet minder zeker, om ons en met ons plaats grijpt, ook diepingrijpende gevolgen moet hebben voor het zedelijk leven der volken, dit lijdt geen twijfel. Reeds nu is het onder ons duidelijk merkbaar, hoe de loome werkeloosheid duigelen der regeering, hoe noodig ook en onmisbaar, toch voor velen geen zegen zijn. De ledigheid is des duivels oorkussen. Aan deze oude les van Salomo zijn de massa's ontwassen. Het werd hun geleerd om weinig of niet te werken en toch niet alleen te leven, maar ook de materialistische, ijdele geneugten, te blijven genieten, waarmede het moderne leven de menschen brengt in een roes van zelfvergetenheid en God-vergetenheid tevens. Het eeuwige licht ging onder over veler levensweg. Millioenen zijn verheidend, weten niet meer van het evangelie, zoodat er niet slechts eene missie onder de heidenen, maar niet minder onder ons eigen volk en onder de volken van Europa noodig is. Ach, hoe donker ziet het er in deze wereld op dit oogenblik uit. Donker, niet alleen omdat de crisis voor talloos velen, voor gansche standen, de toekomst hopeloos, reddeloos en radeloos deed worden, maar vooral omdat er thans ook in ons vaderland zulk eene troostelooze geestelijke ellende heerscht.
Het wordt niet beseft, dat dit heden zijn levensinhoud zal overdragen aan het morgen, dat er uit wat nu zich openbaart een volksleven moet opkomen, dat op zijne beurt zal baren de vrucht, waarvan deze dag zwanger gaat. Merk op, hoe de jeugd leeft, hoe zij in vele kringen, zelfs in den omgang op de scholen, eene degeneratie vertoont, die met alle heilige levensordinantiën Gods spot, hoe de gruwelen, die de apostel bestraft heeft in de heidenen, openlijk en schier straffeloos geschieden. Ook onder ons is het waar, zelfs op vreeselijker wijze dan onder de heidenen: God heeft hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hunne lichamen onder elkander te onteeren. Openlijk wordt gepropageerd en aanbevolen als nuttig, heilzaam en zegenrijk voor het maatschappelijk leven, wat in wezen de van God vervloekte zonde eener onnatuurlijke ontucht is. De zelfmoord van het geslacht wor1t aangeprezen als de redding uit de sociale nooden, het huwelijksleven wordt ontheiligd en de gevolgen van dat alles worden openbaar in een zenuwlijden en kranzinnigheid, in echtscheidingen en ziekten, die het zelfs niet oorbaar is te noemen. En deze dingen betreffen niet enkelen, zooals dat vroegere eeuwen het geval was, maar het zijn sociale verschijnselen geworden, die uitwijzen, hoe ontzaglijk diep het kwaad voortkankerde in alle kringen, in alle groepen van ons maatschappelijk leven. Alle kerkgenootschappen, alle richtingen zonder onderscheid, zijn er in betrokken. Overal verschijnt dit zedelijk verworden als een pest, die heel het volksleven besmet heeft. En dit alles, het is de vrucht van een verleden, dat de waarheid Gods verloochende, dat de wijsheid dezer wereld heeft aangenomen en de wijsheid Gods heeft veracht. En ook van de goddeloosheid dezer tijden wordt het woord van den Psalmdichter waarachtig : de dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit. Of de volken het willen erkennen of er achteloos aan voorbijgaan, bet blijft de onafwendbare wet ook in de historie der menschheid, dat de zonde hare consequentie medebrengt, waaraan zij zich niet zal kunnen ontworstelen. Er is door den van God verordineerden samenhang van dag met dag, van oorzaak en gevolg, van geestelijke en zedelijke verwording met het lot der toekomst, ook de zekerheid Zijner oordeelen. „Wij weten", zegt de apostel, „dat het oordeel Gods naar waarheid is over degenen, die deze dingen doen". Daarom wekt ons Gods Woord nog op tot gebedsworstelingen met den Heere, opdat Zijn volk als een volk van voorbidders een beroep zal doen op den rijkdom Zijner goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid. Wie weet, de Heere mocht Zich nog over ons ontfermen. In Hem toch alleen is de wondermacht der genade, die een Ninevé tot bekeering bracht. In den toorn kan Hij des ontfermens gedenken. Daarom, dat in deze ontroerende tijden er gebed zij bij Gods volk voor de nooden der volkeren, voor hunne bekeering tot God. De vrucht daarvan zal toch immer deze zijn, dat wat ook geschiede, Gods kinderen hunne zielen zullen uitdragen als een buit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's