JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Ik wist toen nog niet wat het was, maar ik gevoelde, dat Heinrich en ik er twee waren, die nooit één zouden kunnen worden, omdat er zulk een verschil tusschen ons beiden bestond. En toch werd ik onweerstaanbaar naar hem heengetrokken, want hij was zoo'n knappe jongen en zoo vroolijk en gezellig en goed, en daarbij kwam óók nog, dat Ali hem nu niet kreeg. Deze was echter vanaf dien avond mijn vijandin geworden. Waar zij maar kon, zocht zij mij te treiteren. Een goed woord kreeg ik nooit meer, doch zooveel mogelijk werd getracht mij het leven te verbitteren. Op allerlei wijze werd ik buiten den kring der dienstbaren geplaatst, terwijl zij, achter mijn rug, mij verdachtmaakten en belasterden. Toch hield Ali niet op Heinrich in haar net te lokken, wat natuurlijk weer allerlei botsingen tusschen hem en mij tengevolge had, maar waarvan het einde altijd was, dat hij bij hoog en bij laag mij trouw zwoer. Evenwel ontging het mij niet, dat hij veel meer en veel langer dan noodig was in de keuken vertoefde ; vooral wanneer mijn arbeid mij soms uren lang boven hield, op de kamers van mevrouw of van de logé's. Een vreeselijke onrust maakte zich soms van mij meester. Mijn leven werd een hel. Ik kreeg een groote haat tegen Ali, iets, wat anders geheel niet in mijn karakter lag. Dit stond bij mij vast, zoolang zij hier in de keuken heerscheres bleef, behoefde ik nooit op de onverdeelde liefde van Heinrich te rekenen. Toch durfde ik haar niet aan te klagen of ook maar met een enkel woord te zeggen wat ik van haar wist, omdat het bij mij vaststond, dat hij daarbij betrokken zou worden. Evenmin kon ik er toe komen om hem op te geven. Zoowel mijn hoogmoed als mijn genegenheid jegens hem belette mij dit. Intusschen kwijnde ik zichtbaar weg. Waren wij samen, dan klaagde ik hem mijn nood, en troostte hij mij met allerlei mooie beloften. Als 't dan niet anders kon, dan zou hij den dienst bij de familie opzeggen en dan konden wij samen naar Duitschland gaan. Daar waren vele, rijke families, waar wij beiden vast wel aan den slag konden komen. Wij zouden dan eerst nog een aardig stuivertje achteruit zien te leggen, om daarna te trouwen. Hij was zelf ook niet geheel onbemiddeld en zijn vader was houtvester bij een adellijken heer, die desnoods ook wel bijspringen kon. 't Lachte hem ook wel toe een landhuisje te koopen met eenig grond of bosch, om daar dan rustig te gaan wonen. Wij zouden ongetwijfeld samen zeer gelukkig zijn. Zoo werd het mij voorgespiegeld, en ik geloofde alles wat hij zeide. Alleen, als wij dan weer thuis kwamen en ik zag dat gelaat van Ali met die eigenaardige uitdrukking, waarin heel iets anders te lezen stond dan toen zij voor het eerst kennis van onze verstandhouding kreeg, wist ik niet wat te moeten denken. Soms vreesde ik krankzinnig te zullen worden. Des nachts week de slaap van mijn oogen. Ik at en dronk haast niet, maar kwijnde weg als sneeuw voor de zon.
Zoo gebeurde het eens, dat mevrouw mij op haar kamer riep. Dat onderhoud ben ik nooit vergeten en zal ik ook nooit vergeten, al word ik nóg zoo oud. Aanstonds begreep ik, dat mij iets bijzonders te wachten stond. Op m'n werk viel niets aan te merken — daar zorgde ik wel voor — zoodat ik met het oog daarop geen bestraffing vreesde ; alleen duchtte ik gevaar wegens de gespannen verhouding tusschen de keukenmeid en mij. Hoe geheel anders dan ik dacht, liepen de dingen evenwel. Gaat het tegenwoordig wel goed met je, kind ? dat was de eerste, belangstellende vraag, die mevrouw mij deed, en de wijze waarop zij die vroeg en de hartelijkheid in haar toon werden mij aanstonds te machtig, 't Was alsof zij in mijn hart gelezen had. Ik kon niets zeggen, maar voelde hoe ik een kleur kreeg en brak toen in tranen uit. Met moederlijke bezorgdheid onderhield zij mij toen over wat voor een jong meisje de hoogste aangelegenheden zijn, en wees mij in dit verband meteen op den omgang met Heinrich, waarin zij voor mij niets dan gevaar zag. Vooreerst had hij als Duitscher een heel anderen landaard dan wij. Friezen. Dan, hij zou hier niet lang meer blijven en weldra naar zijn vaderland terugkeeren. 't Zou voor mij in het geheel niets zijn, mijn leven daar ginds over de grenzen door te brengen, waar zoo weinig aan ons Friesche volksleven herinnert. Doch waarop mevrouw bovenal den nadruk legde, dat was het onderscheid tusschen ons beider innerlijk leven. Ik was gewoon om altijd alles op orde en regel te hebben, met bepaalde werkuren en rusttijden; hij had een ongeregeld leven en was niet zelden tot diep in den nacht in 't getouw. Ik ging des Zondags getrouw naar de kerk; hij bekommerde zich in het geheel niet om den godsdienst. Wat moet er van je worden. Marijke, als je eenmaal in Duitschland zit en je ziet door het huwelijk met hem een misstap te hebben gedaan, met de niet meer te vervullen begeerte om op je weg terug te keeren ?
Zoo sprak mevrouw, en ik was mij bewust, dat al haar woorden waarheid bevatten. Toch gaf ik mij zoo maar niet gewonnen. Telkens stonds de beeltenis van Heinrich voor mij, die mij zóó bekoorde en vast besluiten deed, er kwam dan maar van wat wilde, hem te volgen waarheen hij ging, al was het ook naar het einde der wereld. Dwaas meisje dat ik was! Verstoord stond ik op van den stoel, dien mevrouw mij gegeven had, schoof dezen hard op zij en vroeg met iets scherps in mijn stem of er ook nog iets anders van mevrouws orders was. Toen zag zij mij aan met een oog, waaruit diepe, maar tevens gewonde liefde sprak, en alsof zij elk woord overwoog, zeide zij toen op langzamen toon en met trillende stem, 't welk ik toen niet begreep, maar mij later zoo duidelijk is geworden : ik wilde je alleen maar waarschuwen, kind, opdat je niet gelijk zoovele jonge meisjes onberaden 'n stap zou doen, die je misschien voor tijd en eeuwigheid in het ongeluk zou kunnen storten. Wanneer je evenwel nog één raad wil aannemen van je mevrouw, die ouder is dan jou en meer ervaring in 't leven heeft opgedaan, breng deze zaak dan voor het aangezicht des Heeren en bid Hem om wijsheid en raad. Daarmede was het onderhoud afgeloopen. Ik zei niets en ging weer aan mijn arbeid, maar in een toestand, die zich niet beschrijven laat. Ik was kwaad op mij zelf en op mijn goede mevrouw en op de heele wereld, en meende wég te moeten, vér weg, hoe spoediger hoe liever, naar een plaats, waar niemand mij kende, en natuurlijk met Heinrich. Want van hem afstand te doen, daar kwam ik niet toe, te meer niet, waar zijn liefde jegens mij steeds vuriger werd en ik uit alles meende te kunnen opmaken dat zijn heele hart naar mij uitging.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's