UIT DE PERS
LEERTUCHT.
Van de overzijde wordt voortdurend bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop door onze kerkelijke vergaderingen leertucht wordt geoefend.
Wij denken nu niet aan hetgeen van confessioneele zijde wordt opgemerkt. Daar heeft men geen principieel bezwaar tegen leertucht. Integendeel, men zag haar gaarne ingevoerd. Men meent alleen, dat de Gereformeerde Kerken het recht niet hebben om leertucht te oefenen. Leertucht kan er alleen zijn, wanneer in de Nederlandsche Hervormde Kerk de kerkelijke vergaderingen op wettige wijze, d.i. op reglementaire wijze, zijn hersteld. Wie anders leertucht oefent, matigt zich een recht aan, dat hij niet bezit. Hier is dus alleen een kerk-echtelijk bezwaar, waarover we nu verder niet handelen.
Anders spreken de ethischen. Zij hebben bezwaar tegen leertucht als zoodanig. In hoofdzaak om, als we wèl zien, twee bezwaren. Vooreerst dit, dat leertucht het geweten geweld aandoet. Zij krenkt iemand, in wat 't hoogste is, zijn persoonlijke overtuiging. Zij kweekt onoprechtheid, want zij noopt er toe om den broode het hoofd in den schoot te leggen en maar te zwijgen of zelfs anders te spreken, dan men denkt. En het tweede bezwaar is, dat Schriftuurlijke leertucht onmogelijk is. Want de Schrift oordeelt nooit, maar iemands opvatting van en omtrent de Schrift. D.w.z. er is in de leertucht nooit een oordeel Gods, maar een oordeel van den eenen mensch over den anderen mensch, en dat is in het heilige een gruwel.
Zijn deze bezwaren gegrond ? We meenen van niet.
Letten we eerst op het krenken van de gewetensvrijheid. We bepalen ons hier ook in het vervolg tot de predikanten. Vooreerst omdat in den regel alleen over predikanten leertucht wordt geoefend, in de tweede plaats, omdat alleen voor hen veroordeelimg wegens afwijking van de belijdenis financieele gevolgen heeft.
Hoe staat het met den predikant ? Men zoekt vrijwillig het ambt. Wanneer men 't ambt aanvaardt, belooft men plechtig zich aan het oordeel van de kerkelijke vergaderingen te onderwerpen. Men belooft bij de belijdenis te zullen blijven en als men bezwaren heeft, die in den wettigen weg ter kennis van de kerkelijke vergaderingen te brengen.
Is het nu onredelijk, is het in strijd met de gewetensvrijheid, als iemand aan deze zijn belofte gehouden wordt ? Hebben niet ambtenaren, wien het tot zonde werd op Zondag dienst te doen, hun ambt neergelegd ? Wat gebeurt er met iemand, die vrijwillig in dienst getreden is, als hij, omdat hij ontwapenaar werd, dienst weigert ? Wat gebeurt er met iemand, die door ziekte of ongeval zijn beroep niet meer waarnemen kan ?
Ja, - wat gebeurt er in de Hervormde Kerk als een predikant om des gewetens wille een bepaling uit de reglementen overtreedt en weigert zich te onderwerpen ? Neen, de Gereformeerde Kerken laten het geweten vrij. Maar ze zeggen wel, als gij om des gewetens wille niet meer doen kunt wat ge beloofd heb te doen, kunt ge geen predikant meer zijn. Wat ieder van te voren wist en op allerlei terrein voorkomt. En als iemand zelf om den broode zijn geweten geweld aandoet, is dan ook iets, dat overal kan voorkomen. Ook in de Hervormde Kerk, als opvolging van het reglement het geweten bezwaart. Waarlijk, hier mag den Gereformeerden Kerken niets worden verweten.
Van meer beteekenis schijnt, wat we in de tweede plaats opmerken. Maar ook hier is niet meer dan schijn.
Beginnen we met toe te geven, dat menschen zich kunnen vergissen. Maar — ik spreek nu opzettelijk niet over de leiding des Geestes en de macht van het ambt — heeft men zich ook aan die menschen niet zelf onderworpen en kent men die menschen niet ? Wist men niet, hoe ze waren, hoe ze de Schrift verstonden en hanteerden ? Hier is immers niets duister of onbekend ?
Ik kom op een ander punt, dat van meer belang is. Het is niet waar, dat het in de kerkelijke processen loopt over de uitlegging van één of meer Schriftplaatsen, van één of meer plaatsen uit de belijdenis. In alle kerkelijke processen is aan de beschuldigden volle gelegenheid geboden om hun meening met Schrift en belijdenis te verdedigen. Natuurlijk, dit voegen we er, om misverstand te voorkomen, dadelijk aan toe, ten genoege van de kerkelijke vergaderingen, aan wie ze zich zelf hebben onderworpen. Maar daar liep het niet over. In geding was steeds het gezag, dat aan de Schrift en de belijdenis moet worden toegekend. En over dat gezag kan geen verschil van meening bestaan. Daarover is in de Gereformeerde Kerken duidelijk genoeg gesproken. Wil men nu zeggen, dat de aard van het gezag van Schrift en belijdenis toch door menschen is bepaald, dan antwoorden we : dat is slechts betrekkelijk waar. Want de Gereformeerde belijdenis is ook inzake hetgeen ze over het gezag van de Schrift leert, de weergave van hetgeen daarover in de Schrift is te vinden. Er is ook op dit punt beroep van de belijdenis op de Schrift.
't Is waar, de menschen oordeelen, maar niet waar, dat ze oordeelen naar menschelijke redeneering. Dat zou eerst waar worden, als gelijk in de dagen der Hervorming, met de Schrift wordt aangetoond, dat de rechters dwalen in hun beschouwing. Is dat in onze dagen geschied ? Dat kan toch niemand beweren. Vooral niet van ethische zijde, waar men aan de Schrift een gansch ander gezag toekent dan de oude Gereformeerden hebben gedaan en dat ook wel weten wil.
Hier komt nog iets bij. Het is niet waar, dat de Schrift zoo duister is, dat men bij de hoofdzaken van de leer der zaligheid niet goed kan uitmaken, wat door de Schrift wordt geleerd. De Kerk des Heeren heeft toch in dezen geen onzeker geluid gegeven. Het is dan ook geen wonder, dat afwijking op een bepaald punt van de Gereformeerde belijdenis practisch altijd gepaard gaat met een ander oordeel over de Schrift, dan zij zelf over zichzelf geeft. Het komt altijd weer op hetzelfde neer, afwijken inzake het gezag der Schrift en daarom op andere punten.
Leertucht is een droeve zaak. Droef vooral, omdat ze in den loop der geschiedenis vaak menschen heeft getroffen, die aller achting genoten, soms zelfs, die uitblonken door persoonlijke vroomheid. Maar de Schrift eischt leertucht. En we behoeven ons zeker niet van het opvolgen van dien eisch te laten afhouden, omdat leertucht onmogelijk zou zijn. (Uit: N.-Holl. Kerkblad).
DE MALAISE.
Kort geleden spraken we steeds van de crisis en de malaise.
Thans hoort ge het woord crisis meer noemen. niet
Er wordt nu alleen maar van malaise gewaagd.
Dit is zeer teekenend.
Crisis beteekent hoogtepunt , keerpunt, overgang.
Het is een woord, waar nog een gouden sprankel van hoop in gloort. We hielden, toen we het gebruikten, nog altijd de gedachte vast: het wordt wel beter. Er komt straks een kentering. Vooral de optimisten geloofden, dat na de donkere buien de zon weldra door zou breken. Zij waren ook de eersten die, na het „welslagen" van de Conferentie van Lausanne, vreugdeliederen aanstemden en profeteerden dat we thans over het dieptepunt der ellende heen waren, dat het pad nu, snel stijgende, klimmen zou tot zonnige hoogten. Na het zure zou eindelijk het zoet komen. Na den duisteren onheilsnacht de dageraad !
Maar ach, op de vraag : wachter, wat is er van den nacht ? luidt het antwoord : nog is het nacht!
De duisternis wordt nog dikker. En wat even aan de kim scheen te gloren, is weer weggevaagd.
Overal onrust, onzekerheid, dreiging, opstand, verdeeldheid, haat.
Overal, in plaats van het wuiven met de vredespalmen, het gekletter van wapenen. De werkloosheid neemt hand over hand toe.
De vroeger zoo rijk sproedelende bronnen van onze welvaart (we hebben het uit de radio-rede van den Minister president weer duidelijk gehoord) zijn verstopt of vloeien traag; meerdere zijn zelfs uitgedroogd.
De luchthartigen, die altijd zeiden : ons land is rijk genoeg; er wordt hier nog genoeg verdiend en er is werk en geld in overvloed, zijn wel zeer beschaamd, evenals zij die steeds zonder goeden grond verwachtten : tot ons zal het niet genaken !
En nu opeens, als bij tooverslag, is het woord crisis van de baan. Men hoort 't niet meer noemen. Daar ligt dus in dat men het geloof : we hebben slechts met een tijdelijk verschijnsel te doen, heeft losgelaten. Men voelt dat men staat voor een depressie van langen duur. Men stelt er zich op in, dat deze toestand jaren duren zal, en dat we volstrekt nog niet over het laagste punt heen zijn. Integendeel : we moeten het ergste nog krijgen !
De crisis heeft zich gestabiliseerd. Zij Is vastgeloopen. Er is geen verwikken of verwegen aan.
En nu is 't enkel maar meer malaise wat de klok slaat.
Eerst geleken we op schipbreukelingen, die, aan het strand van een eenzaam eiland aangespoeld, uitzien naar een voorbijvarend schip, dat hen opnemen kan. Maar hoe ze turen, de zee blijft leeg en een enkele snelvarende boot, die zij aan den horizon zien, merkt hun noodsignalen niet op en is weldra uit zicht. Wat blijft er over dan dat zij zich op blijven gaan inrichten, zoo goed en kwaad als 't gaat, den noodtoestand aanvaarden en maatregelen voor overwinteren nemen ?
Wat moet er van ons land en volk worden ?
En wat moet er terecht komen van onze vrije kerken (die nimmer op den sterken arm van den Staat gesteund en nooit uit de staatsruif meegegeten hebben) van onze armen, onze ouden, onze weezen, onze stichtingen, onze scholen ?
Ach ja, als ge sommige menschen hoort spreken en klagen, dan schijnt het alsof we ons bevinden op een snelzinkend schip, zonder reddingsbooten of zwemgordels. Meestal zijn dit degenen, die zelf onder de malaise niet of weinig te lijden hebben, de dingen alleen uit de krant of van anderen weten en bijzonderen aanleg hebben voor ongeluksprofeet te spelen. Maar toch ook anderen, die lang vol moed en vertrouwen geweest zijn, beginnen te weifelen en te wankelen en zeggen : ik weet niet meer waar het nu heen moet, want het wordt van dag tot dag erger. Winkeliers b.v., die vroeger drukke nering hadden en altijd klanten voor de toon bank, maar nu zeggen : het lijkt wel of de wereld uitgestorven is; we schrikken op als er iemand den winkel binnenkomt en de stilte verstoort, en we verbazen ons nog meer als hij niet vragen, maar werkelijk koopen komt en zelfs contant betaalt.
Ja, waar gaan we heen ? Zullen we in het koor der klagers mee onze plaats innemen ?
Het is zoo gemakkelijk en zoo onvruchtbaar.
Met klagen alléén is er nog nooit iets in de wereld anders geworden.
Neen, de Heere vraagt iets anders van ons. We worden geroepen tot de hoogste werkzaamheid des geloofs, n.l. tot vertrouwen op onzen God, tot stille, lijdzame onderwerping aan Zijn wil en tot gebed.
Niet tot lijdelijkheid of een zich onheilig verdiepen in onze tegenheden, of zeggen, om in beklag te komen : al deze dingen zijn tegen mij !
Neen, stil zijn is heel iets anders dan stil zitten.
Wij mogen In de kracht des Heeren alles doen wat onze hand vindt orn te doen, strijden en arbeiden voor een betere toekomst voor ons en onze kinderen. Op elke eerlijke poging om ons dagelijksch brood te verdienen mogen wij den zegen Gods verwachten en er om bidden.
Maar we mogen, bij alle vertrouwen dat God helpt, ons oog niet sluiten voor de werkelijkheid dezer benauwende tijden, Gaan we donkere dagen tegemoet ? De Heere weet het. Al willen we de zwartzieners niet gelooven, dit staat wel voor ons vast, dat de druk zwaarder wordt en de schouders, die dragen kunnen, minder In getal.
Doch dat behoeft nog geen reden te zijn om nu een droeven klaagzang aan te heffen. Daar wordt onze God niet in verheerlijkt. Integendeel, daar smaden we den naam des Heeren mee en we verzondigen onzen weg voor Hem. Laten we aan de wereld toonen dat we in een paniekstemming niet meegesleurd willen worden, omdat we gelooven dat onze God nog gezeten is op Zijn troon en dat Hij regeert. Hij alleen, en Zijn almacht zal toonen. Hij zal ons nimmer om doen komen, in duren tijd en hongersnood. Hij weet al wat wij van noode hebben, en Hij is nog een verrassend God.
Laten we ook niet overdrijven, door den toestand zóó donker voor te stellen als die niet is. Er behoeft nog niemand onder ons van honger te sterven. In weerwil van alles is Holland nog een rijkgezegend land. Er is nog voor veel goeds te danken, en er wordt nog veel nood gelenigd. Een steuntrekker in ons land heeft het beter, aanzienlijk beter, dan een volwaardig arbeider in Rusland. Maar er zijn aan elke hulpactie, ook die vanwege Overheid en Kerk, grenzen, die nu eenmaal niet overschreden kunnen worden en die we bedenkelijk dicht naderen. En dan weten we, dat onze weleer zoo bloeiende koopstad door de malaise zwaar wordt gedrukt. Dit blijkt ook in ons kerkelijk leven. Als u alleen eens nagaat wat onze Diaconie wekelijks uitdeelt, en wat daartegenover de gewone inkomsten zijn, dan verwondert ge u niet dat een aanzienlijk legaat in weinig tijd wordt opgegeten en de vraag : wat dan ? onze diakenen steeds pijnlijker gaat knellen. Evenzeer is het met den kerkedienst. Ook daarin zal straks besnoeiing op onze uitgaven noodig zijn, naast vermeerdering van alle mogelijkheden om de inkomsten te vergrooten.
Hoeveel zouden er van elke tien menschen zijn, die nog werken, verdienen, en geld inkrijgen ? Zij moeten dus zorgen, dat de anderen mee kunnen eten en leven. Een ideale toestand is dit niet. Maar de nood is ons opgelegd, van 's Heeren wege, en 't baat niet of wij ons oog sluiten voor de werkelijkheid.
Laten bijzonder degenen in onze gemeente, die nog mild van den Heere gezegend zijn met arbeid, inkomst, geld goed, hun gewilligheid toonen om waardige Sabbathvierders te zijn en naar de roeping van den H. Catechismus niet alleen op de dag des Heeren met Gods gemeente aan te komen, maar ook te zorgen, getrouw naarstig, dat de kerkedienst en de school onderhouden worden en den armen christelijke handreiking gedaan worde.
Al wat naar weelde zweemt, moet thans vermeden worden, wat bezuinigd kan moet bezuinigd, tot in kleinigheden maar te meer zal de gemeente haar krachten biddend hebben in te spannen om gewilligheid aan den Koning der Kerk offeren, om in stand te houden wat aan haar werd toevertrouwd.
De wereldlijke Overheid moet haar onderdanen in deze tijden zware lasten opleggen, maar het zal ons een consciëntieuze zaak zijn dat het huis Gods daar onder lijde, en wij onze bezuinigingen nu aanvangen bij de Kerk van Christus, die recht heeft ons laatste brood met ons te deelen.
En eindelijk, onttrekt niet het uwe aan den dienst des Heeren, door het angstige uit vrees voor komende tijden, op te potten. Ge zoud een vloek over uw ziel en uw heil halen; de mot zou uw schat opeten en roest hem verderven ; uw geweten zou aanklagen, als gij den arme gebrek zou zien lijden en de Kerk zoudt zien kwijnni alleen omdat gij en anderen akker aan akker en huis aan huis getrokken hebt.
Begeert ook in deze dingen door geloof te wandelen en met uw God te rade gaan ; dan zult ge ervaren dat de Heere uw leven kroont met Zijn zegen. Dan kan deze tijd van malaise vruchtbaar zijn voor het geestelijk leven Want de drukking der melk brengt bitter voort.
En nu juist moet het blijken of wij de Heere met de lippen eeren, of met het hart.
(Uit: Rotterd. Kerkbode).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's