MEDITATIE
wie Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn als wanneer de zon opgaat in hare kracht. Uit Richteren 5 vers 31.
EEN STRALENDE ZON.
Dit woord verplaatst ons in den geest naar het Richter en tijd vak, toen het volk Israël geregeld in allerlei goddeloosheid verzonk, en de Heere hen desniettegenstaande telkens verloste door de hand van een Richter. De twaalf stammen waren nog niet onder een koning vereenigd en een iegelijk deed, wat goed was in zijne oogen. En als zij dan in dagen van benauwdheid den Heere aanroepen, verlost Hij hen, gelijk als in dit hoofdstuk door Barak, op aansporing van de profetes Debora.
Na de overwinning dicht zij een lied, getuigenis afleggende van den geleden nood, de verkregen uitkomst, den heldenmoed van den zwakke en de vernedering van den sterke, om te eindigen met den uitroep : wie Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn als wanneer de zon opgaat in hare kracht.
't Schoone natuurtafereel van den zonsopgang dwingt telkens weer onze bewondering af. Psalm 19 gewaagt er van : De zon is als een bruidegom, uitgaande uit zijne slaapkamer; zij is vroolijk als een held om het pad te loopen.
Zoo moeten ook Gods kinderen zijn, zegt Debora.
Eu na de overwinning mocht, ja, moest zij zoo spreken.
En hoe teekent ons de Heilige Schrift het leven van de kinderen Gods ?
Op velerlei wijze, maar dit hebben zij allen gemeen : Zij gaan van kracht tot kracht voort, wijl Gods onbezweken trouw hun val niet gedoogt, doch hun Zijn genade en eere verleent.
Dat is het heele geheim !
Bij Abraham vinden wij de gehoorzaamheid, het Godsvertrouwen. En als er wolken voor deze zon komen, is het wel een poos donker, en wil hij zelf het licht doen doorbreken, doch de Heere keurde den weg met Hagar niet goed. En als straks de groote beproeving met Izak komt, en Abraham op de voorzienigheid Gods vertrouwt, dan zien wij zijn zon opgaan in volle pracht.
Bij Jacob vinden wij veel bewijzen van beproeving, wegens eigen zonde, doch daar de Heere hem liefgehad heeft, schenkt Hij hem ook genade en eere. Heengegaan als een voortvluchtige knecht, komt hij terug als een herdersvorst, tevens met een gesterkt en welgefundeerd geloof, wijl de Heere Zich kennelijk aan zijne ziel had geopenbaard.
Bij Jozef, hoewel niet de drager der belofte, toch hetzelfde, want hij had den Heere lief. De Heere gaf hem wonderlijke droomen, en deswege werd hij gehaat, verbannen, doch bleef Gode getrouw, haatte de zonde, ontvlood de ongerechtige, werd vernederd door den mensch, doch verhoogd door God, en was als de zon, opgaande in hare kracht, beschijnende 't gansche volk.
Bij Mozes vinden wij na eigen kracht in Egypte en vrees bij de brandende braambosch standvastigheid, ondanks veel tegenstand. De wet is door Mozes gegeven, en hij die bij God in de plaats van zijn volk wilde treden, was voor dat volk gelijk de zon, wanneer deze opgaat in hare kracht.
Bij David vinden wij de grootheid, hoewel hij eens de kleinste was, en klein voor God bleef. Ondanks zijne zonden, die hij met smart beleed, toch een man naar Gods hart, en om des verbonds wille door God gehandhaafd op den troon, wijl de Heere Zijn Woord houdt. Een krachtiger zon heeft Israël nooit beschenen.
Maar de glans van deze allen verbleekt bij de verschijning van de Zon der gerechtigheid. Abrahams zaad en Davids Zoon, die reeds xop twaalfjarigen leeftijd Zijn licht liet schijnen in de duisternis. Een zon, die nooit in schooner glans verscheen, en in Wiens licht wij het licht zien, een Zon, steeds opgaande in hare kracht, wijl Hij den Vader liefhad en één met Hem was.
Die den Heere liefhebben, moeten zijn als wanneer de zon opgaat in hare kracht, immers : Gij zijt het licht der wereld ! Dit is de opdracht, de last, en deze last wordt bij de bekeering tot God een lust.
De plicht om zich te openbaren als een opgaande zon, wordt bij het voortgaande en doorbrekende licht des Heiligen Geestes een eigenschap, zoodat wij in Gods kracht kloeke daden doen, éér wij er bij denken, alzoo onopzettelijk. Het is er mee als met het vanzelf groeiende zaad uit Marcus 4 vers 28. Want niet wij, doch de Heere is het. Die dit alles doet. En als wij denken iets te zijn, slaat Hij ons terneer, want ook de heiligste verrichtingen in eigen kracht begonnen, zijn buiten de liefde Gods geestelooze plichtplegingen.
Een zon, opgaande in hare kracht, is reeds de eenvoudigste moeder, die in liefde hare kinderen opvoedt in de vreeze des Heeren. Want gelijk het zaad pas maanden later opkomt, zoo zal ook daar des Heeren Woord niet ledig wederkeeren.
Niet het vele en groote is goed, maar het goede is veel en groot.
Een zon, opgaande in hare kracht, is het kind des Heeren in zijn eerste liefde, als hy door Gods vrijmachtige genade uit de duisternis van zijn slaapkamer des doods in de ruimte wordt gesteld, opvarende als een arend, om zijn pad te loopen.
Of dat dan altijd zoo is ?
Debora zingt: die den Heere liefhebben moeten zoo zijn. Moeten. Niet uit dwang der wet, maar uit drang der liefde. En toch worden deze twee, hier neergeschreven als tegenstelling, opgelost in het woord des Apostels : Zoo is dan de liefde de vervulling der wet.
Omdat we nu den Heere moeten liefhebben, is gedurig zelfonderzoek noodig of daar wel een brandende liefde is, in staat om stralen uit te zenden als de opgaande zon.
Is deze er niet, dan is het met ons de snelle afloop als der wateren. De liefde Gods in het wedergeboren hart kan alleen het vaste en vruchtdragende beginsel zijn. Dan worden wij ook mededeelzaam in die liefde, gelijk de opgaande zon met hare stralen de aarde koestert en verwarmt, en door hare kracht het gezaaide opwekt tot pracht.
En gelijk het gezaaide juicht tot eere van den Naam des Scheppers, zoo is ook de mensch uit den Geest geboren, want wat hij ook doet, hij doet 't alles ter eere Gods.
De dagen, die wij in duisternis doorbrengen, zullen ons aanklagen, want het was eigen zonde en schuld. Maar als wij den Heere verwachten, vernieuwen wij wederom de kracht. Deze kracht wordt in zwakheid volbracht, doch Zijne genade is ons genoeg.
Geestelijke duisternis wordt dan ook niet meer gebruikt als pronkjuweel van vroomheid, want dan is zoo'n duisternis uit den Booze, maar Gods vriendelijk aangezicht heeft vroolijkheid en licht, aangezien niet den veinzaard, doch den oprechten duisterling het licht opgaat. Dat komt door de uitgestorte liefde Gods tot Christus in zijn hart. Zoo'n Christen is gelijk als wanneer de zon opgaat in hare kracht, immer schijnend, altoos verwarmend, altijd stralend, vertoonende een lach door de tranen heen, wijl gegrepen door de liefde Gods, welke is in Jezus Christus zijnen Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's