De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

6 minuten leestijd

Ds. C. J. Sikkel schreef in de „Kerkbode voor Amsterdam-Zuid" het volgend artikel, dat wij gaarne hier overnemen :

In de cel.
„'t Is maar een klein vertrek, de cel : een rechthoekige ruimte van ongeveer twee bij drie meter. Aan de ééne smalle zijde de deur, die op de gevangenisgaanderij uitkomt; aan de andere het matglazen venster met de ijzeren luchtkleppen er onder. Bij het binnenkomen maakt het geheel een somber-grauwen indruk: de akelig harde betonnen vloer, de gemetselde wanden en verwelf van gelig-grauwige steen opgetrokken, het altijd grijzige licht, het Is alles geschikt iets kelderachtigs aan deze behuizing te geven. Er komt slechts eenige verlevendiging in, als op een wintermiddag liet electrische lampje boven de houten klaptafel aangaat.
Dat een straf plaats dadelijk aan straf doet denken, is wel goed : het gaat in de straf niet allereerst om verbetering, maar om vergelding.
Doch er mogen wel spranken van barmhartigheid te vinden zijn in de strafcel.
Dat er dan ook hier in Nederland geen enkele kleur in de cel spreekt, geen enkele plank geverfd is, met uitzondering misschien van de alarmklep, die links van de deur den gevangene in de gelegenheid stelt zijn bewaker te waarschuwen, dat vind ik wel wat erg. In Zweden is er geverfd houtwerk en een kastje, dat in heldere sprekende kleur geschilderd, althans eén der wanden wat opvroolijkt.
De inventaris is voorts karig en beperkt zich natuurlijk tot 't strikt noodige. Overdag is het klapbed, dat behoorlijke ligging geeft, opgeslagen tegen één der lange wanden. Aan den overkant is dan de vaste klaptafel met, in de meeste gevallen, een driepoot zonder leuning, want een stoel is uitzondering voor een zwakke of een gunst, die pas na vier maanden is te verwerven. In den éénen hoek op den grond staat iets, dat met 't toiletmaken verband houdt, in den anderen hoek een aarden kruik water met nog wat kleinere spulletjes. Dan is er op manshoogte in één der hoeken een litteratuurplank aangebracht, die voor brandkast en boekenrek beide dienst doet. Vraagt ge den gevangene naar een stuk, hij keert zich dadelijk naar 't plankje, waar hij dan een enveloppe heeft, waar in zijn archief — meestal een archief van ellende — te vinden is. Bij sommigen huist dit archief ook in hun psalmboek of Bijbel, die gelukkig ook in iedere door een Protestant bewoonde cel op het plankje aanwezig zijn.
Die Bijbel, ja, daar wilde ik haast dadelijk over doorpraten, want het treft mij altijd weer. Maar daar kom ik wel op, ik moet eerst nog meer van de celmuren vertellen.
Het is merkwaardig, wat sommigen er nog van weten te maken, soms haast geniaal.
In iedere cel is, om te beginnen, aan den muur een scheurkalender en een spreuk, die elke week verwisseld wordt. In die spreuk steekt inderdaad ook nog 'n kwastje verf. Het zijn op houten plankjes van aardige kleuren geschilderde wandspreuken, wier inhoud ik niet altijd even diep bewonderen kan.
Maar dan mag er ook hangen een portret van vrouw en kinderen, 't Is weer zoo iets, dat je door de ziel snijdt, als een gevangene je zijn kinderen op portret laat kijken, 't Is mooi, dat de man er zoo mee op heeft, dat hij het toch niet laten kan, maar onwillekeurig komen weemoedige, medelijdende gedachten op, als ge daar samen over die kinderkiekjes buigt. Arme wichten ! Arme vrouw !
Er zit een mensch in die cel, ziet u. Een mensch, die ook door een moeder gedragen is, die ook vrouw en kinderen kan hebben en die allerlei gaven en talenten heeft, ondanks zijn verspeelde leven. Inderdaad, gaven en talenten; soms spreken ze u van de celmuren toe. Want ik heb wandversieringen gezien, door een gevangene in vrije uren geteekend of geschilderd, die toch werkelijk blijk gaven van meer dan gewone vindingrijkheid, zoo dat ik wel eens binnen ben gekomen met den uitroep : wat is het hier gezellig ! Maar meestal is het zoo anders, zoo kil; zijn ook die eentonig gekleede mannen weinig opvallend, lijkt het of hun zielen mee vergrauwd zijn in hun grauwe omgeving.
Gelukkig hebben ze werk, en vooral, die langer blijven, hebben geregeld en eenigszins meer inspannend werk. Een breimachine vindt men niet zelden in de cel. Ook wordt er boekbindwerk verricht. Ik blijf nu maar bij , het werk, dat in eigen verblijf gedaan wordt.
Eigenaardig is, dat men over dat werk zoo goed als nooit hoort klagen. Men vindt het vanzelfsprekend dat men werkt en menigmaal zeer aangenaam.
Maar als iemand van de bezoekers binnen komt, dan mag het werk even rusten. Dan gaan wij praten.
Want naar mijn ervaring is een gevangene een spraakzaam mensch. Al komt ge bij een stugge, een in zichzelf gekeerde, 't kost u minder moeite aan de praat te komen dan om weer weg te komen. Ze kunnen soms vasthouden als een bulhond, zoo dat aan het gesprek haast met geweld een einde moet worden gemaakt.
En die gesprekken ' Ja, die zijn heel verschillend, maar zoo kom ik weer op dien Bijbel terug.
Daar zit een mensch met een ziel in dat vertrekje. Hij heeft voor den wereldlijken rechter gestaan, hij zal eens voor den rechterstoel van Christus verschijnen.
Wij zijn allen zondaren ; zij ook, wij ook. Wij zijn allen zondaren, die voor Gods Rechterstoel niet zonder verschrikken uit onszelf kunnen verschijnen ; zij niet, wij niet.
En haast zonder uitzondering zijn die menschen gedoopt. Ik bezocht er hedenmiddag nog drie ; het tikte even in mijn hart, toen ook de derde zei : gedoopt ben ik wel.
Bij dien doop is voor ze gebeden : dat ze zonder verschrikken voor den rechterstoel van Christus zouden mogen verschijnen door Hem.
Daarom ben ik dankbaar voor dien Bijbel op dat plankje. Gods Woord kunnen ze allemaal lezen. Velen doen het weinig, enkelen misschien niet. En bij al wat er in de cel te praten valt, er komt telkens weer een oogenblik, dat ik naar den Bijbel kijk en dan probeer te praten : over den Heere Christus, over den Heere God, den God des Verbonds, en over den Heiligen Doop.
Of het helpen zal, het praten in de cel ? Dat staat in den Bijbel: De goddelooze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijne gedachten ; en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk Hij vergeeft ook recidivisten.
En dan even verder zegt de Schrift van het Woord Gods : het zal niet ledig tot Mij wederkeeren, maar het zal doen hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik liet zende. Dat geldt ook voor de cel.
Het geldt voor dien Bijbel op het geverfde plankje.
Het geldt ook voor het celbezoek, in den Naam van Christus gebracht.
Tot een val en tot een opstanding. In de gevangenis misschien heel dikwijls tot een val, ook heel dikwijls in het vrije leven.
In de gevangenis ook tot een opstanding. De Heere Jezus was de Heere der heerlijkheid : in Zijn belangstelling hadden ook de gevangenen een plaats.
Wij zijn zondaren, hebben ze ook in onze belangstelling een plaats ?
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's