JONKER VAN STERRENBURG
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Zoo verliepen nog een paar weken. Onze verhouding werd al intiemer. Hoe wij jegens elkander dachten, staken wij voor niemand onder stoelen of banken, 't Scheen dat geen mensch er zich meer over verwonderde ons samen te zien. Zelfs Ali werd jegens mij van dag tot dag aardiger en zocht naar het leek het kwade, dat zij mij had aangedaan, op dubbele wijze weer te willen vergoeden. Het vertrek der Duitsche familie was intusschen bepaald en ook Heinrich zou dan natuurlijk naar de Rijnprovincie terugkeeren, doch het zou slechts een afscheid van korten duur zijn. Zoo spoedig mogelijk zou hij zien voor ons beiden een voordeelige betrekking te krijgen, en als dit niet gelukte, zouden wij voor eigen rekening een of ander beginnen. Er waren zooveel jonge menschen, die het waagden, waarom zouden ook wij niet slagen, waar elk van ons zijn best wilde doen. Ik geloofde alles wat hij zei, geen oogenblik twijfelde ik aan zijn trouw.
't Was op een donkeren, triesten achtermiddag. Den ganschen dag had het geregend en klagend gierde de wind door de hooge boomen rond „Grovestins". Ik had het druk met de linnenmeid op de mangelkamer, toen Heinrich onverwachts binnen kwam en mij te spreken vroeg. Aanstonds merkte ik, dat er iets niet in orde was. Met iets gejaagds in zijn stem vertelde hij nog dienzelfden avond onverwachts naar Leeuwarden te moeten reizen, om daar aan het station een spoedzending uit Duitschland in ontvangst te nemen. Nu hij toch in de stad was, wilde hij meteen van die gelegenheid gebruik maken om eenige kleeren te koopen, die hij daar voordeeliger betrekken kon dan in zijn eigen land, en kon hij bovendien nog eenige andere inkoopen doen. Hij had namelijk ook nog een mooie verrassing voor mij op het oog. Of ik hem even honderd gulden wilde leenen. 't Was maar voor een paar dagen, omdat hij dan salaris beurde, en het kwam toch eigenlijk op hetzelfde neer, waar ons geld was, bij hem of bij mij, daar wij toch huwelijksplannen hadden. Geen oogenblik kwam er eenige verdenking bij mij op, al heb ik mij later honderdmaal afgevraagd, hoe het toch mogelijk was, dat ik geen argwaan kreeg ; maar ik was blind voor alles. Aanstonds ging ik naar mijn kamertje en gaf hem mijn spaarpenningen. Hij wist wat ik had. Daarop volgde een vluchtig afscheid en ging ik weer aan mijn arbeid. Natuurlijk kregen wij elkander dien avond niet meer te zien, daar hij eerst in den nacht terug zou zijn. Ik had hem voor het laatst gezien".
Hier zwijgt Marijke een oogenblik. Opnieuw ondervindt zij de napijn van de smart, die toen haar hart verscheurde. Roerloos blijft Anneke zitten, als vreest zij de stilte te verstoren. Het is haar alsof zij zélf gevoelt wat haar oude vriendin toen heeft doorgemaakt. Daarna vervolgt Marijke :
„Stel je voor wat het voor mij geweest is, toen men den volgenden morgen al heel vroeg tot de ontdekking kwam dat Ali spoorloos verdwenen was met meeneming van al haar hebben en houden, en ook Heinrich nergens werd aangetroffen. Beider bed was onbeslapen, waaruit volgde dat zij vermoedelijk reeds vóór den nacht waren heengegaan. Natuurlijk was ik de eerste, die ondervraagd werd, te meer, waar bij een nader onderzoek bleek, dat tevens verschillende voorwerpen van waarde ontvreemd waren. Ik kon echter niets anders zeggen, dan ik jou nu verteld heb ; elk zag dan ook aan mij, dat ik de waarheid sprak. Gelijk het gewoonlijk gaat, kwamen nu tegelijk tal van dingen aan het licht, waarvan ik althans in het geheel geen kennis had. Zoo bleek uit de mededeelingen van dezen en genen, dat Heinrich en Ali steeds in intieme verstandhouding met elkander hadden gestaan, ja, zelfs in den nacht op bepaalde tijden bijeenkwamen. Wat ik toen doorleefd heb, is in geen woorden weer te geven. Het leven was mij schier te veel. Ik moest en wilde dood. Immers, ieder zou mij voortaan aanzien als de bedrogene van een man, die met mijn liefde gespeeld had. Bovendien kreeg ik een afkeer van allen. Niet een, die te vertrouwen was. Niet een ook, die komen kon in mijn leed en begreep wat ik noodig had. Zoo meende ik. Zelfs de medelijdende blikken van de linnenmeid, met welke ik nog het beste overweg kon, waren mij tot ergernis. Daar kwam nog bij de woede van den baron, die van deze onderlinge verhoudingen niets had af geweten, en in grooten toorn er van sprak om ook mij uit den dienst te ontslaan, omdat hij door zijn dienstvolk niet wenschte bestolen te worden. Het is Gods wondere genade geweest, die mij toen bewaard heeft voor stappen, welke onherroepelijke gevolgen zouden gehad hebben, want ik zocht bij dag en nacht den dood ; alleen, ik wist niet hoe hem te moeten vinden. Een zware ziekte wierp mij te bed. Dagen lang lag ik te ijlen in zware koorts en bevond mij als aan den oever des doods. Ik wenschte ook niet meer te leven, maar de Heere had iets anders met mij voor.
't Was op een avond, dat ik tot bewustzijn kwam. Toen ik mijn oogen opsloeg, zat mevrouw aan mijn bed. Zij nam mijn hand en zei, dat ik beter zou worden, omdat de Heere mij nog iets te zeggen had en mijn taak nog niet was afgedaan. Toen hoorde ik woorden des levens als nooit te voren. Toen zag ik de kracht en beteekenis van het geloof en van een leven des geloofs. Veel werd er dien avond niet gesproken, omdat ik uiterst zwak was, maar geen dag ging voorbij, waarop mevrouw niet eenigen tijd bij mij kwam om vooral over mijn zieletoestand te spreken en met mij te bidden. Later hoorde ik van de andere bedienden, welk een aandeel zij in mijn verpleging had genomen. Naast God had ik de verlenging mijns levens aan haar zorg te danken. Vanaf dat uur nam ik in beterschap toe. Toen ik weer zóó ver was, dat Ik op kon zijn om langzamerhand mij weer aan den arbeid te wennen, was ik in dubbelen zin een ander mensch geworden. Van toen af is er tusschen mijn beste meesteres en mij een innige verwantschap gekomen, welke nog toenam, toen ook over haar levensweg donkere schaduwen kwamen, en die gebleven is, tot ik haar de oogen sloot. Nog gaat er geen dag voorbij, waarop ik niet in dankbare herinnering aan haar denk. Maar wat ik óók niet vergeten wil? Dat ik, terugziende, den Heere heb leeren danken voor den weg, dien Hij met mij gegaan was. In Zijn verbolgenheid had Hij mij geslagen, maar in Zijn welbehagen zich over mij ontfermd. Als de verloren zoon had ik geleerd mijn rust te zoeken aan het Vaderhart.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's