De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Jaren later was ik bij een familielid te Sonnega ; daar komt een haveloos gekleede vrouw, met een klein kind, gebonden in haar schort, en een ouder meisje aan haar rok hangend, vragen om een stuk brood. Toevallig ontmoetten onze oogen elkander. Aanstonds herkende ik haar en zij mij ; 't was Ali. Toen hebben wij samen gesproken over dingen, die ik je liever niet vertellen wil. Alleen wil ik je nog zeggen, dat Heinrich haar na veel ellende en huwelijksleed verlaten heeft, en als vrijwilliger in het Duitsche leger is gaan dienen".
Met groote belangstelling heeft Anneke naar dit verhaal geluisterd. Dat is nog iets anders, dan zij heeft ondervonden. Daarbij is het leed, hetwelk haar overkwam, niet te vergelijken. Bovenal treft het haar, dat juist deze weg het middel van Marijke moet wezen om haar een open oog te geven voor de eeuwige dingen en haar leven te verliezen in den Heer.
„En leeft Ali nu ook nog ? " waagt zij te vragen. „Ja, zij leeft nog, en op geregelde tijden spreken wij elkander", zegt Marijke. „Ook voor haar heb ik hoop dat zij door dezen diepen lijdensweg komt tot het geloof. Haar kinderen zijn nu groot en verdienen goed geld. Hoewel de zoon veel van zijn vader heeft toont hij ook goede eigenschappen te bezitten en zal misschien onder goede leiding een flink man worden. Doch laten wij daar niet verder over spreken". „En heb je later nooit weer lief gehad, Marijke ? "
„Niet in dien zin als jou bedoelt. Ik behoor niet tot degenen, die twee keer liefhebben. Maar wèl ben ik sinds dien tijd meer dan ooit verbonden geweest aan mijn weldoeners en mijn omgeving, vooral aan mijn beste mevrouw en haar kinderen, van welke helaas, de Jonker alleen overbleef, En mijn dagelijksche bede is, dat de Heere ook hem op het rechte pad wil brengen. Verder is mijn werk mij steeds lief geweest, zoodat ik mij met alle kracht daaraan geven kon. God heeft mij een gelukkig leven geschonken. Menigmaal heb ik anderen mogen bijstaan in dagen van lijden en doodsnood, en het is het schoonste, wat iemand op aarde doen kan, mijn kind, zijn leven ten offer te brengen voor den Heere en den naaste. Ik ondervind tot op dezen dag de letterlijke vervulling van 't psalmvers :
Wat vree heeft elk, die Uwe wet bemint. Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten! „Maar wat is het donker geworden", gaat Marijke in één adem voort. „Foei, dat ik zoo'n tijd gebabbeld heb. We zullen gauw de lamp opsteken en een kopje koffie met een boterham klaarmaken".
In een oogwenk is zij opgestaan, om met een vlugheid, die men bij haar jaren niet meer zoeken zou, te doen wat gezegd werd.
Intusschen maakt iemand van het gestommel in de kamer gebruik, om ongemerkt de voordeur te openen en, even behoedzaam als hij gekomen was, ook weer te vertrekken. Met groote stappen zoekt hij op den weg te komen, nog vóór men buiten komt, om de blinden te sluiten. In 't licht van de lantaarn ginds op den hoek van den zandweg zien wij eerst duidelijk wie het is, omdat hij zoo ineengedoken voortgaat.
t Is Jonker van Sterrenburgh.

HOOFDSTUK IX.
In een wonderlijke gemoedsstemming is Jonker van Sterrenburgh dien avond, na 't onderzoek van de schriftelijke nalatenschap zijner moeder, ter ruste gegaan. Hij zou het zichzelf onmogelijk kunnen verklaren hoe het kwam, maar een ongekende vrede, een zeldzame rust is over hem gekomen, nadat hij van het gebed is opgestaan. Wat hy bij die gelegenheid aan God gezegd heeft, kon hij zich later nimmer herinneren. Eigenlijk weet hij niet of het wel bidden was, en tot wien. 'tWas een uitstorten van zijn gansche hart voor Eén, Dien hij niet zag, maar Die, dit gevoelde hij in toenemende mate, moest bestaan, en bij Wien alleen ook hij zijn smart en zorg, zijn twijfelen en vragen, zijn hopen en vreezen kwijt kon worden, 't Was een tasten en zoeken of hij Hem ook vinden mocht, gelijk hij later verklaarde.
Toch vond hij het heerlijk, want het was hem geweest alsof hij zich bevond in een heiligdom, waar hemelsche zaligheid hem omgaf en zijn ziel werd ingedompeld in een reinen geestesstroom, waardoor zij als met arendsvleugelen opsteeg, precies gelijk hij gelezen had, vèr boven het stoffelijke en vergankelijke, om naar haar aanleg en bestemming zich in al haar kracht te ontplooien. Is het wonder, dat ook in zijn droomen deze zeldzame geestesstemming nawerkte ?
En terwijl hij sliep, was het hem of zijn moeder aan zijn zijde stond. Met vriendelijk oog blikte zij op hem neer en streelde met zachte hand zijn gelaat, als wilde zij daardoor te kennen geven hoe verheugd zij was dat haar Duco, die zoo eenzaam achter bleef in de koude laaglanden dezer wereld, bezig was den weg te zoeken, welke opwaarts voert, om zoo zijn rust in God te vinden. En het was hem alsof lichte, heilige, hemelsche gestalten hem hun belangstelling wilden toonen in zijn zoeken óm achter de groots levensgeheimen te komen, wier oplossing tot hiertoe door hem vruchteloos was gezocht.
Toen de huisknecht hem den volgenden morgen riep kon hij zich ter nauwernood voorstellen, dat hij nog Jonker van Sterrenburgh was. Dadelijk herinnerde hij zich het verhaal van Marijke, uit zijn kinderjaren, dat Jakob, die vluchten moest voor zijn oudsten broeder, zich te slapen legde in een woeste plaats, met een steen tot zijn hoofdkussen, waar hij toen een hemelladder zag, waarlangs de Engelen Gods opklommen en nederdaalden, alsof zij hem daardoor wilden zeggen hoe zij hem vergezelden op zijn weg en toezagen, of die weg wel hemelwaarts ging. Waren het wellicht ook gezanten uit het hemelsche hof, die van nacht bij hem geweest waren, om hem aan te moedigen dóór te gaan in het spoor, thans door hem gevolgd ?
In elk geval was het hem sinds den vorigen avond meer en meer duidelijk geworden, dat er achter of boven de wereld der zichtbare en eindige dingen nog een andere wereld moest zijn, die in nauwe verwantschap met het leven hier op aarde stond, en waar werd uitgeleefd, wat hier beneden slechts ten deele tot rijpheid en ontwikkeling kwam.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's