STAAT EN MAATSCHAPPIJ
HET JAAR DAT VOORBIJGING.
Nog enkele dagen scheiden ons van het tijdstip, waarop het tegenwoordig zittingsjaar van het parlement zal worden gesloten.
Op a.s. Zaterdag heeft deze plechtigheid plaats.
En naar wij hopen, zal op Dinsdag d.a.v, de Koningin, vergezeld van Prins en Prinses, het nieuwe zittingsjaar van de Staten-Generaal openen.
Dit zittingsjaar is dan het laatste van de vierjarige parlementaire periode, bij artikel 86 van de Grondwet bepaald.
Ongetwijfeld zal de Minister van Binnenlandsche Zaken, als hij in naam der Koningin de Vereenigde zitting op Zaterdag sluit, kunnen gewagen van een veelbewogen jaar, dat dan achter den rug ligt.
Tengevolge van de geweldige crisis, die ons volk nog altijd teistert, moesten in het jaar 1931—1932 heel wat maatregelen worden getroffen om in den noodtoestand, waarin de onderscheidene bedrijven en takken van volksbestaan geraakt waren, te voorzien.
Dat deze maatregelen niet altijd zoo eenvoudig waren, doch dikmaals diep in het maatschappelijke leven der bevolking ingrepen, daaraan mogen wij bij het scheiden der markt nog wel eens herinneren,
Wettelijke regelingen, waaraan in normale tijden niet zou worden gedacht en waar tegen een ieder zich met hand en tand zou verzetten, moesten worden genomen om den crisisnood te lenigen en d« bedrijven voor algeheelen ondergang te behoeden.
Wij denken b.v., wat de landbouw betreft, aan de tarwewet, de steunregeling ten behoeve van de zuivelindustrie en de voorschriften betreffende de varkensteelt, om ons tot deze drie crisismaatregelen te bepalen en niet te gewagen van de hulp, welke de regeering had te verleenen aan de teelt van suikerbieten, den groven tuinbouw in Noord-Holland en de bedrijven in de Veenkoloniën van Groningen en Drenthe, met welke hulp vele millioenen uit 's Rijks kas waren gemoeid.
Zouden in den gewonen tijd land-en tuinbouwers zich tegen dergelijken directen regeeringssteun hebben verzet, omdat zij daardoor hunne vrijheid moesten .inboeten, de nood steeg echter zoo hoog, dat naar regeeringshulp werd uitgezien.
Het vrije bedrijf onderwierp zich aan de meest draconische wetten.
Zoo ging het ook met het groote scheepvaartbedrijf, den nationalen trots van ons volk, dat tengevolge van de malaise en de ongebreidelde concurrentie dreigde ten onder te gaan. Met dien ondergang zouden groote vitale landsbelangen worden geschaad. Ook dit scheepvaartbedrijf klopte bij de regeering aan om hulp, teneinde in de crisis staande te kunnen blijven.
Voegt men bij dit alles, om slechts de aandacht te bepalen, nog de maatregelen, die dienden genomen te worden om den invoer van buitenlandsche producten en goederen te beperken, de z.g.n. contingenteeringsmaatregelen, de pogingen die moesten worden aangewend om gunstige bepalingen in het buitenland te verkrijgen voor den uitvoer, en eindelijk de voorzieningen, welke de regeering had te treffen ten behoeve van de 300.000 werkloozen, in het bijzonder wat betreft de werkverschaffing, dan zal men moeilijk kunnen ontkennen dat het parlementaire jaar, dat zoo aanstonds zal worden afgesloten, niet heel wat van de werkkrachten van de zorg der regeering heeft gevraagd.
Ons volk heeft bij het scheiden van het jaar 1931—1932 rijke stof om God te danken en groot te maken voor de vele zegeningen, welke Hij het ondanks veel zonde en schuld in Zijne genade schonk.
Doch naast al hetgeen de regeering ter voorziening in de stoffelijke nooden van ons volk deed en wat zij, zooveel als haar mogelijk was, verrichtte om de volkskracht op peil te houden, moge ook nog melding worden gemaakt van de belangrijke wetten, welke de landsoverheid wist tot stand te brengen, welke de geestelijke belangen van ons volk betroffen.
Wij noemen in dit verband slechts de wet tot strafbaarstelling van de Godslastering en de Winkelsluitingswet, met welke laatste wet een belangrijk stuk Zondagsrust verkregen is geworden.
Wat de wet tot strafbaarstelling van Godslastering aangaat, moge men het doen voorkomen, alsof deze wet van weinig of geen beteekenis is, doch wanneer men zoo iets zegt, misleidt men de schare.
Zeker, wij hadden gehoopt — en dit schreven we reeds vroeger — dat 't vraagstuk van de strafbaarstelling van Godslastering op meer principieele wijze onder de oogen zoude zijn gezien, doch dit neemt niet weg, dat, wat thans verkregen werd, toch nog van groote beteekenis is, en wel dit, dat, zooals de Minister van Justitie het schriftelijk en mondeling uitdrukkelijk verjaarde, dat de wet de smalende Godslastering inderdaad strafbaar stelt.
En daarmede heeft de Strafwet ten opzichte van een groot kwaad eene belangrijke voorziening getroffen, welke wij met dank accepteeren.
Zoo ook staat het met de Winkelsluitingswet, die, omdat zij niet bepaalt, dat alle winkels op Zondag den geheelen dag zullen gesloten zijn, zelfs bij de menschen van Gereformeerde levensbeschouwing tegenstand ontmoet.
Zij zeggen : alles of niets. Dat met de Winkelsluitingswet de Zondagsrust in hooge mate wordt gediend, kan men ieder in eigen omgeving des Zondags waarnemen. Doch ook blijkt de beteekenis der wet terzake van de Zondagsrust uit het sterke verzet, dat nog steeds uit vrijzinnige en socialistische kringen tegen de wet blijft wijzen.
Hoe Vrijzinnigen over de Winkelsluitingswet oordeelen, moge blijken uit wat "de Vraagbaak" van 1 Augustus 11. schreef. Wij lezen daar :
„Minister-president Ruys de Beerenbrouck heeft een mooie radio-redevoering gehouden, waarin hij ons allen heeft gezegd, dat wij ons in deze bange dagen de noodige offers moeten getroosten.
Behoort tot die offers, dat den winkeliers het brood wordt uit den mond gestooten door ze voor een Zondagsslultingswet te plaatsen, ter wille van een klein stelletje fanatieke Gereformeerden of doleerenden ?
Wij gaan met deze aanhaling, die in het artikel onder het opschrift „Woorden en feiten" voorkomt, niet verder. Wat wij aanhaalden is reeds voldoende om duidelijk te maken hoe over de Winkelsluitingswet in verband met de Zondagsrust door de tegenstanders der wet geoordeeld wordt.
Het Socialistisch dagblad „Het Volk" schrijft in zijn nummer van 27 Juli in gelijken geest :
„Vooral onder de winkeliers in „kleine eetwaren" (banket, fruit, enz.) is ernstige ontevredenheid over de werking der nieuwe Winkelsluitingswet, in het bijzonder over de Zondagsbepalingen.
Den rechtschen regeeringen was het onder Calvinistischen aandrang juist om de Zondagssluiting te doen. Geen beperking van arbeidstijd van winkeliers, maar Zondagsheiliging wilden zij".
Uit hetgeen wij 's Zondags zelf kunnen opmerken, als wat Vrijzinnigen en Socialisten over de wet zeggen, blijkt duidelijk, van hoeveel belang de Winkelsluitingswet voor de bevordering van de Zondagsrust is. Vrijzinnigen, Socialisten, en zelfs ook Gereformeerden, zooals bij de behandeling der wet in de Kamer gezien werd, brieschen tegen de Winkelsluitingswet, en zouden niets liever zien — en zij blijven in die richting werkzaam — dan dat de wet oogenblikkelijk werd ingetrokken.
Wij voor ons, zien in wat de regeering ten gunste van de geestelijke belangen van ons volk in het nu eindigende parlementaire jaar deed, een bewijs, dat het Kabinet zoowel in stoffelijken als in zedelijken en geestelijken zin, goed werk heeft verricht. Moge dit ook in de komende parlementaire periode, waarin nog meer dan tot op heden van de zorgen en de toewijding van het Kabinet gevergd zal worden, het geval zijn.
Het jaar, dat voorbijging, was een goed jaar.
HET MANIFEST.
Vanwege het Centraal Comité van Antirevolutionaire Kiesvereenigingen is het Manifest gepubliceerd, dat na goedkeuring van de Deputaten-Vergadering bij de aanstaande verkiezing voor de Tweede Kamer de houding der A.R. Partij zal bepalen. Uit de inleiding op het Manifest laten wij hieronder enkele zinsneden volgen, waarvan de inhoud duidelijk aangeeft in welk licht de komende stembus behoort te worden gezien :
De aanstaande verkiezingen voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal zullen onder bijzonder moeilijke omstandigheden worden gehouden.
In tweeërlei opzicht. Er is toch niet alleen stoffelijke nood, die alle kringen der Maatschappij getroffen heeft, maar er valt niet minder te wijzen op een ernstig tekort aan geestelijke spankracht.
Een ingezonken geloof doet ons zoo vaak voorbijzien, dat wij in deze moeilijke tijden niet maar lijden onder dwaasheden, die de mensch, in zijn waan over zichzelf heeft gebracht, doch dat de Almachtige, de Schepper en Onderhouder van al wat leeft en bestaat, de wereld met Zijne geeselingen tuchtigt en niet Zijne oordeelen de menschheid bezoekt.
Dat moet ons allereerst voor oogen staan, wanneer wij ons opmaken tot den vierjaarlijkschen stembusstrijd. „De Heere regeert, rondom Hem zijn wolken en donkerheid". Maar niet minder : „Geeft den Heere, gij geslachten der volken geeft den Heere eer en sterkte".
Het zijn die twee gedachten, die ons moeten dragen in de maanden die komen, als wij als antirevolutionairen ter stembus willen gaan. Niet als bloote uitdrukking van gevoel, Klaar als bron van kracht om de moeilijkheden onder de oogen te zien zooals God wil, dat wij zulks doen zullen.
Een ootmoedig belijden, dat het God is die regeert, die regen geeft en droogte, voorspoed schenkt en tegenspoed, die 't al bestiert en die door Zijn tuchtigingen tot de wereld spreekt, een rechtvaardig gericht onder de volken houdt.
Er zij onder ons een beven, als wij dit uitspreken, maar een beven, dat toch ook zich verheugt. Omdat het God is die regeert, en niet de mensch. Omdat Hij hulp en uitkomst geven kan, waar de mensch, aan zichzelf overgelaten, machteloos is.
„Geeft den Heere, gij geslachten, geeft den Heere eer en sterkte". Dan komt ook de redding op Gods tijd. Zoo we ons voor Hem nederbuigen in het besef van al onze tekortkomingen, dan zal straks onder ons ook weder de danktoon der verlossing gehoord worden, dan mogen we vertrouwen, dat straks weer de blijde jubel van een beteren tijd zal worden gehoord.
Zonder dat blijft het donkerheid, blijft al ons werken slechts tobben. Maar toegerust met de geestelijke kracht, die we aan een onwankelbaar geloof in de Almacht en de Genade Gods ontleenen, staan we sterk in den strijd tegen de stoffelijke zorgen, waartoe God ons roept.
Want Hij wil óók, dat wij werken zullen, dat wij niet moedeloos de dingen over ons heen laten gaan, maar dat we de stoffelijke nooden, waarop we in de tweede plaats wezen, in Zijn kracht zullen tegemoet treden en trachten te overwinnen.
Wat hier gezegd wordt, is duidelijk en klaar. Commentaar is overbodig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's