FINANCIËN
„Wie aan den weg timmert, heeft veel bekijks". Zoo luidt het spreekwoord, dat al eenige eeuwen oud is. Nu, die oude gezegden weten vaak met weinig woorden weer te geven, wat door iedereen als waarheid moet worden erkend.
Wordt door u iets gedaan, binnensmuurs, onder de oogen van uw eigen huisgenooten, och, daar dringt geen oog van een vreemde binnen. Daarmee heeft hij ook niets te maken zelfs. Maar als gij aan den weg timmert, als gij iets doet, wat ieder die voorbijgaat wel moet opmerken, zoo blijven de op-en aanmerkingen niet uit. De een vindt het terrein niet juist gekozen, de ander vindt dit veel te klein. Het huis zelf beantwoordt in den regel niet aan wat men er van verwacht heeft, 't Is eigenaardig en teekenend tegelijk : er zijn veel meer menschen die het werk afkeuren, dan goed keuren. Het allerbeste getuigenis is vaak dit, dat men niets hoort.
Nu geldt dit voorbeeld in letterlijken zin, doch in figuurlijken zin tevens. Neemt iemand eene positie in, bekleedt hij een ambt dat nog al in het oog springt, zoo Is daarmede de kritiek geheel in overeenstemming. Wat hooger dat ambt is, wat geweldiger de beoordeeling.
Nu is het altijd zoo geweest, dat de beste stuurlui aan wal staan, d.w.z. nooit hebben gevaren. Die er niets van weet of op z'n zachtst gesproken, er heel weinig van weet, kunt ge geregeld hooren zeggen: „dat zou ik nu heel anders hebben gedaan. Dat moet zóó, of dat moest dus gebeurd zijn". Met algemeene stemmen worden weinig besluiten genomen en komen nog veel minder daden tot stand.
Nu is het zeker zaak, bij verreweg de meeste dingen niet al te vaak het hoofd om te wenden. Zie niet naar rechts en zie niet naar links; aan beide zijden staan menschen, van wie de Schrift zegt, dat zij een arglistig hart omdragen. Het eenig juiste en daarom ook het veilige standpunt is telkens omhoog te zien en te vragen : Heere, ik hoor stemmen, mag ik Uwe stem hooren, die van rondom zouden mij zoo gemakkelijk kunnen brengen waar ik niet wezen wil en niet zijn mag. Uw Woord alleen geeft mij het juiste schijnsel. Als Uw Geest mij eens, aan de hand van dat Woord, mag voorlichten, komen mijn voeten te staan in rechte sporen. Dan behoef ik niets te vreezen, anders dreigt een spel met mij gespeeld te worden. De een zegt : ge ziet veel te weinig naar deze zijde heen ; de ander richt omgekeerd zijne waarschuwingen. Met het Woord des Heeren voor oogen loopt ieder het allerveiligst. Nu zegt ge : daarmee ga ik accoord, maar wat is het punt, waarop ge thans aanstuurt ?
'k Zal het u zeggen.
Ons werk als Penningmeester van den Gereformeerden Bond heeft een zijde, welke naar binnen is gekeerd. Zooals met penningen immer wordt gedaan, worden deze vaak onder vier oogen verhandeld. Telkens en telkens krijg ik zoo heel stillekens een wenk : „kom eens hier, ik heb wat voor u, voor den Bond hoor, voor het Studiefonds, of voor de beide fondsen".
Elke week vertellen me een of meerdere biljetten dat er N.N.'s zijn, die het niet willen weten wat zij geven en voor niemand dit geheim bloot leggen. Dat is al den tijd, welken ik aan dezen arbeid verbonden ben, zoo geweest. Er zijn vele stille gevers.
Zoó is mijn werk geen timmeren aan den weg. Daarvan merkt zoo goed als niemand iets. Er zijn tal van gevers, wier aangezicht ik niet ken. Maar nu is er ook een andere kant aan
dit werk. Op mij rust, om aan de gevers te doen weten dat hun gave terecht is gekomen ter plaatse waar zulks hoort: de plicht het in de rubriek „Financiën" te verantwoorden.
Dit is de publieke zijde. Dat is de kant naar de straat. Hieraan gaan de voorbijgangers, de een met een vriendelijk, de ander met een afgunstig oog, voorbij. En nu geloof ik niet dat ik te veel zeg : „niet kijken doen maar heel weinigen". Onverschillig laat het haast niemand.
Welke die indruk nu is in het algemeen, ligt niet ter mijner beoordeeling. 'k Geloof evenwel niet mis te grijpen, dat er telkens gevraagd wordt: waar komt al dat geld vandaan ? ledere week weer opnieuw sta ik verbaasd, want als ik mijn rekening van de week weer heb afgesloten, stel ik mezelven vaak de vraag : zou er den volgenden keer wel de helft zijn van wat nu werd geboekt ? En dan klimt het er somtijds nog boven uit. Nu kan het aan mij liggen, mijn gezicht is niet anders, ik ben er dikwijls klein onder, of ik het wil of niet, ik moet van de menschen afzien, de gevers vallen voor mij weg, ik kom op geen andere plaats uit dan waar God wordt gedankt.
Of dit met allen het geval is, betwijfel ik, of juister weergegeven, weet ik wel anders.
Zoo kreeg ik vóór enkele dagen een schrijven, niet van een gever, als ik het wèl heb, — daarvan was tenminste geen enkel spoor — die deze verklaring mij aan de hand deed : die ruime giften, dat geld, wordt gegeven om er den hemel mee te verdienen".
Is dat geen lichtvaardig oordeel ? Schuilt hierin niet een afkeuring van een werk, waarachter men niet Gods hand ziet, maar van een menschenkind, om die van Satan niet te noemen. Zoo kan elke gave, ieders daad, tot het tegenovergestelde van wat 't is en bedoelt te zijn, worden herleid. Een waarschuwing is, dunkt me, niet misplaatst. Wanneer medelijden met Sions gruis ons hart beweegt, wanneer de overtuiging bij ons levendig is geworden dat het Woord des Heeren in het midden van ons volk weer zijn eereplaats moet innemen, dat er geen kansel mocht zijn, waarvan het Woord der genade in Christus niet werd verkondigd — en dat er nog zoovele plaatsen zijn waar dit niet geschiedt — zoo moesten de handen van allen, die voor het Woord Gods beven, in elkander worden gelegd en de vraag worden gedaan : Wat kan in dezen door mij worden gedaan ? Dat is niet de weg om den hemel te verdienen, maar om den weg naar den hemel te wijzen, om den eenigen weg, dat is Christus alleen, aan te prijzen voor elk recht verlegen gemaakten zondaar.
Daar is toch geen heil buiten Christus. Deze moet worden gepredikt. En wanneer zulks nu mag worden gedaan en daarvoor offers gebracht, laat dan de weg van teederheid worden bewandeld en zulks niet worden gekwalificeerd als in den grond verkeerd.
Van één ding houden wij ons verzekerd : Gods eere wordt met geen schepsel gedeeld. God doet Zijn werk alléén. Hij zaligt, wat in zichzelf verloren ligt. Hij behoudt, wat omkomt. Hij doet een afgesneden werk op aarde.
Dit doel wordt steeds in het oog gevat bij onzen arbeid, dat dit Evangelie op veel meer kansels, dan tot nu geschiedt, mag worden verkondigd. Hiertoe hebben we predikers van noode, voor wier opleiding onze gebeden opklimmen en onze gaven worden bijgedragen.
Dat er veel inkomt, laat dit tot dank aan God stemmen, en niet omgekeerd. Waarlijk, er komt niet te veel. Onze uitgaven zijn in den laatsten tijd nog veel sterker gestegen dan de inkomsten. Werd met menschelijke factoren gerekend, zoo leek de vraag gewettigd : „Kan op deze wijze wel worden doorgegaan ? " Doch ziende op wat God gedaan heeft in de dagen van ouds en lettende op wat Hij doet in het heden, gaan we met vertrouwen voort, het Woord des Heeren als onze schuts :
Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alleen van U verwacht, Die kiest de welgebaande wegen.
Het werk, op onze hand gezet, is met Hem begonnen. Hij zal het met Zijn gunst, om Zijns Naams wille, bekronen. Wij blijven dezen arbeid bij allen, die het om de eere Gods is begonnen, van harte en met alle kracht aanbevelen. Wij willen u thans een overzicht geven van wat er in de afgeloopen week inkwam.
1. Van eigen gemeente kwam eerst een gift van iemand, die onbekend wenscht te blijven. Van een stille geefster ƒ 2.50
2. Uit den collectezak van de Oranjekerk werd me toegezonden: een kleine gave, maar daarom niet minder gewaardeerd ƒ 0.25
3. Door ds. Vreugdenhil van Gorinchem uit zijn brievenbus van een onbekende ƒ 25.-. Dit is wel opvallend, nietwaar, drie giften achtereen, van gevers of geefsters, die 't aangezicht doen schuil gaan voor menschen.
4. Door ds. Van der Snoek van Veenendaal van N.N. voor de fondsen ƒ 2.50
5. Door ds. Pott van Kralingen van mej. de wed. W. H., voor het Studiefonds ƒ 2.50
6. Door den Administrateur van verkochte exemplaren van het Gedenkboek ƒ 14.34
Gelukkig staat deze verkoop nog niet stil. 'kHoop dat binnen niet al te langen tijd mij gemeld kan worden : „er zijn er niet meer".
7. Door ds. Anker te Goudriaan en Ottoland werd mij de contributie toegezonden van de leden aldaar, ƒ21.50 Mijn hartelijken dank voor de moeite, welke ge u hierbij getroost hebt.
8. Door ds. den Oudsten te Elburg de helft van een collecte, gehouden op 4 September, vermeerderd met ƒ12.50 van de kerkvoogdij. Tezamen ƒ29.35 Onzen vriendelijken dank
voor deze toezending.
9. Door den heer G. H. Bloemers te Haarlem werd me toegezonden 1 gld., gecollecteerd in de Noorderkerk op 28 Aug., onder het gehoor van ds. Van Dorp uit Den Haag. ƒ 1.—
10. Door ds. Alers te Dordrecht een dankoffer van den heer M. H. voor 't Studiefonds, ƒ 5.—
11. Door ds. Enkelaar van Leerdam 2 gld., ontvangen van een zuster der gemeente te Ouderkerk a.d. IJssel ƒ 2.—
12. Door den heer P. van Beek te Slikkerveer werd me de inhoud van zijn busje gezonden. Dit hield in — en dat zegt in onze moeitevolle dagen niet weinig — ƒ 10.60
13. Ten slotte nog een busje, waarmede de heer Slagboom te Maarssen in zijn omgeving rondgaat. Hij had ook dit keer weer 100 gld. verzameld. ƒ 100, —
Welk een arbeid schuilt hierachter ? Deze is niet klein. Hadden we de vorige week een zelfde feit te vermelden uit Schoonhoven, Maarssen volgde daarop maar door ééne week gescheiden.
Onze tijd draagt als kenmerk: ieder zoekt boven den ander uit te komen. Dit geldt vaak uitsluitend wereldsche dingen. Een wedijver om in de dingen van Gods Koninkrijk de eerste te zijn, daarvoor behoede ons de hemel. Hem te dienen met onze gaven, al het onze te stellen in Zijn dienst, daartoe bewege de Heere onze harten meer en meer. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Dit geve Hij ons zelf meer en meer te verstaan. Wij tellen thans wat inkwam tezamen. Het bedraagt
f 216.54.
Utrecht. Ds. J. GOSLINGA.
POSTZ., CAPSULES EN ZILVERPAPIER.
Ontvangen van : Ie. Mej. A. Kranendonk, Ridderkerk, zilverpapier en capsules;
2e. Renske van der Ploeg, zilverpapier, postzegels, 122 halve centen, en van Marie van Dijk capsules, postzegels en 140 halve centen, beiden uit Tietjerk ;
3e. mej. J. van Veeren, Genemuiden, postzegels, capsules en zilverpapier ;
4e. Mina de Hoog, Middelburg, postzegels en zilverpapier. Met vriendelijken dank.
Mejuffr. J. DEN HARTOG.
Krommedijk 60, Dordrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's