KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE KWESTIE NUMANSDORP (1)
Wij willen volstrekt niet beweren, dat we alles van de kwestie Numansdorp weten. Nog minder hebben we de gedachte, dat wij de kwestie kunnen oplossen. Wij hebben daarom jaren geleden reeds voorgesteld, dat er een eere-raad zou worden benoemd, bestaande uit twee leden, door den kerkeraad, en twee leden, door den Evangelisatie-kring aan te wijzen, welke vier leden dan een vijfde zouden kiezen (waarbij wij toen hebben gedacht aan een man als dr. Callenbach, van Rotterdam). Het voorstel is toen wel door den Evangelisatie-kring, maar niet door den kerkeraad (ds. Ten Bokkel Huinink c.s.) aanvaard en dus is er nooit wat van gekomen. In deze kan men geen beschuldiging inbrengen tegen den Evangelisatie-kring, wèl tegen den kerkeraad. Men heeft daar den Schriftuurlijken weg niet gewild !
Wij zouden nu niet over de kwestie-Numansdorp schrijven, ware het niet, dat er twee dingen den laatsten tijd zijn gebeurd, die ons er toe aanzetten.
De eerste zaak die ons tot schrijven opwekt is hetgeen ds. J. Gouverneur, van Rozendaal, bij Velp (Geld.) schrijft in het Jaaroverzicht, dat te vinden is in: Jaarboek voor de Ned. Hervormde Kerk, onder redactie van ds. H. C. Briët, van Utrecht, 16e jaargang, bladz. 399 e.v. In het Jaaroverzicht van 1931 raakte dezelfde overzichtschrijver de kwestie van Oude-en Nijehorne aan (zie bladz. 382, 15de jaarg.). Die schandelijke kwestie, die het Modernisme in zoo'n treurig daglicht stelt! En ds. Gouverneur deed het zóó voorzichtig, dat hij zich op de vlakte hield en geit en kool spaarde. Aan het adres van de Modernen werd geen enkel onvriendelijk woord gericht — óok al vermoordt men daar een dominee met z'n gezin
Nu in den 16den jaargang (1932) gaat de pen van ds. Gouverneur over 't papier, om de kwestie-Numansdorp te beschrijven. En nu gaat het er anders van langs! We zullen hier letterlijk overnemen wat hij schrijft:
„Numansdorp heeft reeds sedert jaren haar kerkelijke quaestie en de vorige predikant dezer gemeente is er, menschelijker wijze gesproken, ontijdig door ten grave gedaald. In Numansdorp heeft de heer A. Heemskerk, godsdienstonderwijzer, reeds sedert jaren een aantal leden der gemeente Zondag aan Zondag onder zijn gehoor vergaderd en op die wijze zich schrap gezet tegen de officieeie godsdienstoefeningen. Hij is de leider van een conventikel, maar Hervormd gebleven, en nu heeft hij der Synode gevraagd, hoe hij het moet aanleggen om zijn kind gedoopt te krijgen. De kerkeraad van Numansdorp weigerde dien Doop en andere gemeenten in den omtrek hebben zich blijkbaar bij die weigering aangesloten. Een verzoek aan het Classicaal Bestuur van Dordrecht bleef eveneens zonder vrucht.
De Synodale Commissie heeft den heer Heemskerk verwezen naar Art. 14 van het Synodale Reglement voor de Kerkeraden en aan het Classicaal Bestuur van Dordrecht bericht, dat zij het betreurt, dat aan Hervormde ouders te Numansdorp de Doop wordt onthouden. Tevens heeft de Synodale Commissie aan dit Bestuur verzocht, maatregelen te nemen die dit in het vervolg voorkomen. Het Classicaal Bestuur van Dordrecht heeft hierop geantwoord, dat het zich niet bevoegd achtte, eenigen maatregel te nemen tegen den kerkeraad van Numansdorp, indien deze kerkeraad, naar het recht, hem toegekend in Artikel 4 Regl. Kerkelijk opzicht en tucht, bij de toelating tot het Sacrament van den H. Doop, opzicht houdt, gelijk hem dit het beste voorkomt. Voorts verwees het Classicaal Bestuur van Dordrecht naar een aantal door de Synodale Commissie genomen besluiten, bij vroegere gelegenheden genomen.
Het heeft den schijn alsof de kerkeraad van Numansdorp den heer Heemskerk het aureool van het martelaarschap om de slapen vlecht, maar men erkenne, dat het moeilijk is voor buitenstaanders, over intiem-plaatselijke verhoudingen te oordeelen. De bekende predikant Van Grieken, uit Rotterdam, lid van den Gereformeerden Bond, heeft het voor dezen broeder, die zoo kinderlijk, naïef bijna, zich tot de Synode om voorlichting wendde, opgenomen. Hij hoopte, dat de Synode voor goed zou beslissen dat zulke gevallen geen grond zijn voor weigering van Doop. Ds. Van Grieken — zoo schreef hij — zou 't ook betreuren, wanneer de kerkeraad van Hilversum of Bussum weigerde den Doop toe te dienen aan de kinderen van hen, die daar in Ethische Evangelisatie hun stichting zoeken bij prof. Cramer, Obbink enz. Maar ds. Ten Bokkel Huinink, die een geharnast en eerlijk strijder is, heeft wel helder licht op deze zaak doen vallen en de „vermoorde onnoozelheid" in hare ware gedaante ten toon gesteld. Wij kunnen ons voorstellen, dat de onwaarachtigheid van het bedrijf van den heer Heemskerk c.s. een bron van ergernis is voor den kerkeraad van Numansdorp. De z.g.n. Evangelisatie te Numansdorp heeft als Artikel 1 in hare Statuten staan : „de Vereeniging tot Evangelisatie op Gereformeerden grondslag te N., stelt zich ten doel : niet om zich af te scheiden van de Nederl. Hervormde Kerk, maar alleen om bij gebrek aan een rechtzinnig predikant in de plaatselijke kerk, zich te scharen onder de banier van Gods Woord". Dit artikel 1 bevat zooveel farizeïsme, onoprechtheid en onwaarachtigheid, dat het den kerkeraad van N. niet euvel is te duiden, dat hij tot den heer Heemskerk zegt: „gij moet bij een niet-rechtzinnlg predikant niet komen om te doopen". Deze niet-rechtzinnige predikant is toch altijd nog Confessioneel. Er komt nog bij, dat zeer vele leden van die Evangelisatie en de grootste helft van het bestuur, radicaal per deurwaarders-exploit met de Hervormde Kerk gebroken hebben. De Doopkwestie is door de Synode van 1931 afgehandeld. Maar de Synodale Commissie besloot door de volle Synode te doen behandelen de vervallen verklaring (Artikel 3 Alg. Reglement) van A. Heemskerk van het lidmaatschap der Hervormde Kerk.
Het is te wenschen, dat een element als deze heer, uit de Kerk verwijderd wordt. Iemand, die zóó de Nederl. Hervormde Kerk en zijn lidmaatschap van die Kerk gebruikt om zichzelf een singuliere positie te verzekeren en verder door twist en tweedracht te zaaien z'n eigen zaak te doen floreeren, hoort o.i. nog veel minder in de Ned. Hervormde Kerk thuis als de scheldende ds. Keiler".
Wat zullen we nu van deze beschrijving èn beoordeeling, door ds. Gouverneur in 't Jaarboek van 193? gegeven, zeggen ?
Allereerst dit dat zulk geschrijf, met zulk een belichting en beoordeeling, allerminst in het Jaarboek (red. ds. Briët) thuis hoort. Het spijt ons dan ook buitengewoon, dat ds. Gouverneur en ds. Briët dit niet gevoeld hebben. Zulk eenzijdig, partijdig, nijdig schrijven past in 't Jaarboek niet! En wij hopen dan ook van ganscher harte, dat het de laatste keer mag zijn, dat zulke dingen voorkomen. Een jaaroverzicht in het Jaarboek moet zakelijk en objectief zijn, maar het moet niet vijandig en hatelijk worden !
Of wat dunkt u — om maar één ding te noemen — van de kwalificeering van Artikel 1 van de Statuten, als er staat: „dit Artikel 1 bevat zooveel farizeïsme, onoprechtheid en onwaarachtigheid" ? Vooral dat woord farizeïsme is hatelijk en beleedigend, wat hier allerminst in den mond van een jaaroverzicht-schrijver in 't Jaaboek past. En hoe grof is niet het oordeel over den heer Heemskerk, als er staat: „het is te wenschen, dat een element als deze heer uit de Kerk verwijderd wordt" ? Wie heeft ds. Gouverneur tot een rechter aangesteld en is het de roeping van een jaaroverzicht-schrijver om zóó uit te vallen ?
En dan nóg een paar opmerkingen.
Waarom heeft degene, die ds. Gouverneur ingelicht heeft, hem niet verteld van ds. Van Grieken — die hier genoemd is geworden ! — dat deze voorgesteld heeft, jaren geleden reeds, om een eere-raad te benoemen ?
Wij staan er nog al op, dat dlt niet zal worden vergeten, als over de kwestie-Numansdorp geschreven wordt.
Waarom wil men liever blijven voortleven bij allerlei middelen en wegen, die de verwarring en de ellende telkens grooter maken en die reeds gevoerd hebben op wegen, waar de grofste willekeur voor de deur staat ? (Zie het schrijven van de Synode, waarover we de volgende week iets hopen te schrijven).
Als we nóg iets mogen zeggen, is 't dit: die teatrale geschiedenis van „het ontijdig ten grave dalen van een dominee" maakt op ons hier den indruk van een verlegenheids-argument. Men moet zulke dingen zóó maar niet zeggen, als men niet wil dat gehéél de historie belicht wordt en aan een eere-raad wordt voorgelegd. Met zulke opgeschroefde verhalen — van welken kant ook komende — voorzichtig zijn. Wij vinden het allerminst royaal, om geen andere woorden te gebruiken. Of is het een kleine zaak, als men in een christelijken kring iemand eigenlijk van moord en doodslag beschuldigt ?
In dit verband noemen we nog eens de verschrikkelijke geschiedenis, dat voortdurend aan Hervormde ouders, die 's Zondags naar het Evangelisatiegebouw gaan (wat in elk geval honderdmaal beter is dan 's Zondags in de kroeg te zitten of op den dijk z'n tijd door te brengen of nooit in de kerk te komen — terwijl men dan toch z'n kinderen gedoopt kan krijgen), weigert hun kinderen te doopen. De Synodale Commissie heeft dan ook aan het Classicaal Bestuur van Dordrecht bericht, dat zij het betreurt, dat aan Hervormde ouders te Numansdorp de Doop wordt onthouden.
Maar de scriba van het Classicaal Bestuur is de predikant van Numansdorp.
En als de Synodale Commissie aan het Classicaal Bestuur van Dordrecht verzoekt, maatregelen te nemen, om dit in het vervolg te voorkomen, dan schrijft de scriba van het Classicaal Bestuur van Dordt, die tegelijk dominee te Numansdorp is (en die hier in z'n eigen zaak rechter wordt) dat het Classicaal Bestuur de meening van de Synodale Commissie niet deelt en haar opdracht niet zal vervullen ! En als men het dan zóó nog niet winnen kan, brengt ds. Ten Bokkel Huinink er den kerkeraad van Numansdorp toe, om den heer Heemskerk, zonder vorm van proces, vervallen te verklaren van z'n lidmaatschap der Hervormde Kerk.
Dat mogen we niet laten passeeren zonder hier ernstig te waarschuwen ! Want hier wordt — ook naar het oordeel der Synode — de deur geopend voor de ergerlijkste willekeur. (We laten het schrijven van de Synode volgende week afdrukken).
Stel u toch eens voor, dat de kerkeraad van Amsterdam (we noemen het vergelijkenderwijs) ds. Aris en ds. Van Mullem, die werken als predikant-voorgangers bij de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden, eenvoudig van hun lidmaatschap vervallen verklaarde. Of als de kerkeraden van Assen, Hoorn, Wildervank enz., de Evangelisatie-predikanten of godsdienstonderwijzers-evangelisten eenvoudig vervallen verklaarden van hun LIdmaatschap ! Dat gaat toch niet! En gelukkig, dat de Synode er een stokje voor gestoken heeft.
De vriendelijke woorden van den „allerchristelijksten" dominee van Rozendaal : „Het is te wenschen, dat een element als deze heer Heemskerk uit de Kerk verwijderd wordt" — zijn niet in vervulling gegaan. Ds. Ten Bokkel Huinink heeft in dezen z'n zin niet kunnen doordrijven.
Waarover we ons verheugen — omdat dit wel de allerslechtste manier is om de zaak op te lossen.
Waarom kiest men geen veel beteren weg — dien wij jaren geleden reeds hebben gewezen ?
In een volgend artikel komen we op de Synodale procedure nog terug.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's