De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CHRISTELIJKE ETHIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CHRISTELIJKE ETHIEK

7 minuten leestijd

Het theïsme, het Christelijk geloof kan zich met al die onchristelijke- of antichrisitelijke moraal-systemen in het minst niet vereenigen. Het verwerpt alles wat den mensch tot maatstaf van het zedelijlkleven wenscht te verheffen. De grond, de diepste grond der zedelijkheid ligt voor den Christen in God.
De mensch en de menschheid, met het leven voor individu en gemeenschap, voor gezin, maatschappij en Staat, moet niet teruggevoerd worden tot dierlijke zedelijke gevoelens, maar tot God den Schepper, tot Zijn ordinantiën en wetten, tot Zijn wil en waarheid en daarvan zal geen tittel noch jota vallen. Het leven is van God geschonken en dienovereenkomstig heeft de mensch de norm, de grond, de eisch, de waarde, de zin en de beteekenis, doel en bestemming te zoeken in God, in Zijn Woord, in Zijn wet.
Christelijke Ethiek wortelt niet in het stoffelijke, zichtbare, menschelijke, aardsche, zinnelijke en zienlijke, maar in het bovenzinnelijke, bóvenaardsche, eeuwige, Goddelijke !
We hebben het hoóger te zoeken dan hier beneden ! We hebben hier noodig de metaphysica, d. i. de bóven-natuurkunde. Wilt ge: de zedelijkheid en de religie zijn ten nauwste verbonden. Het komt aan op ons geloof in God, op onzen godsdiensit, op ons gebonden zijn aan God, op de vreeze Zyns Naams.
Gods wil is wet, omdat Göd onze Schepper is. Omdat Hij de bron van alle leven, Van alle levenskracht en levensvreugd Is. "Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen". (Rom. 11 vers 36). Maar de Wet des Heeren moet dan niet genomen worden in Farizeeschen zin, alsof het voldoende zou zijn alleen uiterlijk met die Wet overeen te komen ; Als vleeschelijke betrachting en werk tot eigengerechtigheid. Dan gaat de Wet Gods op in allerlei moralistische voorschriften, Waaraan men zich houdt onder allerlei omstandigheden, om aan den vorm te voldoen, terwijl overigens het harte vreemd is aan de vreeze Gods en Jezus Christus niet kent als de bron van alle levenskracht en levensvreugd.
De Christelijke Ethiek stelt altijd den eisch, dat heel het zedelijke leven, uiterlijk en vooral innerlijk, aan het goddelijk gebod zal beantwoorden, waarbij de dagelijksche betuiging is : „hoe lief is mij Uwe wet, zij is mijne betrachting den ganschen dag"; waarbij de lust is den Heere te dienen in oprechtheid en waarheid.
Dat dit zonder meer niet mogelijk is, aanvaardt de Christelijke Ethiek zonder aarzeling, wijl zij zich stelt op de basis der Heilige Schrift, die de breuk, de desorganisatie, de uiteenrukking van het ethische leven, door en tengevolge van de zonde ons leert.
Doch de Christelijke Ethiek zegt er tevens bij, dat wat wij niet kunnen, bij God mogelijk is. Ook het verscheurde zedelijke leven kan, al is het alleen in beginsel, weer hersteld worden. Want de Heilige Geest vernieuwt den verdorven wil des menschen, door hem in relatie te brengen met den levenden Christus, den waren Wijnstok, uit Wien voor de levende ranken alle onvergankelijk leven voortkomt, dat Gode tot eere en den mensch tot zegen is.
De Dordtsche Leerregels, hoofdstuk III en IV § XI zeggen daarvan : „In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt ; die boos was, goed wordt; die niet wilde nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt. Hij beweegt en sterkt dien wil alzóó, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen".
Dat wordt door den Catechismus aldus behandeld in Zondag 33. Daar wordt gevraagd : „In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekeering des menschen ? " En dan luidt het bekende antwoord : „In twee stukken : inde afsterving van den ouden en in de opstanding van den nieuwen mensch".
Elk stuk wordt dan afzonderlijk besproken. En als gevraagd wordt : „Wat is de afsterving van den ouden mensch ? " — dan zegt de onderwijzer : „Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben en dezelve hoe langer hoe meer haten en vlieden".
En waarin bestaat dan de opstanding van den nieuwen mensch ? Immers hierin : „Het is eene hartelijke vreugd in God door Christus en een lust en liefde om naar den wil van God in alle goede werken te leven."
Dat is heel iets anders dan de zoete ethiek of levensleus van het Humanisme, dat werkt met den goeden, gaven, braven mensch, die zelf kan en zelf wU en van geen wedergeboorte, van geen Christus weten wil, in den zin van Gods Woord en onze belijdenisschriften.
Dat is heel iets anders, dan den mensch geheel overgeven aan zijn intuïtie, aan zijn gevoel, aan zijn geweten, waarbij geleerd wordt, dat het dan met den braven, deugdzamen, verstandigen mensch wel goed gaat — waarbij Christus, waarbij Gods Woord en Gods Geest geheel wordt uitgeschakeld.
Dat is heel iets anders dan de evolutionistische Ethiek, die leert, dat de mensch van nu al heel wat gegroeid en toegenomen is in deugd en braafheid, in vergelijk van duizend jaar terug en dat de mensch, die eertijds in het dierenrijk thuis hoorde, het al buitengewoon ver gebracht heeft en het nog wel verder brengen zal in levenswijsheid, deugd en braafheid !
De Christelijke Ethiek zegt, dat de mensch moet wederom geboren worden, gelijk de Heiland ons geleerd heeft (Joh. 3) en de Apostelen hebben gepredikt overal en altijd. En op deze wijze kan door Gods genade de nieuwe mensch geboren worden en opstaan, terwijl dan bij den mensch aanvankelijk herstel plaats heeft, totdat ook deze onvolkomenheid eenmaal zal vervangen worden door de hoogste harmonie, wanneer een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen aanbreken, waarop een veranderde, zondelooze menschheid zal wonen, als vrucht van Christus' zoenen kruisverdiensten. Dan zal Sion den Heere dienen met een volkomen hart, zonder vlek en zonder rimpel.
Want zoolang we hier op aarde zijn zal alles slechts ten deele zijn — immers de christen, die bij Gods Woord leeft, kan het in de leer van het perfectionalisme, in de leer van de volmaaktheidsdrijvers, geenszins vinden ! — hoewel de eisch des Heeren is : „wees volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is."
De Catechismus, die ook dit stuk zoo uitvoerig behandelt geheel naar de Schriften, zegt daarvan in Zondag 44, als het, na de behandeling van de Wet, gaat over de vraag : „Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomen houden ? " „Neen zij ; maar ook de allerheiligsten, zoolang zy in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid ; doch alzóó, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar alle de geboden Gods beginnen te leven."
En als de Catechismus dan verder vraagt: „Waarom laat ons dan God alzoo scherpelijk de tien geboden prediken, zoo ze toch niemand in dit leven houden kan ? " — dan is het antwoord : „Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leeren kennen en des te begeeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken."
Hier dus ten deele. Maar dan, wanneer de nieuwe bedeeling van Gods genade en liefde in Christus over al de Zijnen wezen zal, zal alle disharmonie tusschen kennen en doen, tusschen willen en handelen, tusschen hoofd en hart, tusschen het intellectueele en ethische leven, weggenomen zijn en zal er heilige, onverbrekelijke éénheid bestaan en de Wet Gods, als een innerlijke kracht, den mensch bewegen, spontaan tot eere Gods te leven.
Dan is de bede verhoord : „Uw Naam worde geheiligd" — alsook : „Uw wil geschiede in den hemel, alzóó óók op de aarde." Dan zal héél 't leven, met gedachten, woorden en werken, alzóó worden geschikt en gericht, dat alles Gode tot eere is en gelijk nu de Engelen in den hemel doen, zullen dan de menschen op aarde doen, dat volk, dat in Christus is geheiligd, n.l. niets anders dan eigen wil verzaken en Gods wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken, van harte en met alle krachten gehoorzaam zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

CHRISTELIJKE ETHIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's