De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

9 minuten leestijd

DE TROONREDE.
Hare Majesteit de Koningin heeft Dinsdag in de Vereenigde Vergadering der Staten-Generaal de nieuwe zitting met de volgende rede geopend :
In dit plechtig oogenblik, leden van de Staten-Generaal, nu een nieuwe zitting van de Volksvertegenwoordiging een aanvang neemt, richten Mijne gedachten zich meer dan ooit op den duisteren tijd, dien het Vaderland beleeft.
De ernstige wil, die de Regeering bezielt, met Gods hulp het schip van Staat in veilige haven te sturen, kan slechts leiden tot het doel, indien ons Volk in al zijn lagen zich de werkelijkheid onverbloemd voor oogen stelt.
Zonder voorbeeld in de geschiedenis zijn de economische verhoudingen over heel de wereld ontredderd ; onweerstaanbaar grijpen de gevolgen der crisis steeds verder om zich heen en nog steeds kondigen zich geen betrouwbare teekenen van kentering aan.
Moederland en Overzeesche Gewesten zien hun welvaart ernstig ondermijnd. Nieuwe belemmeringen in het handelsverkeer tusschen de volkeren werden toegevoegd aan de vele, welke reeds ten vorigen jare de crisis verscherpten.
In alle takken van volksbestaan bleef de bedrijvigheid gestadig afnemen; handel, scheepvaart en visscherijen zijn evenzeer getroffen als nijverheid en land-en tuinbouw.
Herstel van het internationaal ruilverkeer wenscht de Regeering te bevorderen door verdragen, die een ruimer geest ademen. Daarnevens moet zij bij voortduring bedacht blijven op afwending van de gevaren, waarmede buitenlandsche maatregelen den afzet van onze voortbrengselen bedreigen.
Zijn reeds tal van noodmaatregelen tot stand gekomen om ineenstorting van onmisbare bedrijfstakken te verhoeden, nieuwe regelingen met hetzelfde doel zullen moeten volgen.
De werkloosheid, bron van zooveel leed, heeft een nooit gedachten omvang aangenomen. Zij plaatst de Overheid voor schier onoplosbare moeilijkheden, niet het minst van geldelijken aard. De Regeering zal haar voortdurende zorg ook in de toekomst aan dit maatschappelijk euvel geven ; het zoo noodzakelijk herstel van het bedrijfsleven zal haar daarbij tot richtsnoer blijven. In het bijzonder zal ook het vraagstuk van de jeugdige werkloozen alle aandacht hebben.
Nevens voortzetting van de werkloozenzorg stelt handhaving van het peil van sociale voorziening, in betere tijden bereikt, de uiterste eischen aan het zoozeer verminderde draagvermogen der Natie.
De sterke daling van het nationaal inkomen en de diepe inzinking, welke het oeconomisch leven vertoont, oefenen een noodlottigen invloed op de opbrengst van 's Rijks middelen. De financieele toestand is dientengevolge zorgwekkend. Veel zal van Uw werkkracht en toewijding gevergd worden, opdat tijdig de meest dringende maatregelen tot stand komen. Ik weet, dat het beroep, dat ten deze op Uw medewerking zal worden gedaan, niet vergeefsch zal zijn en Ik vertrouw, dat het gemeen overleg tot een uitkomst zal leiden, die aan den ernst van den toestand beantwoordt.
Ook in de Overzeesche Gewesten wordt er krachtig naar gestreefd de kosten der Landshuishouding met de middelen in overeenstemming te brengen. Het feit, dat meer en meer in alle maatschappelijke kringen de overtuiging doordringt van de volstrekte noodzakelijkheid van dit streven, versterkt de verwachting, dat, ondanks alle bezwaren, het doel zal worden bereikt.
Evenzeer als in de donkerste dagen zijner roemrijke geschiedenis, behoeft ons Volk thans eendracht ter ontplooiing van al zijn stoffelijke en zedelijke krachten, Op den voorgrond trede daarom wat de Natie vereenigt, niet wat haar verdeelt.
Met de bede, dat Gods hulp Mijn Volk sterke en met den wensch dat God Zijn zegen aan Uwen arbeid moge schenken, verklaar Ik de gewone zitting der Staten-Generaal geopend.
De eerste indruk, die het lezen van de Troonrede maakt, is, dat het Staatsstuk, wat den vorm en den inhoud betreft, gansch onderscheiden is van hetgeen het Koninklijke Woord gewoonlijk pleegt te zeggen.
Het was ditmaal meer een Proclamatie of een Manifest, dan een program van regeeringsbeleid.
De gewone opsomming, van wat de Regeering zich voorstelt te doen, ontbrak en was vervangen geworden door een Koninklijke mededeeling betreffende den toestand, waarin land en volk verkeeren.
Daarom spraken wij van een Proclamatie of Manifest.
Dat de Troonrede dit keer in het teeken zou staan van de ontzettende crisis, waarin wij ons altijd nog bevinden, was te verwachten.
In dit verband spreekt het stuk van een „duisteren tijd", dien het Vaderland beleeft en van de groote malaise, waarin alle takken van volksbestaan verkeeren.
„In alle takken van volksbestaan" — zoo lezen wij — „bleef de bedrijvigheid gestadig afnemen : handel, scheepvaart en visscherijen zijn evenzeer getroffen als nijverheid en land-en tuinbouw".
Herinnerd wordt aan tal van noodmaatregelen, die tot stand zijn gekomen om ineenstorting van onmisbare bedrijfstakken te voorkomen. Daaraan wordt toegevoegd, dat nieuwe regelingen met hetzelfde doel zullen moeten volgen.
Welke die nieuwe regelingen zullen zijn, of in welke richting zij zullen gaan, wordt niet gezegd.
Daarover verkeeren we dus in 't onzekere, In afwachting van de dingen die komen zullen, stemmen wij van ganscher harte in met de bede, dat Gods hulp ons volk moge sterken en dat Hij aan den arbeid der Staten-Generaal Zijn zegen moge schenken.
Want aan 's Heeren zegen is het toch al gelegen.

DE VERZORGING VAN INVALIDEN EN OUDEN VAN DAGEN.
Er bestaat nog altijd groot verschil van meening over de wijze waarop de voorziening bij invaliditeit en ouderdom moet worden geregeld.
Tegenover hen, die van oordeel zijn, dat de bestaande regeling, die der fondsvorming, de beste is, staan de voorstanders van het Staatspensioen.
Deze laatsten willen van het betalen van premies niet weten. Zij achten het vormen van een weerstandskas, waaruit de renten worden betaald, glad verkeerd. Hun ideaal is, dat de Staat de verplichting op zich neemt om uit 's Rijks kas wekelijksche uitkeeringen aan de ouden van dagen te doen.
Wanneer echter het onhoudbare van het stelsel van premievrij Staatspensioen ooit gebleken is, dan is dit zeker wel het geval in de huidige tijdsomstandigheden.
Om dit duidelijk te maken, behoeven wij slechts te wijzen op wat de invaliditeitswet tot stand brengt. Krachtens deze wet werd op 1 Februari 1932 ten behoeve van 34758 invaliditeitsrenten, 94043 ouderdomsrenten, 19964 weduwenrenten en 12976 weezenrenten de kapitale som van 24, 6 millioen gulden uitgekeerd.
Wie zou nu gelooven, dat, wanneer het invaliditeitsfonds, waaruit al deze renten worden betaald, eens niet bestond, het Rijk bij den ongunstigen toestand, waarin de financiën verkeeren, jaarlijks de 25 millioen voor dit doel benoodigd, zou beschikbaar hebben ?
Alleen om die reden reeds is de voorziening bij invaliditeit en ouderdom niet mogelijk tenzij er een fonds aanwezig is, dat in de behoefte der uitkeering kan voorzien.
Het zijn toch geen kleine bedragen, die wekelijks beschikbaar moeten zijn.
Niet anders staat het ten aanzien van wat een derde groep zou willen : de voorziening in de behoeften van invaliden en ouden van dagen door de Kerk.
Natuurlijk hebben wij hier niet op het oog de armlastigen in den eigenlijken zin des woords, deze toch staan voor rekening van de Diaconieën, doch op die personen, te wier behoeve de invaliditeitswet werd in het leven geroepen.
Ook hier doet zich de vraag voor, of de Kerk — stel zij had de taak om in den nood dezer invaliden en ouden van dagen te voorzien, wat wij ontkennen — in staat zal zijn om die taak voor hare rekening te nemen, n.l. om hulp te bieden aan al degenen, die nu door het betalen van premie, hetzij in het pensioenfonds dan wel in het invaliditeitsfonds, den ouden dag verzorgd zien.
Hoe het daarmede zou gaan, zien wij in de Gereformeerde Gemeenten gebeuren, de kerkelijke organisatie, die van geen andere voorziening in de behoeften bij invaliditeit en ouderdom wil weten, dan die, welke langs den kerkdijken weg loopt.
In „De Saambinder", het correspondentieblad der Gereformeerde Gemeenten in Nederland, van 8 September, lezen wij onder Kerknieuws betreffende Emeriti-predikanten :
Op de gemeenten rust de dure plicht voor de dienaren des Woords zorge te dragen, niet alleen tijdens hun dienst, maar ook zoo zij, gelijk artikel 13 der Dordtsche Kerkenordening het zegt, „door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam worden tot oefening van hun dienst".
Ook onder onze gemeenten zijn leeraren, die door ouderdom en ziekte niet meer kunnen prediken, en weduwen van onze voorgangeren, die reeds juichen voor den troon der genade. Ten einde in hun nooden te voorzien, hebben de gemeenten ééns per jaar een collecte gehouden. Het was genoeg. De gelden worden gesteld in handen van deputaten, door de Synode benoemd, en door dezen aan de betrokkenen uitgedeeld.
Nu heeft de penningmeester dier deputaten medegedeeld, dat alle kerkeraden zijn aangeschreven. Zij hebben een circulaire ontvangen, met verzoek te willen collecteeren. Sommige gemeenten zijn echter zeer traag, en laten tot nog toe niets van zich hooren. Dat ligt aan den kerkeraad. Waarom maakt de kerkeraad niet bekend, dat a.s. Zondag een collecte zal gehouden worden voor de rustende predikanten en hun weduwen ? Waarom niet, kerkeraden, die de leeraren, zoolang zij nog kunnen, dringen, om boven vermogen te arbeiden. Is het u te veel uw voorgangeren te gedenken als zij niet meer kunnen ? Is dat vrucht van de oefening der gemeenschap der heiligen ? Wij moesten beschaamd zijn over onze laksheid.
Zij dit enkel woord genoeg om velen, die aan hun duren plicht niet voldeden, op te wekken spoedig te collecteeren en hun bijdragen te zenden aan :
A. VAN BOCHOVE, Nieuw-Beijerland.
Deze klacht van den heer Bochove geeft heel wat te denken.
Het ligt niet in onze bedoeling om ons te bemoeien met de interne aangelegenheden van de Gereformeerde Gemeenten. Maar wel geeft de inhoud van het stuk duidelijk antwoord op de vraag, of zelfs de Kerk, die zich op het geheel eenige standpunt plaatst, dat alle fondsen — pensioen-en invaliditeitsfonds — moeten verdwijnen, de positie van deze fondsen te midden van onze samenleving begrijpt.
Als het nu reeds moeite geeft — wat wij begrijpen — om emeriti-predikanten een onbekommerden ouden dag te bezorgen, hoe zal het dan moeten gaan als bij opheffing van pensioen-en invaliditeitsfonds de Gereformeerde Gemeenten nog voor hunne rekening zouden krijgen de invalide en oude onderwijzers, ambtenaren, arbeiders, om maar niet verder te noemen, die tot hun Kerk behooren, en deze van een weekgeld zouden moeten voorzien.
Er kwam dan van de verzorging der invaliden en ouden van dagen niets terecht. Zij werden dan paupers.
Wat „De Saambinder" in het nummer van 8 September mededeelt, is 't beste bewijs, dat wij met de pensioen-en invaliditietswet op den goeden weg zijn.
Laten wij die fondsen maar behouden. voorloopig nog maar behouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's