De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

10 minuten leestijd

Psalm 19 : 2-4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.

(Nadruk verboden).
XXII.

Psalm 19 : 2—4. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geene sprake en geene woorden zijn er waar hunne stem niet wordt gehoord.
In de hemelen heeft de Psalmdichter dus reeds gelezen van dien oorzakelijken samenhang, die niet slechts in de natuur, maar ook in de historie der menschheid en in elk menschenleven de albeheerschende wet is, welker erkenning de voorwaarde is voor alle wetenschap, welker miskenning de oorzaak is van den rampspoed, van het leed en van de oordeelen, die over de volken komen en ook in ons eigen leven zich doen gelden. Niet straffeloos heeft de menschheid de ontroerende verantwoordelijkheid veronachtzaamd, die daardoor op haar rust. Zonder zich er rekenschap van te geven hebben de volken maar al te dikwijls wind gezaaid om stormen te oogsten, waarop zij niet hadden gerekend. En ook in ons eigen kleine, individueele menschenleven gaat het meestal niet anders, zoodat ons leven vol is van teleurstellingen en Mozes zeggen kon van de dagen onzes leaens : het meesta van die is moeite en verdriet. Maar de Psalmdichter las het waarschuwend Gods-Woord in de hemelen daar boven hem en schouwde de goddelijke ordinantiën in den samenhang van dag en dag, van heden en morgen. Hij laat ons een diepen blik slaan in de wondere ontwikkeling onzer historie door er ons op te wijzen, dat naast den gouden draad der dagen zich slingert de gordel der nachten. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit. Dat kan een iegelijk hooren, ook de eenvoudigste kan het opmerken. De dag is licht en het licht maakt openbaar. Wat er voor ons oog geschiedt, ieder kan het waarnemen, niemand kan het ontkennen, ook al letten er slechts weinigen op.
Doch naast die dagen zyn er de nachten en in den nacht wordt de aarde omzwachteld met een sluier van donkerheid. Het schoon der aarde wordt er door omneveld, zoodat het niet meer kan worden genoten. In den nacht schikt zich alles tot de rust van den slaap. Der vogelen lied zwijgt, zelfs de wind des daags vlijt zich tot een zachte koelte, die nauwlijks meer de blaren doet ritselen. Het gansche leven van plant en dier is aangelegd op de verkwikking van den slaap. En die slaap vordert het nachtelijk donker, dat voor ons bewustzijn de wereld der verschijnselen omhult. Alleen voor het roofdier is de nacht als een levensdag. De Psalmist legde er nadruk op, toen hij zong : „Gij beschikt de duisternis en het wordt nacht, in denwelke al het gedierte des wouds uittreedt; de jonge leeuwen, brieschende om roof en om hunne spijze van God te zoeken". Zoo wordt de nacht het beeld der zonde en der ongerechtigheid en de duisternis zelfs 't woord, dat onze verlorenheid noemt, hare werken kenmerkt en zelfs van eeuwigen doem ons spreken moet in de Schrift.
De nachten verbergen dus in hun schoot hetgeen de dagen ons voor oogen stellen. Maar toch ontdekken diezelfde nachten de heerlijkheid des hemels op een geheel eenige wijze. De nachten doen ons het sterrenheir aanschouwen, dat de Ouden bewonderden als een schoonen mantel, als het kleed der godheid, die er hare majesteit in openbaarde. In Gods Woord, dat getuigenis geeft van Hem, die zeggen kan : "er is geen God meer behalve Mij", is er dus van geen goden meer sprake, als er Wordt gewezen naar de sterren des hemels, doch de taal der heidenen wordt er omgezet in een beeldspraak. De hemelen zijn het werk van Gods handen. Die hemelen zullen vergaan, doch de Heere zal staande blijven en „als een kleed zullen zij verouden". De Heere zal ze „veranderen als een gewaad." Voor het Oostersch bewust­ zijn is de nachtelijke hemel de drager van hetgeen voor de kinderen der menschen een mysterie is. Met name ook in Babylonië en Assyrië was het ontsluieren der toekomst een der gewichtigste doeleinden, waarmede men zich bezig hield en waarom de priesterschap werd gezocht. En dit streven om het verborgene te ontsluieren ontwikkelde zich tot een systeem in grooten stijl, tot een systeem, dat een wetenschappelijk karakter aannam voor het besef der Ouden en waarin het nauwkeurig waarnemen van hetgeen er in den hemel geschiedde een der gewichtigste hulpmiddelen werd. Er werd een officieele eeredienst ingesteld, waarbij het heil van land en volk en vorst het groote, soms zelfs het eenige doel was, dat werd nagestreefd. Met het welzijn van den vorst was dat van het gansche volk onlosmakelijk verbonden. En daarom was al wat met den vorst geschiedde, zijn wel en wee, voor het gansche volk van beslissende beteekenis. En voor de voorkennis daarvan meenden zij in den hemel het boek te bezitten, waarin het voor den mensch verborgene was te lezen. Het beeld, dat de hemel te aanschouwen gaf, was eene weerspiegeling van hetgeen er op aarde gebeurde. De hemel was voor velen onder hen als eene kaart van het aardsche, waarop men zelfs de indeeling der landerijen, van bergen en watervlakten, van districten en steden kon naspeuren. Tusschen hetgeen in de heemelen te ontdekken viel en op de aarde geschieden zou, was er voor hen een levensverband. Deze beschouwing speelt in de kunst om den hemel waar te nemen een hoofdrol. Het beeld des hemels correspondeert naar Babelsche voorstelling met het beeld der aarde, zoodat beide zich tot elkander verhouden als het oorspronkelijke zich verhoudt tot het beeld in een spiegel. Wat aan den hemel geschiedde, was het oorspronkelijke, het aardsche slechts zijne afspiegeling. Van de goden toch waren alle gebeurtenissen afhankelijk en deze goden woonden in den hemel, hadden hun zetel in de hemellichamen. En dezen hemel dachten zij zich niet verre van de aarde. Denk slechts aan Babels torenbouw, die berustte op het geloof, dat men door zulk een bergvormigen bouw tot den hemel opklimmen kon. Aan den horizon vereenigde zich immers de hemel met de aarde en de wateren, zoodat de goden geen te verren tocht hadden af te leggen om de aarde te bereiken. De hemel is het rijk der goden. Zon en maan en sterren zijn goden en godinnen, terwijl de bewegingen in de hemellichamen de handelingen der goden aankondigen. En wat op aarde geschiedt, wordt door de goden bepaald. De kennis des hemels verklaart en openbaart dus de toekomst.
Deze beschouwingswijze, die in Babylonië en Assyrië algemeen was, werd nu, onder den invloed van het religieuse denken, dat de priesterschap beoefende en waarin zich dus een wetenschappelijke aandrift deed gelden, tot een systeem. Er werd eene wetenschap uit geboren, die zich ten doel stelde de uitlegging van hetgeen er in den hemel te aanschouwen viel. De kennis des hemels werd eene wetenschap, die een hoog intellectueel vermogen veronderstelt, een hooger weten, dat ook in de theologische beschouwingen zich openbaarde. Deze hemelkunde was dus van veel hooger orde dan de gewone waarzeggerij, die met name uit den lever van dieren en met allerlei kunstgrepen de toekomst pretendeerde te kunnen ontsluieren. Deze astrologie was de voorlooper der wetenschappelijke sterrekunde. Zij eischte van hare beoefenaren niet slechts eene nauwkeurige en scherpe oplettendheid, eene exacte waarneming, maar bovendien ook eenige astronomische kennis. In de priesterscholen van Babel vertegenwoordigt deze astrologie de hoogste openbaring van haar wetenschappelijk streven. Daarin bereikte zij het hoogtepunt van haren intellectueelen arbeid, waardoor zij tot diep in de eeuwen na Babels ondergang nog een blijvenden invloed heeft geoefend. Het merkwaardige echter in deze beschouwingswijze is dus ook weder, dat hetgeen op de aarde geschiedt en, hetgeen de men­schen ervaren, geen vrucht is van willekeur en toeval, maar bepaald wordt door wetten, waaraan zelfs de goden onderworpen zijn. En hetgeen de goden bepalen, is ook geen vrucht van willekeur, maar besluit van hun gemeenschappelijken raad. De verklaring van wat in den hemel te lezen viel aangaande het aardsche gebeuren, werd nu in de scholen der priesters nagestreefd op logisch consequente wijze. De voorteekens werden wetenschappelijk onderzocht en de beteekenis van hetgeen de hemelen alzoo verkondigen in hetgeen zij te aanschouwen gaven, kreeg het karakter van eene wetenschap.
En als wij nu terugkeeren tot het woord van onzen tekst, dat ons zegt: „de nacht aan den nacht toont wetenschap", dan wordt het ons duidelijk, hoe de Psalmdichter er toe gekomen is om op deze wijze ons te herhalen, dat zooals de dagen hun gebeuren overdragen aan hun morgen, alzoo wat in den nachtelijken hemel aan wetenschap is te ontdekken, wordt overgebracht in den hemel van den nacht, die komende is.
Zoo spreekt dus de Psalmdichter in de taal zijner dagen van wat destijds voor de hoogste wetenschap gold, al was voor hem die hemel iets geheel anders dan voor de wijzen en geleerden der Chaldeeën. Voor hem was dat nachtelijk firmament geen werk en schouwplaats van goden, waren de hemellichamen slechts schepselen voortgebracht door den eeuwigen Geest des Heeren, door dien God, op Wien geene gelijkenis kon worden toegepast. Voor den dichter waren de hemelen gewrocht des Almachtigen. Hij beluisterde, hoe zij Gods eere vertellen en bewonderde ze als het kunstwerk Zijner hand. Als een ontroerend schoon weefsel was het sterrentapijt uitgebreid voor zijne oogen en hij aanbad den eeuwigen God als den Kunstenaar die in dit heelal Zijne schoonheid ten toon spreiden kon. En hij aanschouwde er ook de oneindige wijsheid van zijnen God in, die ze immers alle bij name riep en vanwege de grootheid Zijner krachten werd er niet één gemist. En omdat er Gods eeuwige gedachte in belichaamd was, openbaarde zich in deze hemelen ook een wetenschap, die over hemel en aarde en over de eindbestemming aller dingen in het Koninkrijk Gods zich uitbreidde. En zoo stond hij in bewondering voor hetgeen zij te aanschouwen gaven en hetgeen de geleerden van Babel er als wetenschap in meenden te vinden, het verscheen hem alles in het hoogere licht van den eenigen en waarachtigen God. Hij las ook in dien nachtelijken hemel den wonderen en den onlosmakelijken samenhang van al het wereldgebeuren en daarom getuigde hij : „de nacht aan den nacht toont wetenschap".
Hij verpersoonlijkt ook de nachten, zooals hij dit met de dagen had gedaan in dichterlijke vrijheid en stelde ze voor als die elkander de diepe wijsheid overdroegen, die in hun donkerheid en in hun hemellichten was verborgen. De nachten brachten alzoo hunne wetenschap over aan elkander. En deze zou voor de historie der menschen beslissend wezen, omdat het de wetenschap van God was, die hemel en aarde geschapen had en ook tot hunne eindbestemming brengen zou. De nachten predikten elkander de wetenschap des Almachtigen, waarvan zij de dragers en de openbaarders tevens waren.
Zoo ruischen er ook in de nachten door de hemelen de lofzangen Gods en zij prediken ons, hoe de geschiedenis der volken voortschrijdt door dagen en nachten, hoe ook onze eigen levensgeschiedenis haar einddoel benadert. Zoo is er dus in de hemelen Gods Woord te lezen, dat ons onze vergankelijkheid voorhoudt in de rustelooze beweging, die in hunne wisselende verschijningsvormen openbaar wordt. De dagen spreken ons van onze levensroeping, van den harden, duren plicht om te arbeiden zoolang het dag is, eer de nacht komt, waarin niemand werken kan. En de nachten met hun schitterend firmament, met hunne mysterieuse verborgenheden, waarvan zij getuigen, zij roepen ons toe, dat wie zijn levensdag verliest en verkwist, den eeuwigen nacht zal tegengaan, waarin geen ster der hope meer lichten zal. En te zamen leggen dagen en nachten ons voor, hoe al wat wij zijn, wat wij denken en spreken en doen, onafscheidelijk één zal blijken met al wat ons wacht. Ja, zij laten over ons leven opgaan het eeuwig licht van Gods recht en dringen ons alzoo te gedenken aan het woord van den Heere Jezus : zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid. Schatten der goddeloosheid toch doen geen nut, maar de gerechtigheid redt van den dood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's