De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

DE KWESTIE NUMANSDORP (2)
Allervriendelijkst en allerchristelijkst was de wensch van ds. Gouverneur „dat een element als deze heer Heemskerk, uit de Kerk verwijderd worde". En ds. Ten Bokkel Huinink van Numansdorp heeft het er op aangelegd. Hervormde menschen, met wie men kwestie heeft, kan men het makkelijkst maar vervallen verklaren van hun lidmaatschap. Dan is men ze kwijt en dan kan men zelf weer vroolijk z'n weg gaan ! Maar zoó gaat het gelukkig nog niet in onze Hervormde Kerk. Dat blijkt ook uit het antwoord van de Synode aan den kerkeraad van Numansdorp.
Dat antwoord ligt in Afschrift voor ons. En ja — 't is zoo iets als een rijst-en-brijberg. Wat langademig, veelzinnig en onduidelijk. Maar dat "hoort" bij de rechtspraak, zullen we maar denken.
8 Augustus 1932 hebben de heeren A. B. te Winkel, president; prof. dr. Th. L. Haitjema, prae-adviseerend lid; D. den Breems, secretaris en adviseerend lid; J. Barbas, dr. P. Smit, P. Wolffensperger, E. H. Mellema, J. W. J. Addink, E. Baron Prisse, J. Boonstra en E. J. H. Brandligt vergaderd als Synode „die bij uitloting op de helft harer leden was verminderd" (Art. 15 Alg. Reglement).
Deze „kleine" Synode werd „geroepen om overeenkomstig art. 31 al. 2 van het Regl. voor kerkelijk opzicht en tucht in behandeling te nemen de zaak betreffende de vervallenverklaring van Adrianus Heemskerk te Numansdorp", waarvan deze heer per schrijven van 15 December 1930 van den kerkeraad ter plaatse bericht had ontvangen, als geschied „bij administratieven maatregel van bestuur".
Allerlei stukken van den kerkeraad, van den heer Heemskerk, van het Classicaal Bestuur van Dordt, van dr. J. R. Callenbach te Rotterdam, kerkvisitator in de gemeente Numansdorp in 1927, enz. werden onderzocht.
En toen werd geconstateerd wat de feiten betreft: dat de Algem. Synodale Commissie, blijkens hare kennisgeving aan de Algemeene Synode, ingevolge art. 31 van het Regl. voor kerkelijk opzicht en tucht, ontwaard heeft, dat een kerkelijk Bestuur van lageren rang dan de Synode, een besluit heeft genomen in eersten aanleg, hetwelk strijdt met de Reglementen der Kerk.
Dat was dus het eerste, dat tot aller verbazing en schrik werd opgemerkt door de „kleine" Synode, waarbij alle heeren blijkbaar eenstemmig waren. De Synodale Commissie had het ongeoorloofde reeds in 't licht gesteld en de „kleine" Synode was het met de Synodale Commissie van harte eens, dat hier iets was gedaan hetwelk strijdt met de Reglementen der Kerk.
Dan volgt een tweede zaak, die met schrik werd geconstateerd. En wel dat noch het Classicaal Bestuur van Dordrecht, noch het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland maatregelen genomen heeft teneinde dezen vorm van vervallenverklaring van het lidmaatschap door den kerkeraad van Numansdorp te doen herroepen.
Het Classicaal Bestuur van Dordt (waarvan ds. Ten Bokkel Huinink scriba is) en het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland (waarvan de heer Sneep, ouderling te Numansdorp, lid is) hadden moeten tusschenbeide komen — 't welk deze Besturen echter niet hebben gedaan !
Dat werd geconstateerd wat de feiten betreft. Stap voor stap op dezen weg was verkeerd geweest!
En dan „wat het recht betreft".
De vorm van de behandeling was verkeerd geweest. Maar nu de vervallenverklaring zelve - hoe staat het daarmee?
De „Kleine" Synode schrijft letterlijk : „Overwegende, dat een vervallenverklaring van het lidmaatschap der Ned. Hervormde Kerk ingevolge het slot van art. 3 Algem. Reglement" (waar we lezen : „Art. 3. Deze allen blijven tot de Ned. Hervormde Kerk behooren, zoolang zij niet door woord of daad ten duidelijkste toonen, zich van haar af te scheiden, of door haar van hunne betrekking tot de Kerk vervallen zijn verklaard") „ongetwijfeld als een bestuurshandeling door den kerkeraad geschieden kan ten aanzien van personen, die door woord of daad ten duidelijkste getoond hebben zich van de Ned. Hervormde Kerk af te scheiden — overwegende, dat zulk een bestuurshandeling van een kerkeraad toch in ieder geval op een besluit in den kerkrechtelijken zin van het woord moet gegrond zijn, waartegen hooger beroep door den betrokkene, als bezwaarde, moet kunnen worden aangeteekend volgens art. 14 van het Algem. Reglement —
overwegende, dat art. 3 van het Algem. Regl. aan het slot de vervallenverklaring ter laatste instantie wil laten geschieden „door haar" d.i. door de Nederlandsche Hervormde Kerk, tot welke alle in art. 2 van het Algem. Reglement genoemden in betrekking staan, tegelijk met hunne betrekking tot de bijzondere plaatselijke gemeente — overwegende, dat het mitsdien reeds onmogelijk moet geacht worden, dat een Kerkeraad, als bestuur over een bijzondere Hervormde plaatselijke gemeente (volgens art. 4 Alg. Reglement) iemand zou kunnen vervallen verklaren van zijn betrekking tot de Ned. Hervormde Kerk, en dat wel bij administratieven maatregel van bestuur, zonder mogelijkheid van hooger beroep volgens art. 14 van het Alg. Regl. — Overwegende, dat deze door den Kerkeraad van Numansdorp in zijn vergadering van 15 December 1930 toegepaste vorm van vervallenverklaring, wanneer deze navolging vinden ging, tot DE ERGERLIJKSTE WILLEKEUR aanleiding zou kunnen geven en lidmaten en leden der gemeente, op wie deze vorm van vervallenverklaring z.g.n. als uiterste maatregel werd toegepast, VOLKOMEN RECHTELOOS zouden staan —
Overwegende, dat echter door de Synode nimmer de vervallenverklaring in het Reglement voor kerkelijk Opzicht en Tucht gereglementeerd is, en de vervallenverklaring van alle betrekking tot de Ned. Hervormde Kerk derhalve ook in art. 7 Regiem, voor kerkelijk Opzicht en Tucht niet voorkomt;
overwegende, dat de Kerkeraad van N. ook welbewust niet aan toepassing van een tuchtmaatregel gedacht heeft, maar aan een administratieven maatregel van bestuur ten aanzien van iemand, die door woord of daad ten duidelijkste getoond heeft zich van de Ned. Hervormde Kerk af te scheiden ;
overwegende, dat de Kerkeraad van Numansdorp ten aanzien van Adrianus Heemskerk tot zijn vervallenverklaring besloten heeft in een vorm, die in strijd is met de Reglementen der Kerk;
overwegende, dat, in dit stadium dezer zaak, moet afgezien worden van een beoordeeling der gronden, die mogelijk kunnen aanwezig zijn, en den Kerkeraad van N. met recht zouden kunnen doen besluiten tot de vervallenverklaring van Adrianus Heemskerk, ingevolge 't slot van art. 3, van het Algem. Reglement;
overwegende dat een dusdanige vervallenverklaring echter behoort te geschieden in den vorm van een besluit in bestuurszaken, waarop art. 14 van het Alg. Regl. en de artt. 24, 80 en 81 van het Reglement voor kerkelijk Opzicht en Tucht toepasselijk zijn;
gelet op de artt. 2, 3, 4, 14, 15, 70 van het Algem. Reglement en de artt. 7, 24, 31, 80, 81 van het Reglement voor kerkelijk Opzicht en Tucht;
besluit nemende ingevolge art. 31 van het Reglement voor kerkelijk Opzicht en Tucht, vernietigt het besluit enz. en verklaart genoemden A. Heemskerk alsnog in dezelfde betrekking tot de Nederd. Hervormde Gemeente te Numansdorp en tot de Nederlandsche Hervormde Kerk in het algemeen te staan, als waarin deze vóór den 15den December 1930 tot beide stond, enz."
Ziehier dus de beslissing van de „Kleine" Synode, waaruit blijkt dat zij zich in het geheel niet heeft ingelaten met de kwestie zelve te Numansdorp, omdat deze kwestie niet aan de orde is bij de Synode, maar waarbij de maatregelen van den Kerkeraad van Numansdorp vernietigd zijn geworden en waarbij de heer Heemskerk bestendigd is in zijn rechten als lidmaat der Hervormde Gemeente te N. en van de Ned. Hervormde Kerk in het algemeen.
Jammer, dat de Kerkeraad van N. zich zóó van een der lidmaten der gemeente heeft willen afmaken.
Gelukkig, dat de Synode tusschenbeide is gekomen en tegen deze onwettige en onverstandige maatregelen van den Kerkeraad positie heeft ingenomen, om ze te verhinderen en te vernietigen.
Wij hopen hartelijk, dat de Kerkeraad betere wegen weet uit te denken om uit deze moeilijkheden te geraken ; wat men geenszins moet zoeken in de richting om iemand maar zonder proces af te snijden en vervallen te verklaren van z'n lidmaatschap.

EEN ALLESZINS LEZENSWAARDIG BOEK.
Liever dan in de rubriek „Rondom de Leestafel" maken we hier melding van een boek, dat ons dezer dagen werd toegezonden en dat we aanstonds hebben gelezen van de eerste tot de laatste bladzijde. We willen met onze bespreking — en aanbeveling — nu ook niet wachten, maar er aanstonds, en wel in deze rubriek „Kerkelijke Rondschouw" melding van maken.
't Boek dat we bedoelen is keurig, buitengewoon aantrekkelijk, uitgegeven bij Veenman & Zonen te Wageningen en is geschreven door prof. G. Wisse, hoogleeraar aan de Theol. School te Apeldoorn, waar, zooals men weet, de a.s. predikanten van de Christelijke Gereformeerde Kerk worden opgeleid. De titel van bedoeld boek luidt: „De Moloch onzer Eeuw", een critische bijdrage tegen het Pantheïsme.
Het aantrekkelijke van wat prof. Wisse schrijft is, dat hij in den tegenwoordigen tijd z'n oogen en ooren de kost geeft, den geestelijken achtergrond van al het gebeuren naspeurt en dan als wetenschappelijk man bij machte is om diep religieus voelend ons de teekenen der tijden te belichten en den ondergrond der „geestelijke stroomingen" bloot te leggen. Daarbij stippelt hij dan de lijnen voor ons christelijk denken zóó uit, dat ieder die thuis is in de Schrift en meeleeft met z'n tijd en een liefhebber van de Gereformeerde waarheid, een veilig gevoel krijgt om met dezen gids rond te wandelen. Waarvan hij dan ook voordeel zal hebben als z'n hart open staat.
Daarom verheugen we ons over dit, nu pas verschenen boek, dat handelt over het Pantheïsme en alles wat daarmee samenhangt.
Wanneer iemand nu zou zeggen: het Pantheïsme interesseert mij niet; of misschien, het is een onderwerk waarvan ik toch niets begrijp — dan zouden we zeggen : u vergist u ! Want wat prof. Wisse hier beschrijft moet ons interesseerenen hij doet het zóó, dat ook degenen, die volstrekt geen geschoolde theologen zijn, maar belangstellend meeleven met het godsdienstig gebeuren van onzen tijd en daaraan hun aandacht schenken, hier inderdaad een geschrift vinden waar ze veel aan kunnen hebben.
De „Moloch onzer Eeuw" is het pantheïsme. En ja, overal steekt die „geestelijke strooming" en die wetenschappelijke beschouwing van God en wereld, het hoofd omhoog, om van overwinning tot overwinning te gaan, juist omdat velerlei gedaante wordt aangenomen, ook zelfs heel dikwijls een gedaante van vroomheid, van mystiek, maar dat toch een caricatuur is van wat wij als christen belijden en voor hoofd en hart noodig hebben.
De mensch kan God negeeren, de mensch kan God loochenen, wederstaan in zijn openbaring, en nog veel meer — maar (en dat is het merkwaardige) de mensch kan God toch niet missen, kan niet zonder God leven en bij verwerping van de openbaring Gods, waarin Hij Zich Zelf aan ons komt bekendmaken, gaat de mensch, die naar godsdienst, naar vroomheid snakt, zichzelf een God fantaseeren en men maakt zich zelf allerlei manieren van godsdienst, waarvan 't occultisme, de theosophie enz. getuigenis aflegt. En dan komt overal een pantheïstische trek naar voren: men wil zoo dicht mogelijk bij God verkeeren en zich zoo innig mogelijk met God vereenigen, maar den weg van Gods genade en waarheid in Christus verachtend, maakt men zich zelf een weg tot Godsgemeenschap, dat niets anders is dan dwaasheid en afgoderij.
Wie spreekt er tegenwoordig niet over God, over God en de wereld, over God en het wereldbestuur, over God en Godsgemeenschap ? Laten theosophen, spiritisten, enz. enz. maar eens spreken !
En dan slaat men altijd weer den weg in van God te vereenzelvigen met de wereld. God is dan niet wezenlijk onderscheiden van de wereld en de wereld niet van God. God is een „iets", dat zich van zichzelf niet bewust is. Het vloeit uit in het „Al" en geeft zich daar gestalte. God is niet de Zijnde, maar de altijd wordende. Geen wezen dat voltooid, volmaakt is, maar komende tot zelfbewustzijn in den menschelijken geest. De wereld in hare totaliteit is „geronnen" godheid. De wereld is de tot een vorm geworden gestalte dezer godheid. Er is geen onderscheid in wezen tusschen de godheid en de wereld. Er is een brug gelegd tusschen de godheid en den mensch ! Dan komt er een verwantschap en gemeenschap tusschen den mensch en de godheid, waarbij de gezonde gedachte van de Christelijke mystiek verangen wordt door pantheïstische gevoelsbewegingen, 't Gaat dan alles gehuld bij het gewaad van vroomheid (theosophie enz.). De moderne mensch zoekt bevrediging in pantheïstische religie, 't Doet warm en innig aan! God en wereld zijn een twee-éénheid. Men begeert „stemming". Het is surrogaat voor de gezonde bevinding der waarachtige Godsgemeenschap, waarvan de Psalmdichter zingt :
Gods verborgen omgang vinden Zielen waar Zijn vrees in woont, 't Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, Naar Zijn vreeverbond getoond, d' Oogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten.
Maar het wordt bij de moderne religie een occultisme, een gemeenschap zoeken met het verborgene, dat een caricatuur Is van de ware vroomheid, met verachting van de openbaring Gods ons in Zijn Woord gegeven, met loochening van den Christus Gods, Die zegt: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door Mij. Men kan niet zonder God leven, maar men veracht God en Zijn openbaring. Men kan God negeeren, maar toch niet zonder God leven en de loochening slaat dan om in pantheïsme Ongeloof maakt plaats voor bijgeloof. De verloochende openbaring der H. Schrifi wordt ingeruild voor occultisme ; de vreeze Gods wordt verwisseld met de nieuwe valsche mystiek in dwaze, onwaarachtige goddelooze „vereenzelving met God".
Zoo is er een opdringen van den mensch naar God, maar men maakt zich zelf goden, goden der fantasie, der filosofie, met vijandschap tegen de Godsopenbaring et zoo komt men geheel aan den verkeerden kant uit.
Dan gaat prof. Wisse te midden van een wereld, die alleszins als godsdienstig is, het geloof van den Christen teekenen. Dan wordt gesproken van God als Schepper en Onderhouder aller dingen. Dan wordt getuigd van den drievuldigen God, het absolute leven; van den Logos, het Woord Gods, in Wien ons de verborgen raad, de verlossing is geopenbaard. Dan wordt God een object des geloofs, geenszins een object des verstands. En in plaats van een caricatuur van Godsgemeenschap word ons geteekend de heerlijkheid van het kindschap Gods. Neen — laat Bakounis niet zeggen, dat God dienen slavernij zou zijn en dat het Godsbegrip de ware vrijheid en vrijmaking in den weg zou staan, waarom de bolsjewist de leuze opheft; door atheïsme tot revolutie.
De Christen weet deze dingen anders door geloofservaring. Door God geschapen zijnde is voor den mensch de hoogste vrijheid en zaligheid : God te mogen kennen, dienen en vreezen en Hem, in Christus Jezus, te mogen noemen : onze Vader. Dat is geen pantheïstische gemeenschap, maar dat is het kindschap Gods voor de vromen, dle Jezus Christus mogen kennen, in Wien de Vader Zich heeft geopenbaard en naar menschen heeft nedergebogen, om bij menschen te wonen. Het Woord is vleeschgeworden en heeft onder ons gewoond en we hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid van den Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid. Dan wordt het voor den Christen welbewust werkelijkheid, dat we „in God zijn en ons in Hem bewegen", geenszins in pantheïstischen zin, maar in theïstischen zin, waarbij we met Zondag 10 van den Catechismus belijdenis doen van de almachtige ei alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij alle dingen regeert en bestuurt! zoodat God overal „in" is, maar geenszins in pantheïstischen zin.
Temidden van de pseudo-of kwasi-religies wordt dan met warmte over de ware religie gesproken, de religie van 't Woord. De religie van den Geest, de religie waarbij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest wordt gekend als de volzalige God, in Wien het volk des Heeren van alle eeuwen de hoogste vreugd vindt.
Dan krijgt ook de moraal weer vasten grondslag. In den Zijnde is het goede een positief goed „an sich". Dan is er objectief een onderscheid aan te wijzen tusschen goed en kwaad. In principe is de moraal dan niet „zwevend", maar vast, al kan er natuurlijk sprake zijn van „groei" in de openbaring, ook van die der moraal. Theïstisch gedacht, is wereld en mensch op God als „aangelegd". God dienen is naar onze oorspronkelijke natuur. De genade herstelt ook hier wat door de zonde verbroken is en zoo komen Gods kinderen tot een „nieuwe gehoorzaamheid". Door de geestelijke inwoning van Christus in ons, schenkt Gods genade, dat we Gods geboden leeren zien om te getuigen : hoe lief heb Ik Uw welzijn is mijne betrachting den ganschen dag. Dan zeggen ze met den Apostel: Uwe geboden zijn niet zwaar, 't Wordt een liefdedienst vol vreugd en zaligheid.
Inmiddels is nu deze theïstische religiie des Christendoms het zuiverst en diepst gegrepen door de Gereformeerde belijdenis.
Men kan zeggen, dat in het Calvinisme tot deze de zuiverste omlijning van de Christelijke religie wordt gevonden. We noemen slechts één punt ter illustratie ; en wel ten opzichte van het hart der zaak; n.l. praedestinatie en in haar met name de uitverkiezing.
Hier wordt geleerd, dat het absolute onderscheid, maar ook de diepste gemeenschap tusschen God en ons, nlet eerst ontstond in de ure van begenadiging ; zelfs niet in de „ure" van schepping ; maar al reeds in de tijdlooze eeuwigheid. Van eeuwigheid uitverkoren, vóórgekend van vóór de grondlegging der wereld — ziedaar een theïstische relatie buiten den tijd. Relatie tusschen God en schepsel van eeuwigheid, vrijmachtig, onlosmakelijk innig diep, kan het heerlijker en absoluter ? En wat in de werkelijkheid straks aanschouwd wordt, het is „slechts" de ten-uitvoer-legging van wat in God in Zijn besluit al reeds was".|
„In den hemel en in den staat der heerlijkheidsherstelling aller dingen, waarin God alles in allen zijn zal, zal deze theïstische religie haar eeuwig hoogtepunt bereiken, om op dit hoogtepunt eeuwig te staan bloeien. Ik geloof dat we nergens zoo diep zullen gevoelen, dat God God is en wij schepsel, dan daar. Maar dat we ook nergens zóó diep en zóó zalig zullen genieten en beleven, dat die God dit volk tot een God zal zijn, en wij Hem zullen zijn tot zonen en tot dochteren. Onderscheid én relatie, gemeenschap, religie tot doordringende realiteit.
Daar zal het theïstisch kernwoord, door Paulus eenmaal neergeschreven, ten volle ervaren en beleefd worden : De Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.
Dus twee : Gods Geest en onze geest.
Maar die twee verzoend en in gemeenschap tot het eeuwige leven. Het eeuwige leven : eeuwig naar inhoud en zin in de eerste plaats. En daarom ook eeuwig naar duur en bestendigheid.
Waar tusschen die twee : God en Zijn wereld, scheppingscontact was gesteld, echter zondebreuk was ontstaan, maar ook herstelling is tot stand gekomen, daar kan scheiding niet meer mogelijk zijn, nademaal in den Christus Gods het theïsme zijn hoogtepunt van openbaring erlangde, en dies God in absolute vrij macht er nu Zelf bij geïnteresseerd is, dat Zijn werk volkomen zij, als het werk van Hem, den drieëenigen Jehova, die de rots is des eeuwigen zijns, te midden van den stroom der verwording.
„Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid" — Dat is het Hallel van het Theïsme".
Waar prof. Wisse zóó over de vragen : wie is God, en : wat is de verhouding van God en de wereld als totaliteit van al het geschapene, geest en stof saam — geschreven heeft, hopen we van harte, dat zijn zoo overduidelijk en schoon geschrift door zéér velen met zegen gelezen mag wórden.
Alles vloeit, alles verschuift, alles is onvast maar dan juist is het zoo goed om getuigenis te geven van de dingen die onder ons volkomen vast staan.
Hoort Gods stem ! Vooral ook de jongeren onder ons, zoo goed als de ouderen.
De religie en de moraal zijn in gevaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's