De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

6 minuten leestijd

„Zoo iets is tot nu hier nog nooit gebeurd". Alzoo werd, wat er had plaats gegrepen, aan elkander medegedeeld.
Wat dit nu was, kan in het kort worden weergegeven.
Toen verleden week onze Koningin de Kamers op de gebruikelijke wijze, met het uitspreken van de Troonrede, opende, waren daar de vertegenwoordigers van het heele volk in zijn bonte verscheidenheid te zamen. Toen zij was uitgesproken en het laatste woord nauwelijks had weerklonken, werd de lucht doorsneden door den kreet van de beide communisten : „Weg met de Koningin".
Zie, daarop sloeg het woord, waarmede we onze rubriek begonnen.
Zoo iets was nog nooit gebeurd. Ik kan gerust zeggen : zoo iets was voorheen nauwelijks denkbaar dat ooit gebeuren kon. We kunnen het ons zoo levendig indenken, dat iets schandelijkers, iets wat meer ergernis kan geven, nauwelijks is aan te wijzen.
De man, die door den luidspreker den volke moest mededeelen wat er had plaats gegrepen, kon het trillen van zijn stem dan ook niet verbergen. En van hem is het woord, dat zoo iets naars en schandelijks bij ons nog niet had plaatsgegrepen.
En zou er nu wel iets pijnlijkers denkbaar zijn dan dit ? Zij, die van Godswege op den troon van Nederland is geplaatst geworden, die als een blijk van Zijn wondere gunst aan het volk van Nederland is geschonken, (immers toen niemand meer durfde hopen op de voortzetting van een regeerend Vorstenhuis van Oranje, werd zij geboren) werd hier beleedigd op het moment dat zij uittrad als zoodanig. Gezeten op den troon, slingert men haar tegen : ge moogt hier niet zijn. Ge moogt zelfs niet eens meer bestaan.
Hoe verschrikkelijk ook dit feit, op zichzelf beschouwd, mag worden genoemd, toch mag geen moment worden vergeten dat God de Heere hiermede Zijn wijze bedoelingen kan hebben.
Zijn er nog geen duizenden bij duizenden die er blijkbaar tot nu weinig oog voor bleken te hebben hoe ver het met ons land en volk is gekomen ? Zijn er niet tal van menschen, die een warm hart toedragen aan onze geliefde Vorstin, maar hoegenaamd geen voorstelling er zich van gevormd hebben hoe moeilijk regeeren is in deze dagen ? Daar is nauwelijks iets moeilijkers denkbaar dan den hoogsten zetel in te nemen in onzen tijd.
Het volk wordt zóó opgezet en de haat zóó hoog opgezweept, dat het levensgevaarlijk begint te worden de teugels van het bewind te hanteeren.
De haat, welke doorklinkt uit de woorden van den communist, geeft te denken. Zoo iets den slapende wakker kan schudden, is het dit. Vandaar dat wij de vraag stellen : zou God de Heere er dit ook mede bedoelen, dat wij onszelf en elkander de vraag eens voorlegden: welk aandeel moet ik voor mijn rekening nemen ? Heb ik wel meegewaakt en meegebeden ? Heb ik aan de komst van het Godsrijk wel ooit meegewerkt ? Satan werkt altijd door. Als het hoogste gezag wegvalt, zoo rijst dat van 't schepsel. De verdorven geaardheid van den mensch brengt mee, dat hij omstoot en in het verderven zich verlustigt.
Men behoeft waarlijk zichzelve niet met bizondere gaven begiftigd te zijn, om te zien naderen de geweldigste omkeeringen.
In de groote steden, in de hoofdplaatsen, schijnt het gevaar zeer nabij. Ook daar ligt de brandstof opgestapeld.
De klem van het Woord brak hier reeds van voorlang. De schare, de breede massa zonk weg in volslagen onwetendheid. Al leefde men ook in de nabijheid der kerken, elk levend contact werd gemist. Dus geen voorlichting en geen bijlichting. Men wandelt en beweegt zich naar het goeddunken van zijn eigen hart, d.w.z. van de meest dwaze inbeelding.
Iedereen, behalve zij zelve, heeft het gedaan. De maatschappelijke orde deugt niet, zoo klinkt-het-over de heele linie. Laat ze worden opgeruimd.
Ziet, dat is het woord, dat, doorgegeven van stad tot stad, van vlek tot vlek, van dorp tot dorp, zich voortplant. En wee, wie daar niets tegenover hoort. Zoo ooit, heeft elke belijder van 't Evangelie van Christus zich af te vragen : wat kan en mag en moet door ons worden gedaan ?
Onwillekeurig denken we in deze dagen aan het woord van een onzer voortrekkers : tegenover de Revolutie baat maar één wapen : het Evangelie.
Daar is geen ander. Ge kunt bedenken wat ge wilt, maar het loopt vast uit op eene teleurstelling, als ge een menschelijk wapen stelt in plaats van het door God ons gegevene.
De mannen, die de omverwerping prediken, zijn van deze waarheid ten volle overtuigd. Dit alleen is de muur, waartegen hun wapenen stukstooten. Tegenover iemand, die voor Gods Woord buigt, staan zij machteloos. Het schild des waren geloofs bluscht — naar het Woord des Heeren — de pijlen des Boozen,
Laat ons daarom, getrouw aan ons devies : de Waarheid naar Gods Woord verbreiden en verdedigen met alle macht, ons van Boven gegeven. Het welzijn van heel het volk, bedenkt dit, hangt samen met den gang van het Evangelie van Gods genade.
Waakt en bidt, zoo willen we besluiten. Draagt steenen aan voor het Godsgebouw. Thans leggen we u voor het lijstje van de Ingekomen gelden van deze week.
1. Door den heer P. Brinkers te Utrecht van een onbekende, die hem ontmoette op het Stationsplein te Utrecht ; -ƒ 2.—
2. Van mej. N.N.te Utrecht ƒ 1.-
3. Door den heer B. van Stek te Nieuw-Lekkerland de contributies van leden aldaar ƒ 8.—
4. Door den heer A. Waardenburg de contributie van de leden te Slikkerveer ƒ 6.—
5. Door den heer L. v. d. Berg te Hoogeveen aan contributies van de afdeeling aldaar ƒ70.—
6. Door den heer H. S. de Geus te 's Gravenhage aan contributies van de afdeeling Den Haag ƒ128.25
7. Door den heer A. van Anrooy te Gorinchem aan contributies van de afdeeling aldaar ƒ 44.—; vermeerderd met een collecte, gehouden bij een spreekbeurt, waarbij voorging ds. de Bruin van Rotterdam, welke opbracht ƒ 70.—. Alzoo samen ƒ 114.—
8. Door ds. Lekkerkerker te Delft uit den collectezak van de Oude Kerk te Delft op 18 September ƒ 5.—
9. Van mej. D. Bosma te Sneek voor het Studiefonds ƒ 10.—
10. Door den heer Wendel de Joode te Woudrichem uit den collectezak aldaar voor het Studiefonds ƒ 5.—
11. Door ds. Van Dorp te Den Haag van de dames L. voor den Geref. Bond ƒ1.—; van mej. N.N. voor het Studiefonds ƒ2.50. Samen ƒ 3.50
12. Van de fam. N.N. te Utrecht uit dankbaarheid ƒ 5.—
Tezamen bedragen deze posten de som van f 357.75.
Verreweg het meeste komt deze weken uit de contributies. Wat hieraan vastzit voor de Peiiningmeesters van de onderscheidene afdeelingen, weten alleen zij, die deze functie bekleeden of bekleed hebben. Ik weet er ook iets van. Laat mij dan op deze plaats allen, die dezen arbeid voor hun rekening hebben genomen, en zij, die hierbij medehielpen, door hun gaven niet het minste, allerhartelijkst dank zeggen. Tenslotte nog één woord.
Zoo omtrent dezen tijd zijn onze uitgaven niet gering. Wij hadden er op gerekend ; ons potje was aardig vol, maar voor zulke aderlatingen is zij nauwelijks berekend. Helpt mij, niet zuchtende mijn werk te doen. Onze arbeid is het waard om er ons uiterste best voor te doen, omdat het gaat om het welzijn van heel ons volk.
Gods zegen ruste er op in rijke mate.
Utrecht.
Ds. J. GOSLINGA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's