De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

5 minuten leestijd

Uit het „Kerkblad van de Gereformeerde Kerken in Den Haag" nemen we dit mooie stukje over :
HARE MAJESTEIT.

Duizenden hebben Woensdag voor acht dagen gehoor gegeven aan de uitnoodiging van onze Oranjevereenigingen om in de mooie Jacobskerk een avond door te brengen en het 60-jarig bestaan van die vereenigingen te gedenken. Het feit, dat in den loop van den dag was bekend geworden dat de Koninklijke Familie aanwezig zou zijn, heeft zeker invloed gehad op de opkomst, want zelden was de kerk bij zulk een gelegenheid zóó gevuld en moesten er zooveel belangstellenden worden heengezonden. Nu is het niet over deze vergadering zelf, dat ik iets schrijven wil, maar over enkele indrukken die ik er gekregen heb.
Een eerste indruk is deze : wat hebben wij toch een wijze Vorstin ! Misschien weet niet iedereen, wat ik hier nu wel mag meedeelen, dat er bij het bestuur van de Oranjevereeniging een persoonlijk verzoek van Hare Majesteit was ingekomen om dien avond niet te zinspelen op hetgeen er den vorigen dag, bij de opening van de Staten Generaal had plaats gehad. Ik zie in dit vorstelijk verzoek meer dan een daad, die onopgemerkt voorbij mag gaan. Met het diepe inzicht dat onze Vorstin blijkt te hebben in den mensch en het menschenleven, heeft Zij onmiddellijk gemeld dat een dergelijk verzoek nu noodig was. Zij kent n.l. haar volk. Zij weet, dat duizenden en nog eens duizenden zich diep beleedigd voelen over wat sommigen in de Ridderzaal gewaagd hebben te doen. Zij kon ook voorvoelen, dat velen onder dergelijke omstandigheden dubbel behoefte zouden hebben hun aanhankelijkheid te bewijzen, maar — Christin als Zij is — Eist Zij ook, dat geen enkel groot gevoel, hoe edel ook, bij ons ooit geheel zuiver wordt gehouden en dat een manifestatie van liefde aan haar op dit oogenblik wel zou moeten opkomen uit diepe bronnen van boosheid en gekrenktheid jegens de daders, die haar getracht hadden te beleedigen. En dat heeft Zij niet gewild. Zij houdt er van de bewijzen van liefde van haar volk te ontvangen. Zij neemt graag de hulde aan, die onze dankbaarheid haar biedt. Zij is nooit te moe om voor haar volk te verschijnen en, verschijnende, eenige van de beste gevoelens die in haar volk liggen, wakker te roepen. Maar zij wenscht dat onze gevoelens dan zoo louter en zuiver mogelijk zijn, zonder ressentiment, zonder haat, zonder opstand tegen onze broeders. Toen Zij wist, dat dit dit keer onmogelijk was, heeft Zij verzocht geen snaren aan te roeren die, behalve een melodie van liefde, ook een toon van gekrenktheid en boosheid zouden doen hooren. En dat is groot. Dit is bijzonder groot. Ik geloof dat dat majesteit is ! Meerderheid ! Zedelijke superioriteit!
En de andere herinnering is deze : Er werd dien avond door een jongens­koor een aardig patriotistisch lied gezongen. Zooiets van : „Komt de vijand door ons land, dan zullen wij de dijken doorsteken en hen zwemmen leeren ! Wij hebben nog geweren en buskruit genoeg !" De jongens zongen het zoo dapper, dat het was alsof een klein leger uit de verte kwam aanrukken, geheel bereid om aanstonds te doen wat zij zongen. Toen het lied uit was, ging er door de menigte een beweging van instemming heen. Iedereen scheen meegenomen te zijn geworden. Op dat oogenblik viel mijn oog op onze Vorstin, en het trof mij hoe onbewogen Zij bleef en hoe ze maar stil voor zich uit zat te staren. Zij, die anders altijd zoo gewillig is om van haar instemming te doen blijken, hoe zou zij het niet doen, nu het jongens gold, kinderen, die dubbel gevoelig zijn voor waardeering ? Maar Zij bewoog zich niet....
Wij kennen onze Vorstin genoeg om te weten dat het niet de militaire klank van het lied was, die haar hinderde. Ook niet de patriotistische geest die er uit sprak. Ook niet het feit, dat het kinderen waren, die zoo zongen. Maar Hare Majesteit heeft er op dit oogenblik vast en zeker over nagedacht wat het zou beteekenen als dit lied eens werkelijkheid werd voor ons volk. Zij heeft zich gerealiseerd de zee van jammer en ellende die uit een eventueelen oorlog zou voortvloeien voor ons arme volk, dat volk, waaraan Zij zoo innig is verbonden. En toen verstierf in haar groote hart alle lust om zelfs maar te glimlachen. Persoonlijk heb ik gedacht dat zij op dit oogenblik bad. En zoo het gebed al niet op haar lippen is geweest, dan was het toch zeker in haar hart: „a bello, libera nos, Domine".
„Heere, bewaar ons voor oorlog". In een tijd als dien, welken wij doorleven, is het geen groote kunst het hoofd van een volk te zijn, maar het lijkt mij heel moeilijk het geweten er van te wezen. En dat is onze Vorstin.
Wij danken Haar uit het diepst van ons hart voor dit voorbeeld ons gegeven, en hopen dat, zooals Zij is, ook wij mogen zijn in dit leven. BARKEY WOLFF.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's