KERKELIJKE RONDSCHOUW
EEN BELANGRIJKE VERGADERING.
Blijkens een advertentie, voorkomend in dit nummer van „De Waarheidsvriend" zal op Woensdag 12 October a.s. te Utrecht een vergadering worden gehouden, uitgaande van het Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel, waar 't openingswoord zal worden gesproken door den voorzitter, prof. Haitjema, van Groningen: „Uit verlies winst". In de morgenvergadering zullen dan voorts huishoudelijke zaken worden behandeld.
In de middagvergadering (aanvang half twee), welke een meer propagandistisch karakter zal dragen, zullen als sprekers optreden : dr. S. F. H. J. Berkelbach van der Sprenkel, van Rotterdam en ds. H, Schroten, van Sluipwijk. De eerste zal spreken over : „De Kerk en de menschen", de tweede over : „Onze roeping tot eenheid".
De combinatie : prof. Haitjema, dr. Berkelbach en ds. Schroten achten wij zéér gelukkig. Er zullen weinig menschen zijn — die meeleven — die van de gedachte uitgaan : één groep kan het wel af. We zullen elkaar op een goede basis moeten vinden ; niet als fusie, maar als coalitie ; rondom één fundamenteel beginsel. De nood der Kerk en de nood des volks dringt en dwingt in deze. En dan kunnen we moeilijk betere combinatie vinden dan bovengenoemde sprekers, 't zyn verschillende typen, maar die elk voor zich en saam met groot vertrouwen kunnen en moeten worden begroet.
Wij weten, dat men in onze kringen — en waarlijk in onze kringen niet alleen — in zooverre hebben we elkaar geen verwijten te doen — verschillend over het Ned. Hervormd Verbond tot Kerkherstel denkt. En dat moet worden gewaardeerd en gerespecteerd. Alleen die lust hebben om den boel stuk te slaan en de verwarring nog grooter te maken, zullen natuurlijk hier 't liefst „drijven" in één bepaalde richting. Maar in zooverre zijn we door de crisis heen, dat er waardeering gekomen is, over en weer. En saam verblijden we ons dat velen — van verschillende kanten — zich met 't vraagstuk van de Kerk (nog iets anders dan het „Kerkelijk vraagstuk") nu bezig houden.
Met groote belangstelling zien we de vergadering van Woensdag a. s. tegemoet, en wij hopen hartelijk, dat er kracht en zegen van mag uitgaan voor Kerk en volk. Waarlijk, de nood is groot. En onze schuld — onze schuld — is tegen ons getuigende.
De Heere ontferme Zich naar den rijkdom van Zijn trouw verbond en Hij lelde ons in rechte wegen, naar Zijn Woord, tot eere Zijns Naams en tot heil voor Kerk en Volk.
WIJ LATEN DE HERVORMDE KERK NIET LOS.
Wij willen volstrekt niet beweren, dat buiten de Hervormde Kerk, gezien ook den gang der historie, geen geloovige menschen zijn. We zeggen ook in de verste verte niet, dat de Hervormde Kerk alléén de ware Kerk is en dat buiten haar geen ware kerken zijn, die zich aanstellen naar den eisch van het Woord, met de bediening der Sacramenten en de oefening van de tucht. Wie zóó geheel en al formalistisch zou gaan redeneeren, doet de waarheid geweld aan en dreigt ook eigen zaak te vermoorden. — Maar niet het minst afdoende van het goede van andere kerken en niet het minst betwistend, dat er vele van Gods kinderen buiten de Hervormde Kerk zich bevinden, willen we toch niet aflaten om de wille van de eere Gods en den welstand van Zijn Kerk in dezen lande, te beweren, dat de Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk in dezen lande van ouds de Kerk van Christus is, die nu — sinds lange — heel ernstig krank is, maar van welker herstel en genezing zoo ontzaglijk veel afhangt voor den gang van Gods Koninkrijk. En wij kunnen nooit ernstig genoeg zeggen, dat allen die den Naam des Heeren wenschen te belijden naar Zijn Woord en die in de Hervormde Kerk zijn geboren, haar getrouw moeten blijven en haar niet den rug moeten toekeeren.
Natuurlijk zijn hier vele vragen te doen, waarop lang niet altijd gemakkelijk een antwoord te geven is. En van dien kant beschouwd, komt het deze en gene dan ook wel voor, dat het maar 't beste is om op te stappen en heen te gaan. De gelegenheden worden met den dag talrijker om een goed onderkomen elders te vinden. De Kerkgemeenschappen verrijzen als paddestoelen uit den grond; dominees zijn er telkens weer opnieuw, ambtsdragers zijn er blijkbaar in menigte, en we kunnen het best begrijpen, dat iemand zegt: „God trekt zich blijkbaar van al deze dingen niets aan, want het gaat rustig z'n gang". Er zijn echter zooveel dingen die God Zich blijkbaar niet aantrekt, die als voor Zijn aandacht voorbij gaan. Er zou zoo dikwijls gevraagd kunnen worden : „Zou God het wel weten ? " Soms schijnt het zelfs alsof God een premie stelt op allerlei doen, dat niet naar Zijn wil is. Asaf wist er ook van mee te praten en Jesaja heeft het er ook over met het volk in ballingschap. Maar wij weten veel te goed door Gods geopenbaarden wil, wat God in deze van ons eischt. Dat is, dat we Zijn huis niet woest zullen laten. Zijn zegeningen niet zullen vergeten, den dag der kleine dingen niet zullen verachten en voortgaan met 't werk, dat ons door Hem is toebetrouwd. Dan prijst men ons het eene oogenblik, dan laakt men ons werk het andere oogenblik, dan lijkt 't soms wat goeds en dan schijnt het soms ijdel en dwaas — maar de Heere zegt: „Weest Mijne getuigen ; predikt het Woord tijdig en ontijdig ; herstel de poorten, bouw de vervallene muren op. Ik, de Heere, zal u niet begeven noch verlaten ; Mijn genade is u genoeg. Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht".
Aan het herstel van onze aloude Vaderlandsche Kerk is zoo oneindig veel gelegen ! En het verkeerde van de eindelooze splitsingen en verbrokkelingen, scheidingen en scheuringen moet meer en meer ingezien worden. Dan wil de Heere nog een zegen voor Kerk en Volk bereiden, om Zijns Naams wil!
Het verblijdde ons dan ook, dat door de Afdeeling van den Gereformeerden Bond te Alphen aan den Rijn een circulaire is verspreid aan „onze medeleden van de Ned. Hervormde Gemeente te Oudshoorn" van den volgenden inhoud :
Gezien het feit, dat er door de Moderne Gemeente een daad is verricht, waardoor we allen zijn opgeschrikt, zelfs zoo, dat er in onze gemeente stemmen opgaan voor het lidmaatschap van de Ned. Hervormde Kerk te bedanken, acht de Afdeeling van den Gereformeerden Bond hier ter plaatse het haar roeping en plicht, daar met ernst haar stem tegen te verheffen.
Die daad der Moderne Gemeente is, zoo als men weet, het heffen van een kerkelijken Hoofdelijken Omslag.
Wij hebben echter in de plechtige ure van belijdenis niet aan de menschen, maar aan God beloofd, deze Kerk trouw te zullen blijven en voor haar het goede te zoeken, ook al is ze nog zoo diep gezonken.
Wij willen ernstig vermanen, daaraan in de eerste plaats te denken en liever te buigen onder 't oordeel Gods in den vorm van deze wet, waardoor belastingheffing in die Kerk mogelijk is en wij tot betaling kunnen worden gedwongen, dan dat we met verzaking van onze roeping, een belofte gaan verbreken, eenmaal, nog eens niet aan menschen, maar aan God beloofd.
Het staat toch voor een ieder van ons vast, dat God nooit aan dit geld Zijn zegen zal verbinden, dus dat de Moderne Gemeente daar ook geen baten van zal ondervinden ; dan liever voor God op de knieën in schuldbesef en gesmeekt of Hij Zijn Waarheid wil verbreiden en verdedigen.
God zelf bewege uwe harten om dit offer te brengen en de keuze in het hart om op de verbrokkelde muren van onze Vaderlandsche Kerk pal te blijven staan, niettegenstaande den overmoed en overmacht des vijands, want Gods Waarheid zal zegevieren !
Met heilbede en vr. groeten. Namens het Bestuur :
E. A. VAN DIGGELEN, Voorzitter.
W. VAN OOSTENDE, Secretaris.
Wij hebben grooten eerbied voor deze kloeke daad en dit sprekend getuigenis van de Afdeeling van onzen Gereformeerden Bond te Alphen aan den Rijn. Neen ! het leeft niet onder onze Bondsleden, om zich maar af te scheiden en zich van het geheel der Hervormde Kerk los te maken. Het kan misschien wel eens schijnen dat er zoo iets gevonden wordt bij deze en gene ; om de verantwoordelijkheid voor het geheel der Kerk niet mee te willen dragen en zich maar afzonderlijk te gaan installeeren ; maar gelukkig leeft dat toch niet bij de leden van den Gereformeerden Bond als zoodanig. De gemeenschappelijke zonde en schuld spreekt tot ons, en dat mogen we maar niet op een gegeven oogenblik van ons afschudden, maar gemeenschappelijk hebben we de Kerkschuld te dragen (is men over 't algemeen niet veel te vlug klaar met die Kerkschuld? ) om ook saam in den weg van 's Heeren Woord te staan naar herstel en wederopbouw van het huis des Heeren in dezen lande.
Zegene de Heere de pogingen van onze Afdeeling te Oudshoorn (Z.-H.) om ook plaatselijk te mogen medewerken aan de wederoprichting van de Kerk, die wij allen lief hebben; waar ook de bemoeienissen des Heeren zoo vele zijn; waar ook de beloften Gods zoo rijk en heerlijk zijn !
HOE LANGER HOE MEER.
Het moet ons opvallen, dat in onzen Held. Catechismus zooveel ernst gemaakt wordt met de zonde en met den zondigen aard der kinderen Gods — maar tegelijk met de heiligmaking en het leven in gehoorzaamheid naar Gods wil en wet.
Dat maakt de spanning uit van het leven der geloovigen !
De Catechismus teekent die spanning in het leven der kinderen Gods in de 44ste Zondagsafdeeling met twee dingen :
We moeten zoo lang als we leven en hier op aarde zijn hoe langer hoe meer onzen zondigen aard leeren kennen — en des te begeeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken en te ontvangen, om er in te mogen deelen.
Ons leven lang moeten we hoe langer hoe meer ons zelf tegen vallen en hoe langer hoe meer kloppen aan de deur van Christus' gerechtigheid, met de bede, dat Hij onze gerechtigheid mag zijn bij God.
En dan komt het tweede : We moeten ons leven lang, zonder ophouden, ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat we hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, tot dat we in de eeuwigheid tot de volkomen^ held geraken zullen, die ons beloofd en voorgesteld is.
In onzen zondigen weg, met onzen zondigen aard, dus hoe langer hoe meer onderwerpelijk, aan onze ziele, de gerechtigheid van Christus trachten te veroveren met een biddend en vragend hart.
En dan ons leven lang, zonder ophouden, biddend om de genade des Heiligen Geestes, de heiligmaking najagen, om hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd te worden.
Verwachtende de eeuwige zaligheid, om straks zonder zonde, altijd bij den Heere te zijn.
Dat is de spanning des levens voor den Christen in het stuk van de rechtvaardiging des zondaars in Christus en in het stuk van de heiligmaking, om door de genade des Geestes in oprechtheid voor God te mogen leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's