De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

13 minuten leestijd

23. Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, één uit duizend, om den mensch zijnen rechten plicht te verkondigen ; 24. Zoo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen : Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale ; Ik heb verzoening gevonden. 25. Zijn vleesch zal frisscher worden, dan het was in de jeugd ; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeeren. 26. Hij zal tot God ernstiglijk bidden, die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien ; want Hij zal den mensch zijne gerechtigheid wedergeven. 27. Hij zal de menschen aanschouwen, en zeggen : Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; 28. Maar .God heeft mijne ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zoodat mijn leven het licht aanziet. Job 33 vers 23—28.

VERZOENING EN LEVEN.
De Heere schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob ; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. De Heere, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem. Numeri 23 vers 21. Welzalig de mensch, die de kracht van dit woord Gods eenigermate door vrije genade mag ervaren. De Heere doet alles om Zijns Zelfs wille, Ezech. 36 vers 22 ; Jes. 43 vers 25 ; Deut. 9 vers 6 ; Jes. 48 vers 11 ; Hos. 14 vers 5 ; en in Zijne vrije gunst wil Hij nu het goddelooze Jakobsvolk aanzien in de gerechtigheid van Christus ; de boosheid in het begenadigde Israëlsvolk wil Hij niet toerekenen, omdat de geestelijke strijders in den geloove, bekleed zijn met den mantel der gerechtigheid van Christus. De Heere is door Zijn woord en Geest bij Zijn volk en het geklank van hun hemelschen Koning vernemen zij met het oor des geloofs in hun harte.
Overal, in de Heilige Schrift, beluisteren wij de sprake der vrije genade, der rechtvaardiging des doem-en onwaardigen zondaars alleen door souvereine gunst. Ook in Job 33 vers 23—28 wordt ons deze waarheid helder en klaar voor oogen gesteld. Met Gods hulpe letten wij op twee zaken :
I. Op de verzoening, vs. 23 en 24;
II. Op het nieuwe leven, vers 25—: 23.
I. De verzoening, vers 23 en 24. Job woonde in het aartsvaderlijke tijdperk in het land Uz, in Mesopotamië. De vreeze des Heeren werd op eene bijzondere wijze bij hem gevonden. Hij was oprecht, en vroom, en Godvreezende, en wijkende van het kwaad. Jota 1 vers 1. Ja, niemand op de aarde was gelijk hij, Job 2 vers 3. Deze zeer begenadigde man v/as naar het uitwendige zoowel als naar het geestelijke, het eeuwige, gezegend. Het behaagde den Heere hem te maken tot een lijder, een beproefde bij uitnemendheid, een voorbeeld van den Man der Smarten, den Heere Jezus, die door lijden tot Zijne heerlijkheid zoude ingaan.
In het boek Job hebben wij de Theodicee, d.i. de rechtvaardiging van het Godsbestuur, bepaaldelijk in de verkiezing en behoudenis van Zijn volk. In dit boek wordt ons duidelijk gemaakt, dat de Heere Zich wil verheerlijken in het lijden van Zijn gunstvolk; Hij wil Zijne eere openbaren in dat lijden tot beschaming van den satan en diens rijk.
Job wordt tijdelijk in de macht van satan overgegeven ; deze mag hem verdrukken en verzoeken, doch moet zijn leven verschoonen, Job 1 vers 12 ; Job 2 vers 6.
In eene korte spanne tij ds volgen vele rampen elkander nu snel op; zijn vee wordt geroofd of door vuur verteerd ; zijne kinderen worden gedood, en ten slotte wordt hij in zijn vleesch aangetast en met booze zweren overdekt van zijne voetzool af tot zijnen schedel toe. In uiterste droefenis zat hij nu neder in het midden der asch. Toen zeide zijne huisvrouw, die hem behoorde te troosten, te sterken, te steunen, te helpen in zijnen rampspoed : Houdt gij nog vast aan uwe oprechtigheid ? Zegen God, en sterf, d.i. Vloek God, zie van Zijnen dienst af en eindig uw leven, dat toch niet langer getorst kan worden. Job hield echter vast aan zijne oprechtheid, want hij antwoordde : Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen ? Job zondigde met zijne lippen niet. Zijne vrienden, Elifaz, Bildad en Zofar kwamen tot hem om hem te vertroosten, doch bleken moeilijke vertroosters te zijn, die geen inzicht hadden in het lijden der vromen, zoodat hunne woorden in plaats van zijn lijden te verzachten, dat verzwaarden ; hunne woorden waren geen heelende balsem, doch scherpe priemen, die het schreiende hart van Job doorboorden ; onmeedoogende pijlen, die geschoten van den boog van hoogmoedige zelfingenomenheid, het hart van Job nog meer verwondden. Al de baren van tegenheden rolden met groot geruisch over het hoofd van Job heen.
De onbillijke woorden van zijne vrienden maakten echter openbaar, dat ook Job zich overschatte. Hij vervloekte den dag zijner geboorte ; fijne eigengerechtigheid, welker bestaan hij niet had bevroed, werd openbaar.
Toen begon Elihu, de jongste vriend, te spreken, als de mond der wijsheid. Job kon vrijelijk tegenreden doen hooren, zoo hij met de woorden van Elihu niet instemde. Deze wijst er op, dat Jota had gezegd: Ik ben rein, zonder overtreding ; ik ben zuiver, en heb geene misdaad. Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij ; Hij houdt mij voor Zijnen vijand. Hij legt mijne voeten in den stok ; Hij neemt al mijne paden waar. Job 33 vers 9—11.
Uit deze uitingen bleek eigengerechtigheid. Job meende, dat hij, omdat hij den Heere oprecht trachtte te dienen, gespaard zou worden voor het lijden. Hij roemde nog al op zijn heilig leven, op zijn Godsvrucht. Elihu bestraft Job op voorzichtige wijze; Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig ; want God is meerder dan een mensch. Waarom hebt gij tegen Hem getwist ? Want Hij antwoordt niet van al Zijne daden, m.a.w. de Heere doet wat Hem behaagt en wat het meeste strekt tot Zijne eere.
De Heere bestraft den mensch eens of tweemaal, vers 14, d.i. meermalen, opdat hij in den diepen zin des woords bekeerd worde, doch men let daarop niet.
Door openbaringsdroomen spreekt de Heere soms tot den mensch, opdat het klaar gemaakt worde, dat in de kastijding eene bedoeling Gods verborgen is. Ook geschiedt het wel, dat ernstige kranklieden gezonden worden, opdat zij middelen tot bekeering worden.
Is er dan bij Hem, d.i. God, den Vader, een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mensch zijnen rechten plicht te verkondigen ?
Als de mensch, ook het kind Gods dan zoo blind is, dat de bedoelingen Gods niet worden opgemerkt, wie is dan de ware Wijsheids-en Waarheidsleeraar ? In de eerste plaats wil Elihu op bescheiden wijze uitdrukken, dat hij de waarheid aan Job verkondigt, tot diepere zelfontdekking, tot verootmoediging.
Job was een Godvreezend, een vroom man, die in Job 17 vers 3 bad : Stel mij een Borg bij U ? Hij voegde er aan toe : Wie zal hij zijn ? Het volle licht aangaande den Bloedborg was dus in zijne ziel nog niet ingedaald. In Job 19 vers 25 sprak Job in het geloof : Want ik weet, mijn Verlosser leeft. Hieruit blijkt alreede een diepere inleiding in het werk van den Christus. In Job 33 vs. 23—28 wordt echter een nog rijkere prediking tot Job gebracht, opdat hij dieper ingeleid worde in de verzoening alleen door den Bloedborg 011 Middelaar Christus.
Jota roemde op zijne heiligheid, waaruit bleek, dat hij nog niet ten volle van zijne werkheiligheid was verlost. Door het geloof, door genade kende hij dus Christus nog niet in den diepen zin, als het Einde der wet. Het geloof, dat van alles afziet en ons leert zonder berekening of voorwaarden ons over te geven voor den tijd en voor de eeuwigheid, in Gods hand,
De Gezant en Uitlegger, hier bedoeld, is de Christus, de Tweede Persoon, de Engel des Heeren, de Engel des Verbonds, die meermalen in het Oude Verbond optreedt, b.v. Gen. 18 vers 1 en Ex. 3 vers 2. De Christus is de Gezant, de Engel, de Bode bij uitnemendheid, die ons de boodschappen Gods door Zijn woord en Geest doet hooren. Hij is de Uitlegger, de Tolk Gods, die ons den Raad Gods door Zijn woord verkondigt; de Middelaar, Voorspraak, Advokaat en Bloedborg, die tusschen den vertoornden Rechter, den Vader en het kind Gods treedt. Hij is de Middelaar Gods en der menschen, 1 Tim. 2 vers 5, onze Voorspraak, 1 Joh. 2 vers 1 ; de Verzoening voor onze zonden. Hij is de Gezant uit duizend, d.w.z. Hij is het Hoofd der hemelsche engelscharen en der predikers ; Hij is de Profeet, Hoogepriester en Koning, in Wien alleen het heil voor een verloren, doemschuldig menschenkind wordt gevonden.
Deze Middelaar, Bloedborg en Bloedbruidegom verkondigt den mensch zijnen rechten plicht, houdt den mensch de wet als een spiegel voor, waarin de eischen Gods zijn opgeteekend.
Deze Bloedborg en Middelaar zal echter uit vrije genade het aangeklaagde kind Gods genadig zijn en zeggen : Verlos hem, dat hij in het eeuwige verderf niet nederdale ; Ik heb verzoening, een losprijs gevonden, n.l. het bloed des kruises.
In deze woorden teekent Elihu de verzoening van een doemschuldigen zondaar met God den Vader, den heiligen, rechtvaardigen, vertoornden Rechter, door vrije genade, alleen door den Middelaar, Borg en Hoogepriester Jezus Christus.
Job was een kind Gods, dat reeds gebeden had den Borg te mogen kennen ; dat reeds eene geloofsgetuigenis in Job 19 vers 25 had doen hooren. Nu wordt hij dieper in de geloofsgerechtigheid, in de verzoening ingeleid.
Dit geschiedde in zijne beproeving en ziekte. Ook Hizkia, Jes. 38 vers 14 — 17, werd in de rechtvaardiging door het geloof ingeleid tijdens eene ziekte. Jakob, Gen. 32, behield ook een teeken in het lichaam als eene uitwendige herinnering van de verlossing van zijne ziel. Gen. 32 : 22—32.
Het is een groote, diepe zegen voor een kind Gods, dat den Heere vreest, in de verzoening door Christus' bloed, in de rechtvaardiging door het geloof te mogen worden ingeleid.
Dan wordt zoo'n kind Gods in het hart geplaatst voor den Rechter, den Vader, die de vierschaar spant. Dan klaagt de wet ons aan, zoodat wij onze vuile zondekleederen duidelijk zien in den spiegel der heilige wet, Zach. 3 vers 1—5. *) Ook de consciëntie klaagt dan aan, terwijl de satan het kind Gods wederstaat. Dat zien wij duidelijk bij Job, die door den satan gekweld wordt en eveneens in Zach. 3. Wanneer het kind Gods dan als een aangeklaagde staat voor den Goddelijken Rechter, ontsluit de hel van den oneindigen toorn des Heeren zich voor den voet. Het kind Gods zinkt dan in die hel weg; de vlammen van het inwendige oordeel verteren het worstelende kind Gods : het wordt stof en assche voor den heiligen Rechter. Dan treedt de Hoogepriester, de Bloedborg, de Middelaar, de Bloedbruidegom op met de woorden : Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale; Ik heb verzoening gevonden. Met die woorden pleit Christus voor den Vader, opdat de ziel worde verlost. Dan mag Gods kind met het geloof op den Borg, Jezus Christus, zien; dan wordt deze in het geloof door vrije genade omhelsd als Borg en Zielebruidegom. Dan wordt de Vader van den Borg en Bruidegom door genade door het geloof onze Vader in Christus.
Gezegend is hij, die dit mag ervaren. Dan worden wij met het witte kleed van Christus' gerechtigheid bekleed, Zach. 3 ; Jes. 61 vers 10 ; dan wordt onze ziele liefelijk omhelsd ; dan worden al onze zonden in de zee der vergetelheid achter 's Heeren rug weggeworpen, Jes. 38 vers 17.
II. Het leven, vers 25—28.
De vruchten der verzoening met God, den Vader, den Rechter, worden klaar geopenbaard. Eene ziel, die met God is verzoend, die door het geloof is gerechtvaardigd in Christus' gerechtigheid, ontvangt eenen vrede, welke alle verstand te boven gaat. Zoo'n kind Gods is met God bevredigd, met den naaste, ja, ook met de natuur verzoend, zoodat wij in andere verhoudingen zijn geplaatst. Dan daalt er ook blijdschap in ons hart neder, omdat wij door de toegerekende gerechtigheid van Christus met God zijn verzoend. Ja, in die geloofsgerechtigheid, door vrije genade ons geschonken, in dien vrede en in die blijdschap wordt het geestelijke Godsrijk openbaar. Dan komt er ook leven des Geestes in ons hart; en tevens breekt het hart uit in lof des Allerhoogsten en in een getuigenis, dat de eere des Heeren zoekt. Dan wordt het echter onze zielesmart, dat de oude mensch de verheerlijking des Heeren remt, zoodat wij niet anders kunnen doen dan vragen in den gebede, of de Heere den mensch meer in den dood voere, opdat de nieuwe mensch, die God verheerlijkt, meer tot rijping kome.
In het hart van een verzoende, gerechtvaardigde ziel wordt het leven des Geestes gegeven door de toepassing des Geestes.
Uitwendig wendde de hand Gods zich bij Job, die zweeg en het oordeel toeviel, ja onderging in zijn hart; doch zijne ziel werd in een veel hoogeren en dieperen zin verlost, van de schuld namelijk.
Een verzoende en gerechtvaardigde ziel keert tot de dagen der jonkheid weder. De gerechtigheid en het leven in den staat der rechtheid bij den mensch gevonden, keeren tot zoo'n ziel door genade als een gegeven goed terug. Zoo'n kind Gods heeft worstelingen in het gebed onder weenen en smeeken, Hosea 12 vers 4 en 5 ; dan komt het eeuwige welbehagen des Heeren zich aan de ziele te ontsluiten ; dan wordt de gerechtigheid Gods het kind Gods wedergegeven. Dan begint zoo'n ziel te getuigen : Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat ; maar God heeft mijne ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zoodat mijn leven het licht aanziet.
Een gerechtvaardigd, vrijgemaakt kind Gods is bijgevolg met de ootmoedigheid bekleed als met een gewaad, doch anderzijds getuigt het van de groote liefde en genade Gods, welke zich tot een onwaardige uitstrekte.
Geliefden, hebt gij kennis aan de verzoening en rechtvaardiging door het geloof, door vrije, souvereine genade ? Kent gij iets van het leven des Geestes door de gemeenschap met den opgestanen Christus ?
Van nature staat de mensch buiten deze verborgenheden der godzaligheid. Wij zijn dood in zonden en misdaden en wij derven de heerlijkheid Gods ; ja, wij versieren onszelven met de vijgebladeren van deugd, eigengerechtigheid en vorm, meenende zoo te kunnen bestaan voor onzen Rechter. De mensch maakt het geloof, de ellende, de bevinding tot een grond en zoo missen wij van nature den vasten grond onder den voet. Wij zijn waardig voor eeuwig verloren te gaan, voor eeuwig verdoemd te zijn. Want als in Adam gevallenen hebben wij den eeuwigen dood ons schuldig gemaakt.
Aangezien echter in het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, ons een weg is ontsloten, roepen wij het u toe : Wordt behouden, alle gij einden der aarde. Dat gij, onbekeerden, den Heere te voet mocht vallen met de bede om de vergeving uwer zonden alleen om Christus' wil. Dat het koord u, geestelijk gesproken, om den hals moge worden gedaan, opdat gij gratie moogt ontvangen door vrije genade.
Jeugdige vrienden, dat gij de ijdelheid der wereld moogt ontvlieden en den Bloedborg Jezus Christus moogt zoeken in den gebede.
Steunt gij nog op een loozen grond, dat gij mocht begeeren door de wedergeboorte deel te krijgen aan het Kruis Christi.
Bekommerde en treurende zielen, dat gij als Job door genade, door het geloof, op het gebed, van uwe zondenschuld moogt worden verlost, door de verdiensten van den Bloedborg, Jezus Christus.
En, kinderen Gods, dat gij van den vrede, de blijdschap, het leven des geloofs moogt proeven, en dat wij getrouw mochten zijn bij onzen arbeid des getuigens; dat wij stervende aan ons zelven ter eere Gods mochten leven, door de kracht van Christus' opstanding.
Rijssen (Ov.). A. VAN WILLIGEN.


*) Vgl. Ds. A. van Willigen, Zach. 3 vers 1—5, in „Genade voor genade", 17 Aug. 1932 ; uitg. : Zuijderduijn, Woerden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's