De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CHRISTELIJKE ETHIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CHRISTELIJKE ETHIEK

6 minuten leestijd

De Naam. Omschrijving van het object, waarmee we ons bij dit studievak bezig houden, is noodig. Daarom is de eerste vraag : Wat is Ethiek ? We moeten een definitie, begripsbepaling, geven. Dan weten we, wat we met dit vak bedoelen.
Waarbij we ons óók rekenschap zullen moeten geven van andere namen, die voor dit zelfde studievak gebruikt worden, vier in getal zijnde : Ethiek — Moraal — Zedeleer — Zedekunde.
Het woord Ethiek, dat tegenwoordig het meest gebruikt wordt, is van Griekschen oorsprong. Waaruit we dadelijk bemerken kunnen, dat de Ethiek van de oudste tijden af aan is bestudeerd. De Grieken waren filosofisch aangelegd; zij zijn de eigenlijke scheppers en meesters der filosofie, waarbij zich een schitterend ontwikkelingsproces laat constateeren. Eerst is 't niets dan een poovere mythologie en mystiek. Maar dan zien we opkomen een natuurbeschouwing (to physicon), voortvloeiend uit verwondering (Phytagoras en de Eleaten). Het wereldprobleem met de vraag : „hoe is alles ontstaan" ? houdt de wijsgeeren bezig.
Na de eerste periode (Naturisme) verdiept de wijsbegeerte zich; men komt tot zelfinkeer en zelfkennis. De belangstelling van de natuur gaat over in belangstelling van den mensch en het leven des menschen. Na het wereldprobleem komt het kennisprobleem. Daarmee hangen samen de vragen naar het levensgeluk en de levensbestemming.
Naast de natuurkennis (to physicon) Komt de logica (to logicon) of de denkleer ; d.i. de kunst van het vinden van de ware bewijsvoering. Zij brengt de natuurlijke, ingeschapen denkgave des menschen tot ontwikkeling. Wat er aan denkgave in den mensch is moet door het rechte gebruik ontwikkeld en veredeld worden. Een soort denk-gymnastiek (gymnastiek=lichaamscultuur). De logica is de cultuur van het meest wonderbare vermogen, dat de mensch bezit n.l. het denkvermogen (een God-verwant vermogen).
De physica is de leer der natuur ; de logica is het voorbereidend vak, de denkoefening. De meta-physica is de leer der beginselen, die achter (meta) de natuur liggen en die buiten de waarneming van de zintuigen vallen. (De Ideeën-leer van Plato).
Aristoteles (384—322 v. Chr.) daalde af, kwam tot de leer van de begrippen, van de ideeën in de stof, de ideeën die de mensch, krachtens zijn energievermogen, zich vormt, met een ontwikkelingsdoel. En zoo kwam hij tot de bestudeering van de Ethiek (to ethicon — naast to physicon en to logicon, de drie vakken der Grieksche wijsgeeren). Dat was voor hem : levensleer of leer van het goede handelen (prattein) der menschen, met name van den Griekschen staatsburger, met vragen naar de idealen, welke de mensch moet najagen, om zijn leven wèl in te richten en het hoogste goed des levens te bereiken. De leer dus : om het leven des menschen tot de hoogste en beste ontplooiing te brengen volgens de ideeën van den Griekschen wijsgeer.
Als dus de interesse komt voor de levenshandelingen der menschen, vooral voor den Griek als staatsburger, wordt er een practische filosofie of levensleer (philosophia practica) geboren, waarbij geleerd wordt: dat de lust naar het goede richtsnoer moet wezen bij alle levensbelangen van den vrijen burger (de slaaf en de vrouw b.v. tellen niet mee). Het gaat om het goede handelen des menschen en die wetenschap was voor Aristotele s voor 't eerst in een wetenschappelijk systeem gezet, Aristoteles noemde zijn werk, die hij aan zijn zoon Nikomachus overdroeg : Ethica Nicomacheia. Dat is dus levensleer, met het bespreken het streven naar het goede, zooals de leek „het goede" zag.
bij de Stoa (zuilengalerij te Athene, 300 v. Chr.) krijgt de „levensleer" den naam van Ethica. Dan treedt op den voorgrond een streven om te komen tot „vrijheid" en „verlossing", Het wijsheidsdoel was mislukt en de mensch moest liever trachten vrijheid en verlossing te vinden, dan door z'n verstand te trachten de wereld te kunnen verklaren, dat toch niet lukt. Men moest zich met den wil vrijmaken van de wereld, dan men vérder komen dan in den kennis. De mensch moet vrij worden door het te begeeren. Het geluk is afhankelijk van de zedelijke gesteldheid des harten, van het wilsleven, van het begeervermogen. Is dat niet in orde, dan alles mis ! En men stuwt in de richting van zelfverloochening en begeerloosheid : Dat is deugd èn geeft genot.
De Stoïcynen naderden met hun wijsbegeerte op verschillende punten het Christendom. Zij leerden b.v. dat de menschelijke ziel een afdruk is van de ziel is; waarbij wij onwillekeurig denken aan Hand. 17 vers 28 : „wij zijn van Gods geslacht" ; en aan de scheppingsgeschiedenis zooals ons deze in het eerste bijbeboek, volgens de Zelfopenbaring Gods, beschreven is. Cleanthes, een leerling van den Stoicyn Zeno heeft gezegd : wij stammen van U af, o Machtigste der sterfelijken, eeuwige Heerscher, Schepper der Natuur". De Stoicyn leerde ook, dat alle menschen broeders zijn en waren kosmopolitisch georiënteerd. Zij leerden dat het ware levensgeluk ligt in de onthouding. De ziel moet zich oefenen uit eerbied voor God en vertrouwen op Hem bij Zijn voorzienig wereldbestuur enz. De Epicureërs (genoemd naar Epicurus, geb. 341 v. Chr.) zochten de verlossing uit de klem der gebondenheid aan een onbegrepen wereld, in tegenovergestelde richting dan de Stoïcynen. Waar de Stoïcynen voor een strenge levenswjjze om zich te oefenen in gevoelloosheid, wat tot onverschilligheid en hardheid leidde. De Epicuristen willen trachten zooveel mogelijk het lijden te ontgaan, door het leven zóó in te richten, dat men er het hoogste procent vreugdelust uit te voorschijn haalt. Van het genot wordt een deugd gemaakt; Men moet van het lijden zich niet te veel aantrekken en genieten wat er te genieten is ; en de zelfmoord is er óók nog ! De Sceptici (volgelingen van Pyrrha, 100 voor Christus) slaan wéér een anderen weg in. Zij aanvaarden het feit, dat de waarheid voor het menschelijk verstand onbereikbaar is en zij leeren het berusten in de onzekerheid; moet het worstelen met problemen naar opgeven ; men weet het toch niet ! Scepsis = twijfelzucht, twijfelleer).
De Stoïcyn maakte van de deugd een genot; wees deugdzaam, daar beleeft de mensch plezier van.
De Epicureër maakte van het genot een deugd ; geniet van het leven, dat is het doel van het leven.
Voor den Scepticus werd de twijfel z'n zekerheid ; de mensch weet het toch niet en daarin moet hij maar berusten.

(Wordt voortgezet)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

CHRISTELIJKE ETHIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's