De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBRUG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBRUG

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Jonker Van Sterrenburgh vermaakt zich in stilte over de dankbare blijdschap dezer kleine menschen. Hij kan het zich haast niet indenken, dat het zooveel beteekenis voor hen hebben kan dat hun man en vader deze ondergeschikte betrekking bekleedt, juist omdat hij zélf zoo van jongs af in den overvloed gezeten heeft. Hij heeft nog andere plannen met de familie. Het is hem te lastig, dat zijn koetsier zoo ver af woont, 't Staat ook niet, dat de koetsier van het Slot in zulk een onooglijk huisje woont. Dezen herfst en winter moet 't nog maar zoo blijven, maar een volgend jaar moet er verandering komen. Enfin, dat is voor later. Hij heeft nog meer plannen in het hoofd, en opnieuw komt de wensch zijner moeder hem voor den geest: „ik hoop dat mijn Duco leeren zal zijn gaven en krachten te besteden in den dienst van den Heer".
Wat ligt dat Friesche landschap daar mooi in den morgenglans van het gouden zonlicht! Hoe welig staan die akkers, waar het volk bezig is de vruchten te rispen en in de schuren te verzamelen. Hoe grazen die vette koeien in de grasrijke weiden, zoo heerlijk verfrischt door den overvloedigen regen van den vorigen avond. Daar gaan twee met het rijpe koren zwaar beladen wagen op „de Eendenkooi" aan. Boven op het hooggestapeld graan zit Jap met een paar werkvrouwen, die meegeholpen hebben den oogst in te zamelen. Vanuit de verte zwaait zij met de hand, om de aandacht van haar vader te trekken. Een beweging met den zweep geeft haar te kennen, dat haar morgengroet is opgemerkt. Hoe vriendelijk steken de met roode pannen bedekte schuren af tegen het geboomte, 't v/elk de boerderijen omringt. Hier „de Eendenkooi", daar „Landlust", ginds „Arkum", ja, overal in den wijden om.trek te midden van de vruchtbare velden, staan zij, de grootere en kleinere hofsteden, waar het leven van den landman met de zijnen zich voortspoedt onder de veelvuldige drukten, die het boerenbedrijf met zich brengt. En daar tusschen in verrijzen van alle kanten de torens en torentjes, als zoovele opgeheven vingers, die de bevolking naar boven v/ijzen en met hun metalen sitemmen telkens noodigen om in de voorhoven Gods te komen en te hooren spreken over dingen, die een hoogere wereld aangaan.
Jonker Van Sterrenburgh laat zijn oogen over dien wijden omtrek gaan, dien hij voor een groot deel zijn eigendom kan noemen. Hoe rustig is het te midden dezer landelijke omgeving. In de slooten, die tus­schen de landerijen de grensscheiding vormen, is een visscher bezig met zijn schakels den snoek te verschalken of de fuiken op te halen, een vorigen avond uitgezet om paling te vangen. Hier en daar moet een kaaswagen gepasseerd, die naar een naburige markt op weg is. In de verte loopt Klaas Kroontje met zijn korven aan het juk. Aan den gezichtseinder is de zwarte rug van den hoogen zeedijk te zien, die de schuimende wateren binnen hun perken moet houden, wanneer de zware Noordwester komt aanstormen en de razende golven in wilden wedloop komen aanrollen, als wilden zij de hun ontnomen prooi weer bemachtigen en het ingepolderde land andermaal met hun zilten vloed overstroomen ; terwijl van landzijde aan den horizon het lieflijk boschage uit den woudstreek opdonkert, waar, bij zomeravond, de nachtegaal slaat en den rustigen wandelaar onder eeuwenoud geboomte een melodieus boschconcert wordt aangeboden, en waarin voor den jager ruimschoots gelegenheid bestaat het wild te achtervolgen, 't welk hier overvloedig in de ongebondenheid van 't natuurleven wordt aangetroffen. En boven heel die afwisselende pracht en rijkdom in kleur en klank, welft zich dezen morgen de hemel als een reusachtig koepeldak, een licht en leven uitstralend, die gansch de schepping doen baden in de weelde van 's levens overvloed.
Nog nimmer heeft Jonker Van Sterrenburgh zóó dit natuurtooneel aanschouwd. Honderden malen reed hij dezen zelfden weg, doch het is hem alsof vandaag de vogels heel anders zingen en de zon heel anders schijnt en de bloemen heel anders bloeien ; in één woord, heel het leven om hem heen gansch anders is. Hoort hij in dat eindeloos „grieto, griet" van dien vogel daar ginder op die hekpaal niet den blijden klank van het redeloos schepsel, zoo teer en zwak, zoo afhankelijk in zich zelven en toch zoo zorgeloos en onbekommerd als het slechts zijn vleugelen mag uitslaan in de wijde ruimte en een weinig voedsel vindt ?
Klinkt hem het geschetter van dien leeuwerik, die daar opstijgt uit het maailand, al hooger, al hooger, totdat hij een nauw merkbare stip is geworden, om, hoe hooger hij stijgt, des te luider te zingen, niet als een jubellied, waarmede hij den hemel zoekt te naderen, als om Hem, door Wien hij werd geschapen, te loven ? Zelfs die dartele vlinder en dat zoemend bijtje, ja, ook dat wuivend riet langs de trekvaart, schijnen hem iets te willen zeggen. Heel de natuur lijkt hem de grootheid te verkondigen van Hem, Die in het maatloos heelal aan elk zijn plaats en bestemming gaf; en een oogenblik gaat hem de gedachte door het hoofd : als ook de menschenwereld in haar geheel eens instemde met dien zelfden jubel, wat zou de gedaante der wereld, wat zou 't leven van ieder afzonderlijk gansch anders zijn.
Maar is hij zelf tot hiertoe in dit alles ook niet veel te kort geschoten ? Wat voor nut heeft hij gedaan ? Welke zegen is door hem verspreid ? Zeker, hij is mild geweest, en hij heeft vele menschen geholpen, die anders verlegen waren, en hy is er steeds op uit om zijn kapitalen zoo productief mogelijk te maken, maar dat alles was nog niet altijd terwille van den naaste geschied. Daarin zat ook eigenbelang. Hij kreeg behoorlijk rente van zijn geld, en bovenal, hij was daardoor de geëerde en gevierde man.
Wat heeft hij gedaan, wat heeft hij gegeven voor den dienst van God, zooals zijn moeder had gedaan; zooals zij zoo gaarne gehoopt had dat ook hij zou doen ? Wat heeft hij tot hiertoe gevoeld voor het hoogere, het geestelijke leven ? Maken die vogeltjes hem niet beschaamd ? Heeft zoo'n man als Mollema daar vóór hem, die zijn heele leven in de zorgen heeft doorgebracht, niet oneindig meer geofferd dan hij ? En die deed het uit zijn armoede. Geen wonder — zoo denkt hij — dat ik tot hiertoe mis wat ik zoek; 't heeft mij ook nog nooit iets gekost, 't is mij ook nog nimmer ernst geweest.
„Zondag ook naar de kerk geweest, Mollema", vraagt hij opeens.
„Ja, mijnheer", antwoordt Mollema, niet zonder eenige bevreemding.
„Gaan jullie allen bij je thuis naar de kerk ? "
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBRUG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's