STAAT EN MAATSCHAPPIJ
STRAATBETOOGINGEN.
In dezen tijd, waarin tengevolge van het geweldig wereldgebeuren het revolutionair sentiment onder de bevolking groeit, is het meer dan ooit noodig, dat de Overheid haar gezag weet te doen gelden.
Schiet zij in het beleven van die goddelijke roeping te kort, dan krijgen de revolutionaire elementen de overhand en komt de veiligheid van den Staat in gevaar.
Het valt helaas niet te ontkennen, dat het vooral bij de lagere besturen, te weten de gemeenten, dikmaals aan een krachtig regeerbeleid ontbreekt.
Vandaar, dat van meer dan een zijde de vraag opgeworpen wordt, of de autonomie der gemeenten, wat betreft de gezagkwestie, wel in haren vollen omvang aan die organen kan blijven toevertrouwd en of b.v. ten opzichte van het ernstige gevaar van orde-en rustverstoring, dat in de straatdemonstraties gelegen is, niet eene wettelijke regeling dient getroffen te worden.
Aandrang van de Regeering op de gemeentebesturen, om groote voorzichtigheid te betrachten bij het geven van vergunning tot het houden van volksoptochten, richt weinig uit; de circulaire, die onlangs te dier zake door den Minister van Birmenlandsche Zaken verzonden werd, is daarvan het bewijs.
De gemeentebesturen storen zich niet aan de waarschuwingen, die van hoogerhand komen ; zij gaan gewoon hun gang.
Wat op 20 September bij gelegenheid van de opening der Staten-Generaal in de Residentie plaats vond, spreekt boekdeelen.
Op dien dag — zoo had de Communistische Partij besloten — zou een straatdemonstratie gehouden worden, teneinde de partijgenooten in staat te stellen aan hun revolutionair optreden kracht bij te zetten.
De Haagsche burgemeester verbood dezen optocht.
Toch maakte het Stadsbestuur van Amsterdam, let wel, de hoofdstad des lands, geen bezwaar om een groot aantal communistische werkloozen, door hen vrij te stellen van stempelen, gelegenheid te geven naar Den Haag te trekken, om de daar niet gewilde onrust te vergrooten.
Men staat verbaasd van een dergelijke mentaliteit (geestesgesteldheid) van 't bestuur van de grootste gemeente van Nederland, dat aan elementen, die alles willen omverwerpen en van gezag niets willen v/eten, te vergunnen om, met afwijking der gegeven voorschriften van het stempelen, van hunne revolutionaire gezindheid in het openbaar getuigenis af te leggen.
En zoo gaat het verder.
Dezer dagen berichtte de Socialistische Arbeiderspers, dat bij gelegenheid der meeting op 8 November op Houtrust, alwaar geprotesteerd zal worden tegen het beleid van de Regeering en tegen de maatregelen, die de Regeering voornemens is te nemen om de Rijksfinanciën in evenwicht te brengen, de burgemeester van 's-Gravenhage vergunning heeft verleend tot het houden van een straatbetooging door de Sociaal Democratische Arbeiderspartij en het Socialistische Vakverbond.
Al moge de burgemeester van 's-Gravenhage nu niet vreezen, dat de straatdemonstratie der Sociaal Democraten tot ongeregeldheden zal aanleiding geven, zoo wagen wij ons toch af, of het in de tegenwoordige tijdsomstandigheden van een wijs beleid getuigt, duizenden op de been te brengen om de Regeering te toonen, over welke groote macht de revolutionairen wel beschikken.
Hebben de autoriteiten de massa, die dan zal demonstreeren, in de hand ?
Het is toch bekend, dat de Sociaal Democraten, door het zaaien van ontevredenheid en door het vergiftigen van de volksgeest. Zoowel als door het geven van allerlei juiste en onware voorstellingen, een groot deel van ons volk in een verbitterde stemming heeft gebracht.
Zal die stemming op 8 November niet tot daden kunnen overslaan ?
Hebben de autoriteiten wel kennis genomen van wat in de Sociaal Democratische bladen over de voornemens van de betoogers op dien dag gemeld wordt ?
In „De Strijd", het weekblad van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigen van 7 October, wordt er op gewezen, dat op Houtrust de felle verontwaardiging der moderne arbeidersbeweging over de revolutionaire politiek der landsregeering zal ontbranden en dat daaraan op felle wijze door vele tienduizenden demonstranten uiting zal worden gegeven.
Is het geoorloofd, dat het gemeentebestuur van 's-Gravenhage de revolutionairen de gelegenheid geeft, zich op demonstratieve wijze tegen de landsregeering te keren en de bevolking tot verzet te prikkelen?
En als het nu eens tot daden mocht komen, wat God verhoede, wie zal dan voor de gevolgen verantwoordelijk zijn?
Wat in de laatste maanden in Duitschland plaats grijpt, moet voor onze Regeering een baken in zee zijn.
Bij onzen oostelijken nabuur staat het ene deel der bevolking gewapend tegenover het andere deel.
Moord en doodslag zijn daar aan de orde van den dag.
Moet het ook hier te lande dien kant op? Er zijn ook bij ons velen, die in deze onrustige tijden op een relletje belust zijn.
Dat is nog eens duidelijk gebleken op 20 september in de Residentie, toen een poitieagent in de uitoefening van zijn ambt op schandelijke wijze vermoord werd.
Daarom behooren straatbetoogingen niet te worden toegelaten.
Zeide de Heere Jezus het niet : „Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere land of huis, dat tegen zich zelf verdeeld is zal niet bestaan" ?
In den veelbewogen tijd, waarin wij leven, rust op de Overheid een zware taak. De eerste eisch, die aan haar gesteld moet worden, is, dat zij het gezag, dat haar van Godswege is toevertrouwd, zal weten te handhaven.
De Overheid is geroepen te waken voor het recht. Zij heeft voorts zorg te dragen, dat de veiligheid zoowel van den Staat als van de burgerij met alle haar te dienste staande middelen zooveel mogelijk verzekerd zij.
Moge er onder ons volk in deze bange dagen maar veel gebed voor de Overheid opgaan, opdat zij in getrouwheid aan Gods Woord hare hoogheilige roeping en taak kome te vervullen.
DE „VREDE" LIEVENDE SOCIAAL DEMOCRATISCHE ARBEIDERSPARTIJ.
Onder dit opschrift schrijft de heer J. A, Rademaker in het Christelijk-Historisch Weekblad voor Zuid-Holland van Zaterdag 1 October het volgende belangrijke artikel, dat wij hier onverkort laten volgen.
Terzelfder tijd, dat de Heeren Albarda CS. bezig zijn aan hun Memorie van Antwoord, behoorende bij hun wetsontwerp ter afschaffing van den Bijzonderen Vrijwilligen Landstorm, schrijft de Heer Albarda in „Het Volk" zijn volgelingen nog eens voor, om welke reden zij als flinke soldaten moeten dienen.
Niet om te eeniger tijd trouw te staan achter de wettige Overheid, maar om, als de Heer Albarda hen opcommandeert, zijn bevelen te kunnen opvolgen.
Hun militaire geoefendheid is voor den Heer Albarda van beteekenis en hij geeft z'n geestverwanten den raad géén dienst te weigeren, maar in den wapenhandel zoover mogelijk te brengen, als 't kan een rang te behalen.
Dat leert een artikel in het roode „Volksblad" van Donderdag 11 Augustus op de duidelijkste wijze, gelijk „De Socialistische Gids" dat reeds tevoren den volke verkondigde. Het artikel draagt tot onderkop : „Sociaaldemocraten en het leger" en oreert dan over de houding der kameraden in het leger van den kapitalistischen Staat welks leger, helaas, nog bestaat.
De Socialisten onder de soldaten, zoo heet het, zijn geen kankeraars; geen lijntrekkers. Integendeel, hun wordt aangeraden, deze zaak „groot" te zien. Men strijdt wel voor de afschaffing van het leger, doch met klein werk als persoonlijke dienstweigering moet men zich niet ophouden. Men moet, integendeel, zijn uiterste best doen, om den krijg te leeren, op kosten van den kapitalistischen Staat. Met lijntrekkers kan de klassenstrijd op zijn „grooten dag" toch ook niets aanvangen. De grootste kankeraars in dienst, zoo heet het even verder, dat zijn de jongens, die, in de burgermaatschappij teruggekeerd, hun stem trouw geven aan de partijen, die het leger van den kapitalistischen Staat in stand willen houden; het zijn zij, die gewillig hun plaats innemen in den B.V.L. en de burgerwachten.
De „roode jongens" zijn dus druk aan het werk in het leger en worden om dat „werk" geprezen in hun partijblad. Ten einde een schijn van kloekmoedigheid aan hun ondergrondsche heldhaftigheid te geven, wordt gezegd, dat „de legerleiding vreest de Sociaal-Democraten, die in het leger hun werk doen; die hun functie in het apparaat met bekwaamheid vervullen en zich daarmee (let wel !) een brok invloed in dat apparaat verwerven". O, het is zoo goed, zegt het roode Volksblad, in de militaire keuken te kijken, zooveel men kan ; er zijn belangrijker dingen in het leger te doen, dan mopperen en dagdieven. Waarom ? Hoort ! |
„Voorloopig is het gelukkig in Nederland nog niet zoo ver, dat de klassenstrijd met de wapens wordt uitgevochten. Doch wat er nog gebeuren zal, weten wij niet en, gezien de ontwikkeling in het buitenland — gezien ook de weigering van de burgerlijke partijen om de Sociaal-Democratische voorstellen tot ontwapening der vrijwillige corpsen te aanvaarden — is het voor ons noodzakelijk, ons op alles voor te bereiden."
Duidelijke taal, nietwaar? Al te duidelijk, wijl het een schitterend en voor geen tweeërlei uitleg vatbaar commentaar geeft aan ieder Christen-soldaat, hoe hij het gestadig ondermijnen van het moreel van den Nederlandschen soldaat door allerlei klacht over het eten, de legerleiding, de onuitstaanbare tucht, de belachelijke misslagen der officieren enz., enz., heeft te verstaan.
Men „bereidt zich op alles voor", in verband met de ontwikkeling der dingen in het buitenland en „omdat het wellicht gebeuren kan, dat de klassenstrijd met de wapens moet worden uitgevochten".
De aap is dus uit den mouw. Van de Communisten wisten wij het allang, maar nu weten wij het ook van de S. D. A. P.
Hun leuze is ook niet meer : „de wapens neer", maar „de wapens hier".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's