DE EERSTE LIEFDE
„Dit, dit heb Ik tegen u", Zoo klaagt de Bruidegom der Kerk, „Dat Ik van d' eerste liefde Zoo weinig meer in u bemerk".
Die klacht vlijmt door mijn ziele. Want, ach, ze is volkomen waar. Waar is die eerste liefde ? Wat oorzaak toch verkoelde haar ?
En mijn gedachten keeren Weer terug, naar het schoon weleer, Toen deze liefd' ontwaakte, En zich ontplooide, meer en meer.
Hoe innig was die liefde. Wijl God mij eerst had liefgehad. Hij wou mijn schreden voeren Op 't smalle, hemelwaartsche pad.
Opwaarts was mijn oog gericht. Hoog, tot aan des hemels transen. Vanwaar eens des Bruigom's Dag, Lichten zal in gouden glansen !
En mijn hart, tot berstens vol, Verlustigde zich in zijn schat. Terwijl schier al mijn denken. Gericht was naar de hemelstad.
Ja, toentertijd.Ik kan slechts Staam'len. De woordkeus schiet tekort, Om duid'ljjk te vertolken. Wat in zoo'n tijd ervaren wordt.
En weer klinkt in mijn ooren Des Bruigom's diepe, droeve klacht.
O ! wereld, vleesch en duivel, Hoe pijnlijk-groot is nog uw macht.
En met de bruid belijd ik : „'k Ben zwart", 't Is alles dor en stil. Een zucht ontglijdt mijn ziele : „O God, vergeef ! Om Christus' wil!"
Herwek Gij-zelf die liefde. Leidt Gij mij veilig aan Uw hand. Verbindt mij met den Christus Door 'n eeuwig-onverbreek'bren band.
Den Haag, September 1932.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's