UIT DE PERS
HOUDT DE STRAAT ZELF VRIJ.
De Standaard schrijft :
In de Rijnlandsche Courant van 3 September j.l. troffen we een bericht over een te Alphen gehouden straat-demonstratie, waarbij men ook den beurtzang beoefende. Echter op een wijze, die o.i. verboden behoorde te worden. Men oordeele zelf :
Wie maakt al onze centen zoek ? Dat is Ruys de Beerenbrouck.
Wie brengt ons in de grootste ellende ? Minister Ruys en zijne bende.
V/ie is de grootste pestilentie ? Dat is minister Ruys, zijn Excellentie.
Wie is de grootste pestilentie ? Dat is de minister van Defensie.
Men behoeft nog geen bewonderaar van het beleid van dit Kabinet te zijn om zulke publieke uitlatingen ten scherpste te veroordeelen. Hier wreekt zich de slapheid in de hooghouding van het gezag, die een der kenmerken is van de laatste twee decenniën.
Dat is niet opeens zoo gekomen. Niet dadelijk heeft iedere scharenslijper zich de evenknie gevoeld van een minister-president of een President van den Hoogen Raad. Dat is geleidelijk gegaan, in dezelfde mate als verwaande domheid het mentorschap over den goeden smaak verkreeg. En juist omdat het zoo ongemerkt, zoo stilletjes aan zich tot de tegenwoordige grove vormen heeft ontwikkeld, bleef depressie achterwege.
Maar nu wordt 't dan toch hoog tijd dat men zich weer eens ernstig gaat bezighouden met de vraag of de hoogstgeplaatsten in den lande in dit opzicht vogelvrij zijn, dan wel of zulke van minachting getuigende en daardoor het gezag ondermijnende uitlatingen van het publieke terrein geweerd moeten worden.
Wij zouden voor het zoeken naar het antwoord op zulk een vraag al heel weinig tijd behoeven. Gelijk we in den aanhef reeds deden uitkomen. En de meest effectieve manier om deze grove, kwetsende, feitelijk opruiende taal te weren, ligt voor de hand. Weer hen, die in hun demonstraties blijkbaar niet buiten zulke verlagende taal kunnen, van de straat, zoodra ze haar als demonstranten begeeren te gebruiken.
Ons precies uit het hart gegrepen, zegt "de Rotterdammer" en wij zeggen het na !
HET SOCIALISME EN ONZE CHRISTELIJKE BEGINSELEN.
.De Sociaal-Democraat", het weekblad van de S.D.A.P., van 3 September bevat een belangwekkend artikel — aldus lezen We in „De Standaard" over : De Sociaal Democraten en de Christelijke arbeiders. Wij nemen er onderstaand stuk uit over:
Neen, wie het moet hebben van het on-kerkelijk worden der kerkelijke arbeiders op grond van het onderwijs, of de verlichting, of de „maatschappelijke omstandig heden", kan de uitvoering van zijn politiek program met betrekking tot hen gerust uitstellen tot Sint Juttemis.
Maar er zijn er steeds geweest in onze beweging, die, het Christelijk geloof van de kerkelijke arbeiders als hun onvervreemdbaar bezit erkennende, uitgegaan zijn van de gedachte, dat slechts misverstand omtrent het karakter onzer beweging hen van ons hield vervreemd. Door verheldering van gedachten, meenden dezen, zou niet hun geloof, maar wel hun tegenzin tegen onze beweging verdwijnen, en zou blijken, dat hun Christendom en ons Socialisme zich zeer wel met elkaar verdragen.
Nu bestaat er ontegenzeggelijk een enorme hoeveelheid misverstand, dat door wederzijdsche gedachtenverheldering uit de wereld te helpen is, en in zooverre was en is ook deze gedachtenverheldering toe te juichen en te bevorderen.
Maar alle meeningsverschil berust niet op misverstand, en ook hier was zeker het misverstand, hoe groot dikwijls ook, niet primair.
't Is niet tegen te spreken : het Christendom en het Socialisme vormen absoluut geen tegenstelling : eerder een tweeeenheid. Maar om déze tegenstelling is het nooit gegaan, en gaat het nog niet! Met opzet sprak ik zooeven van de verhouding tusschen hun Christendom en ons Socialisme, en die vormen waarlijk geen twee-eenheid. Aan ons Socialisme zitten, ik zou ook kunnen zeggen : kleven, elementen van wereldbeschouwing uit de liberale, uit de materialistische, uit de natuurwetenschappelijke gedachtenwereld, die de meesten onzer daarom niet zien, omdat zij er tè vlak met hun neus op zitten en ze als vanzelfsprekend beschouwen — wat ze ondertusschen volstrekt niet zijn. En omgekeerd : aan hun Christendom kleven heel andere elementen van wereldbeschouwing, die wij wél zien, doch ten opzichte waarvan wij graag zouden willen dat zij ze niet in het geding zouden brengen bij het toespreken van wat men dan acht te zijn „zuiver maatschappelijke" vraagstukken. Ja willen ! ik zelf zou ook niets liever willen.
Maar hoe kunnen wij in redelijkheid van hen verwachten, dat zij zullen doen, waartoe ook wij niet geneigd zouden zijn — omdat het, zooals ik in mijn vorige artikelen uiteenzette, een psychologische onmogelijkheid is. Niets is gemakkelijker dan een confessioneelen arbeider te construeeren zooals wij hem wel graag zouden willen hebben en zooals velen van ons misschien meenen, dat hij ook best zou kunnen zijn — maar niets is ook onvruchtbaarder. Wij hebben de confessioneele arbeiders te nemen zooals zij zijn en niet zooals wij meenen, dat zij eigenlijk behoorden te zijn — voor ons gemak. Zij hebben niet hun geloof aan de „onzienlijke dingen", hun ideëen over de positie van de vrouw en over het huwelijk, over de beteekenis der armoede, over de opvoeding der kinderen, ja, hun heele manier van redeneeren, uitgaande van bijbelteksten en encyclieken, zij hebben niét al deze dingen in aparte hokjes van hun geest, maar het hangt allemaal samen, het loopt allemaal door elkaar heen".
"Dat is juist gezien. Ons Christelijk geloof is niet iets dat apart en los van alles staat. Maar het zit door alles heen, door heel onze levens-en wereldbeschouwing. „Ken Mij in al uwe wegen", zegt de Heere. En de Christen zegt: „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen". Dat is niet alleen voor den Zondag, ook niet alleen voor de binnenkamer, maar voor héél 't leven, overal.
Het Slaapduiveltje.
Ds. H. Veldkamp schrijft in het „Kerkblad" voor Kralingsche Veer en Capelle a. d. IJssel :
Ik zie n.l. het slaapduiveltje elken Zondag de kerk binnensluipen, en wel bind ik dan terstond den strijd met hem aan, maar dan kijkt ie me aan met een gluipenden glimlach als wou ie zeggen : preek jij nou maar raak, maar wedden, dat ik minstens twee of drie van je hoenders onder narcose heb, vóórdat je eerste punt uit is, om uit hun dommel niet meer te ontwaken vóórdat het verlossende „Amen" gesproken is ? U weet wel, die merkwaardige dommel, die je alleen maar in de kerk kunt gewaar worden, gepaard met korte hoofdknikjes, waarbij je zoo heel in de verte een stem hoort, als uit een andere wereld, en waarbij je een gevoel hebt of je al maar op een schip op en neer deint, kortom een echt „stichtelijke" dommel. Dat is de narcose, waaronder het slaapduiveltje z'n slachtoffers brengt, en over dat duiveltje wou ik nu iets zeggen. De Grieken noemden hem Morpheus, en namen hem wel op in den kring der Goden, maar in elk geval is 't dan een afgod, en tusschen een afgod en een duivel is niet zoo'n razend groot verschil. 't Is een handig duiveltje. Hij verspilt geen oogenblik zijn krachten aan zielen, die hongeren naar het brood des levens. Daar heeft hy geen tijd voor, want een preek duurt gemeenlijk maar anderhalf uur en de prediker doet wijs hem ook geen tijd te laten, door de preek twee uur of langer te laten duren. Dat is met het slaapduiveltje onder één hoedje spelen.
Dit duiveltje moet dus z'n tijd uitkoopen.
Stel, hy begon op 't rijtje af, dan zou de mogelijkheid bestaan, dat de tijd om was. vóór er één zieltje gevangen was. Daarom legt hij het handiger aan en loopt direct op die banken aan, waar hij z'n klantjes weet te zitten. Hij heeft zoo z'n vaste loop. Indien hij vingerafdrukken naliet, zou ik ze u op op enkele van onze mooigeverniste, eerbiedwaardige kerkbanken kunnen aanwijzen.
't Is ook een zeer suggestief duiveltje. Hij suggereert z'n patiënten, die in z'n armen wegzakken, dat ze alles gehoord hebben wat de dominé zei. En de uitwerking is verbluffend. Als n.l. deze kerkgangers na genoten rust het kerkgebouw verlaten, spreken ze vrijmoedig hun oordeel uit over de preek. Meestal valt het aldus uit : nu, i k hoor liever wat anders; dat de zondaar op 't diepst vernederd wordt, hoor je tegenwoordig niet meer, dat was vroeger toch maar anders. 't Is ook een zeer wreed duiveltje Op de meest ongelegen oogenblikken laat hij z'n slachtoffers in den steek. Tevergeefs roepen z'n aanbidders hem aan, als ze 's avonds vanwege de vele zorgvuldigheden des levens den slaap maar niet vatten kunnen. Dan slaapt hij, zooals de Baal der Karmelpriesters, en laat z'n vereerders onrustig rondwoelen. De slapeloosheid — 't is vreemd — waar ze in de kerk nooit last van hebben, grijnst als een grimmig monster hen aan. De ongerustheid over het dagelijksch brood ontrooft hun menigmaal den slaap, maar de onrust hunner ziel doet dat nimmer. Als ze slapen willen, dan kunnen ze vaak niet slapen, en als ze niet slapen mógen, dan moeten ze slapen. 't Is een wreed duiveltje.
't Is eindelijk een sterk duiveltje. Hoe vaak is hij niet ondanks mijn bidden en alles, zegevierend uit het strijdperk getreden. Ik vrees daarom, dat er door hen die door dit duiveltje geplaagd worden, zelf niet genoeg wordt meegebeden. En toch is dat het middel, om van dezen kwelgeest te worden verlost.. Bidden. Maar ook werken. Door ernst te maken met de voorbereiding voor den sabbat. Wie het juist Zaterdagsavonds laat doet worden, speelt dit slaapduiveltje in de kaart. Die speelt dus een gevaarlijk spel.
Gron. K.b
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's