De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

11 minuten leestijd

Genesis 1 : 28. En God zegende hen en God zeide tot hen : Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde en onderwerpt haar en hebt heerschappij over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat over de aarde kruipt.

2e Serie. Uit het ongeschreven Woord. IV.
Wij leven in een tijd, die schril afsteekt bij het verleden, ook daarin, dat het nationale achterstaat bij het internationale. Internationalisme doet opgeld op schier elk terrein. Hier te lande leefde ook voorheen wel de zucht om het vreemde na te bootsen. De buitenlandsche mode, nu eens de Fransche, dan weer de Engelsche of de Duitsche, vonden onder ons gereede navolging. En dit bleef niet slechts bepaald tot de kleederdracht, tot gebruiken en gewoonten, maar strekte zich ook vaak uit over geestelijke bewegingen. Den Nederlander schijnt het ingeschapen buitenlandsche wijsheid van beter allooi te achten dan de vaderlandsche. Op allerlei gebied vindt het buitenlandsche aftrek. Duitsche philosophie, Duitsche theologie, Duitsche Schriftcritiek vinden zelfs onder ons een groot afzetgebied, worden als liet nieuwste en natuurlijk als het beste aangeprezen, als nog nimmer zoo geleerd vertoond. Daaruit blijkt wel, hoe de zucht en de voorkeur voor het buitenlandsche sterk onder ons leeft, want gewoonlijk zijn de volken op niets conservatiever, houden zij niets langer en taaier vast dan de traditie in het godsdienstige. Maar onder het Nederlandsche volk is ook dit zelfs zwakker dan de bewondering voor het vreemde.
Toch is deze dwaze zucht tot naäpen nog iets anders dan het internationalisme, want zij kan gepaard gaan, als het er op aankomt, met liefde tot het vaderland. Zij is meer als een gebrek in ons volkskarakter te beschouwen, dan als een ziekelijk internationalisme te waardeeren. Dit laatste heeft nu, vooral na den oorlog, zich baan gebroken. Het was reeds voorheen een factor. Er waren reeds politieke partijen, die als vaderlandsloos stonden gebrandmerkt, die het internationalisme in hun vaandel schreven en vaderlandsliefde als een verouderd goed scholden. Het heette immers, dat het vaderland slechts voor den kapitalist en niet voor den arbeider waarde had. Maar thans nam dit internationalisme een anderen vorm aan. Het werd een element in den tijdgeest, een soort wereldbeschouwing, waarin voor eigen volk nauwelijks meer plaats overblijft.
Dit verschijnsel, dat in allerlei kringen en onder allerlei richtingen valt waar te nemen, hangt ongetwijfeld saam met heel de ontwikkeling van ons cultureele leven. Er is, dank zij het moderne verkeerswezen, dank zij de industrie en den handel, eene nieuwe wereldorde geboren, welker ontwikkeling nog in een begin-stadium verkeert en die voor de volken ongekende vergezichten ontsluit en waarvan het volstrekt niet te verwonderen zou zijn, als zij voor de samenleving der natiën geheel nieuwe voorwaarden schiep, die ten slotte kunnen leiden tot veel grootere verbanden, tot Vereenigde Staten van Europa. De economische behoeften zouden daartoe kunnen voeren. Ook dan zal ongetwijfeld de mensch nog hechten aan de plek, waar eens zijn wieg stond, aan de oorden, waar hij zijne jeugd doorbracht, maar hij zal alsdan veel gemakkelijker uitgaan in het land zijner vreemdelingschap, omdat zijne wereld zooveel grooter en ruimer geworden is.
In den loop der eeuwen, ja, van den beginne is dat proces van verspreiding, ondanks de liefde tot den geboortegrond, reeds in vollen gang. En er zijn tijden in de geschiedenis geweest, waarin het geweldig groote afmetingen aannam en volksverhuizingen in het groot hebben plaatsgegrepen. Maar ook afgezien daarvan, is het nooit volkomen tot stilstand gebracht. Nu doet zich uit den aard der zaak ook in deze verspreiding der menschheid de invloed gel­ den der zonde. Er werken allerlei factoren in, die zeker en gewis in de zonde wortelen. Zoo is de oorlog een tuchtroede over de volken, een bittere vrucht van de vijandschap, die het menschenhart verteert, maar hij is ook altijd een instrument geweest, dat de verspreiding der onderscheidene volken over de aarde ten zeerste bevorderd heeft. Op gewelddadige wijze werden daardoor in den loop der eeuwen groote volkerenmassa's als door elkander geschud.
Wie zich nu rekenschap geeft van hetgeen de historie ons leert, van hetgeen met name de tijden, die wij beleven, ons te aanschouwen geven, voor dien krijgt Gods eerste woord tot den pas geschapen en dus nog ongevallen mensch een wondere profetische beteekenis. De Heere verkondigt hem wat de zin is van zijn levensdrift. Hij heft door Zijne goddelijke bewustzijnsverlichting den sexueelen drang op in een hooger en edeler licht, opdat de mensch dezen als eene zedelijke gave zal waardeeren door hem te kennen in verband met zijne eindbestemming en er dus de verantwoordelijkheid van te gevoelen. De mensch moet zijne vruchtbaarheid als goddelijke gave en dus ook als eene roeping leeren verstaan, zoodat hij zal vermenigvuldigen en in veelheid uitbreken. Hij moet weten van Godswege, dat hij geslachten heeft voort te brengen en dat er dus met die gave den mensch door eene procreatie eene voortgezette schepping wordt opgelegd, waarin ook de kracht en de heerlijkheid van het beeld Gods zich openbaren zal. „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u", zegt God.
Doch merk nu op, hoe de Heere als voorkomen wil de dwaze vreeze en de ijdele overleggingen der moderne economie. De economen spraken de vrees uit, dat de vermeerdering der bevolking zou leiden tot armoede en gebrek. Om overvloed te houden, bevalen zij het middel van den zelfmoord der volken aan door inperking der geboorten, dus door een vergrijp tegen de door God zelve der natuur ingelegde levenswet, door ontucht, mogelijk gemaakt in de gezinnen, door het toepassen van kunstmiddelen, waardoor de sexueele daad wordt afgesneden van haar natuurlijk gevolg. Maar de Heere wijst een anderen weg, een weg, die niet leidt door den diepen afgrond van zedelijke ellende, maar veeleer aan den mensch nieuwe idealen voorhoudt van ontplooiing der gaven en krachten, hem door den Schepper geschonken. God ontdekt door Zijn eerste woord den mensch reeds voor de ruimte des levens, die de aarde biedt. Als de vraag zou opkomen, hoe voor de zich vermeerderende menschheid de levensvoorwaarden vervuld zullen zijn, of er voedsel en woning en alles wezen zal, dat noodig is om te bestaan, dan moet die mensch het onmiddellijk weten, dat met die toename van het aantal menschenkinderen voor dezen eene roeping is verbonden om zich te verspreiden over de aarde. „Vervult de aarde", zoo zegt de Heere tot den pas geschapen mensch. God leert hem alzoo rondom zich te zien in den wijden horizon, die zijn oog naar alle zijden kan ontdekken. Die gansche aarde is den mensch gegeven. En de vervulling zijner behoeften en de voorziening zijner nooden zal de prikkel wezen, die hem drijft naar de oorden, waar hij zijne bestaansvoorwaarden vervuld kan zien. Zoo leert God dus reeds terstond den mensch, dat hij niet angstvallig behoeft te vragen, of er wel te verkrijgen is, wat de vermeerdering van menschen-tal met zich brengt. De Heere zegt: „vervult de aarde". Hij doet den mensch begrijpen, dat Hij deze aarde niet doelloos heeft voortgebracht en op die aarde niet daarom het eerste menschenpaar heeft in het aanzijn geroepen, opdat het nu verder alles zoo blijven zal, maar Hij laat over het bewustzijn van dien mensch het licht opgaan, waarbij deze zijn eigen roeping in verband met die aarde, waarop zijn Toet was geplant, zal leeren kennen. Hij moet vruchtbaar zijn, zich vermenigvuldigen en de aarde vervullen. De aarde moet vol worden en mag niet ledig blijven. En vele eeuwen later heeft de apostel Paulus diezelfde gedachte van dat eerste woord Gods tot den mensch gepredikt aan de Atheensche wijsgeeren, toen hij de eenheid van het menschengeslacht hun voorhield, door er aan te herinneren, dat uit éenen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt werd met het welomschreven doel „om op den geheelen aardbodem te wonen". En diezelfde apostel laat ons daarbenevens zien, dat die vervulling der aarde niet maar om de aarde zelve zal geschieden en geschiedt, maar dat er verband ligt tusschen die verbreiding der menschen over de aarde en de komst van het Koninkrijk Gods. Heeft niet reeds de profeet Jesaja daarop eeuwen voor hem toet licht laten vallen in zijne profetie van het komende rijk des vredes, waarin nergens leed wordt gedaan op den ganschen berg van Gods heiligheid, waarin geene verderving zou wezen ? En de grond voor de verwachting van die toekomst des heils was daarin gelegen, dat „de aarde zal vol zijn van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken". Hoe zou deze belofte gegeven kunnen zijn, indien God niet in Zijn eerste woord, dat Hij tot den mensch richtte, gezegd had : „vervult de aarde" ! Opdat Gods Koninkrijk zal komen, moet de mensch in veelheid uitbreken. Zijn huis moet vol worden. Van de einden der aarde zullen zij moeten komen en daarom ook tot aan de einden der aarde  kunnen roepen en de gansche aarde Zijn lof verkondigen zal.
Daarom is het dus dwaas van de wijzen, te meenen, dat er te veel menschen komen op de aarde, als ware zij niet bij machte, naar de belofte des Heeren, de menschen, die Hij schept, te voeden. En het is even dwaas van de menschen, om in strijd met Gods ordinantie, in den beginne reeds geopenbaard, als de oude bewoners van Babel te vreezen „opdat wij niet misschien over de gansche aarde verstrooid worden". De gansche wereld is er om haar te bewonen. Zoo ontsluit Gods Woord reeds terstond een zeer wijd perspectief voor het menschelijk bewustzijn, waardoor zij worden gedrongen met moed den strijd om het bestaan te aanvaarden. De gansche aarde is voor ons opengesteld om haar door onzen arbeid te ontwoekeren wat voor ons levensonderhoud van noode is. Doch ook hierbij moet dan gedacht worden aan de bede, door den Heere Jezus Zijnen discipelen op de lippen gelegd : „geef ons heden ons dagelijksch brood". Daarop kan vooral in deze dagen van verminderde welvaart niet genoeg nadruk worden gelegd. De moderne cultuur der laatste honderd jaren heeft een geweldige levensverrijking gebracht, die gepaard ging met steeds grooter weeldezucht onder de massa. Het dagelijksch brood wordt door velen gering geschat. De roep om steeds hooger verdiensten ten einde toe te kunnen geven aan wijd strekkende begeerten, die verre uitgaan boven het dagelijksch brood, klinkt luide, vooral in onze dagen, die tot versobering dwingen. Er is dan ook in deze crisis een gevaar, dat dreigend opkomt uit den onwil om met het dagelijksch brood genoegen te nemen. De zucht naar vermaak, waaraan duizenden toegeven, de sinds jaren bevestigde gewoonte om zich allerlei te veroorloven, dat niet slechts geene behoefte, maar zelfs een nadeel is voor den levensgang, doet vele dingen eene behoefte schijnen. En wanneer dan ook in onze dagen er onder de menschen meer eerbied was voor Gods woorden en er ook meer gedacht werd aan dit eerste woord, dat Hij tot de menschheid heeft gesproken, het oog zou opengaan voor de schoone levensroeping, weggelegd in de opdracht tot vervulling der aarde. Want daarin wordt de menschheid opgewekt tot de ontplooiing harer krachten in noesten arbeid en vlijt om zich te verwerven wat noodig is voor het dagelijksch brood, in venband met onze verplichting voor de komende geslachten.
Op treffend schoone wijze is deze zelfde waarheid van dit eerste woord van God in ons huwelijksformulier vertolkt. Het wekt allen op tot heilighouding van het huwelijk, maar brengt het ook in verband met den plicht tot arbeid, als het ons in herinnering brengt, dat het Gods bevel is, dat wij in het zweet des aanschijns ons brood zullen eten, dat wij trouw en naarstiglijk in ons goddelijk beroep zullen arbeiden, opdat wij ons huisgezin met God en met eere zullen onderhouden. En daaraan wordt dan nog bovendien toegevoegd, dat die arbeid strekken zal „om daar benevens ook wat te hebben om den nooddruftigen mede te deelen". En ten slotte wordt dan nog in het dankgebed heel dat gezinsleven in het licht van Gods Koninkrijk ons voorgesteld, als het ons leert Gods Naam aan te roepen over de kinderen, die het Hem believen zal hun te geven, opdat zij godzaliglijk opgevoed worden tot eere Gods, tot stichting der gemeente, maar ook, en daarop wordt hier nu nadruk gelegd, „tot verbreiding van Gods heilig Evangelie".
Zoo stelt dat eerste Gods Woord het vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen en het vervullen van de aarde in het licht van de heerlijkheid Zijns Koninkrijks. En schoon en gelukkig zou het leven der menschheid geweest zijn, als zij naar die sprake Gods had geluisterd en gewandeld had in haar licht. Dan ook zou zij een cultuurstrijd hebben gestreden, waarin zij hare gaven en krachten had ontplooid, maar waarin geen wanklank der zonde de harmonie van haar leven had verstoord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's